Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:3119

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-04-2018
Datum publicatie
28-05-2018
Zaaknummer
200.197.437
Formele relaties
Herstelarrest: ECLI:NL:GHARL:2018:4660
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kredietovereenkomst. Totstandkoming overeenkomst. Betwisting, stellige ontkenning handtekening. Bewijswaardering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.197.437

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 273814)

arrest van 3 april 2018

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. G.J.B.C. Maton,

tegen:

de rechtspersoon naar buitenlands recht

Hoist Kredit AB,
gevestigd te Stockholm (Zweden),

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Hoist Kredit,

advocaat: mr. A.M. van Heest.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 20 september 2016 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen op 15 november 2016;

- de memorie van grieven, met producties;

- de memorie van antwoord.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.5 van het bestreden vonnis van 17 juni 2015, nu tegen deze feiten geen grieven zijn gericht.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

Hoist Kredit heeft in eerste aanleg – kort samengevat – gevorderd [appellante] en haar echtgenote, de heer [De Echtgenoot] (hierna: [De Echtgenoot] ), hoofdelijk – zodanig, wanneer de één betaalt, de ander zal zijn bevrijd – te veroordelen tot betaling van € 30.895,- aan Hoist, te vermeerderen met de overeengekomen vertragingsvergoeding, althans met de wettelijke rente, gerekend vanaf 14 oktober 2014 en berekend over een bedrag van
€ 28.356,73 tot aan de dag der algehele voldoening en tevens [appellante] en [De Echtgenoot] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding, alsmede in de nakosten.

3.2

Hoist Kredit heeft het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. Santander Consumer Finance B.V. (hierna: Santander) heeft met [De Echtgenoot] en [appellante] een kredietovereenkomst gesloten. Ondanks aanmaningen zijn [De Echtgenoot] en [appellante] hun verplichtingen uit hoofde van de kredietovereenkomst niet nagekomen. Zij zijn tenminste twee maanden in gebreke gebleven met voldoening van de maandelijkse termijnen. In gevolge de op de overeenkomst toepasselijke algemene voorwaarden is het gehele restant verschuldigde in zijn geheel ineens opeisbaar geworden. Santander heeft de vordering op [De Echtgenoot] en [appellante] uit hoofde van de kredietovereenkomst door middel van openbare cessie ex artikel 3:94 BW overgedragen aan Hoist Krediet.

3.3

[De Echtgenoot] en [appellante] hebben de vordering van Hoist Kredit betwist en hebben geconcludeerd dat de rechtbank de vordering van Hoist Kredit moet afwijzen, dan wel een onderzoek moet laten instellen naar de handtekening waarvan gesteld wordt dat die is geplaatst door [appellante] , met veroordeling van Hoist Kredit in de proces- en nakosten.

3.4

Bij tussenvonnis van 17 juni 2015 heeft de rechtbank Hoist Kredit opgedragen te bewijzen dat de handtekening die onder de kredietovereenkomst staat van [appellante] is en door haar op dat document is geplaatst.

3.5

Bij vonnis van 11 mei 2016 heeft de rechtbank overwogen dat Hoist Kredit is geslaagd in haar bewijsopdracht en heeft [De Echtgenoot] en [appellante] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 30.895,- aan Hoist Kredit, vermeerderd met contractuele rente van 8,3% per jaar over € 28.356,73 met ingang van 14 oktober 2014 tot de dag van algehele voldoening, alsmede in de proces- en nakosten. Bij vonnis van 8 juni 2016 heeft de rechtbank een verzoek van Hoist Kredit om verbetering van het vonnis van 11 mei 2016 op het punt van de proceskostenveroordeling afgewezen.

4 De beoordeling in hoger beroep

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht

4.1

Uit de inleidende dagvaarding van 23 oktober 2014 volgt dat Hoist Kredit is gevestigd in Stockholm. In dit hoger beroep ligt daarom de vraag voor of de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van de vordering van Hoist Kredit. Deze vraag dient, nu de inleidende dagvaarding is uitgebracht voor 10 januari 2015, te worden beoordeeld aan de hand van de EEX Verordening (Verordening EG nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging in burgerlijke en handelszaken) omdat [appellante] woonplaats heeft in Nederland, een EU-lidstaat, en het een geschil een burgerlijke en handelszaak als bedoeld in artikel 1 lid 1 genoemde Verordening betreft. Ingevolge de hoofdregel van artikel 2 lid 1 EEX-Vo is het gerecht bevoegd waar de verweerder woonplaats heeft. [appellante] woont in Nederland zodat de Nederlandse rechter in deze bevoegd is.

4.2

Tussen partijen is niet in geschil dat hun rechtsverhouding wordt beheerst door Nederlands recht.

Beoordeling grieven
4.3 De grieven strekken tot betoog dat de rechtbank [appellante] ten onrechte heeft veroordeeld tot betaling van de gevorderde hoofdsom, vermeerderd met rente en kosten. De eerste vier grieven richten zich tegen de bewijswaardering door de rechtbank. [appellante] stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat Hoist Kredit is geslaagd in haar bewijsopdracht. In haar vijfde grief betoogt [appellante] dat in hoger beroep alsnog een handschriftdeskundige moet worden aangewezen met de opdracht te onderzoeken of de handtekening op de kredietovereenkomst van haar afkomstig is. Het hof ziet aanleiding om de grieven gezamenlijk te behandelen.

4.4

Uit de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) vloeit voort dat Hoist Kredit dient te stellen en, bij betwisting, dient te bewijzen dat met [appellante] een kredietovereenkomst tot stand is gekomen. Hoist Kredit heeft zich beroepen op de door haar in het geding gebrachte ondertekende kredietovereenkomst. Artikel 159 lid 1 Rv bepaalt dat een geschrift, dat het uiterlijk heeft van een authentieke akte, geldt als zodanig behoudens bewijs van het tegendeel. Het tweede lid van artikel 159 Rv bepaalt vervolgens dat een onderhandse akte waarvan de ondertekening door de partij, tegen welke zij dwingend bewijs zou leveren, stellig wordt ontkend, geen bewijs oplevert zolang niet is bewezen van wie de ondertekening afkomstig is. De kredietovereenkomst is een geschrift in de zin van artikel 159 lid 1 Rv. Hoist Kredit stelt dat de handtekening onder ‘cliënt B’ van [appellante] is en door haar op de kredietovereenkomst is geplaatst. Op Hoist Kredit rust, als partij die zich op de kredietovereenkomst beroept, de bewijslast betreffende de echtheid van de handtekening nu [appellante] stellig de ondertekening van de kredietovereenkomst ontkent.

4.5

Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank en de door haar daarvoor gegeven motivering dat, gelet op de verklaringen en overige bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien, ondanks de stellige ontkenning van [appellante] , Hoist Kredit heeft bewezen dat de handtekening op de kredietovereenkomst onder ‘cliënt B’ van [appellante] is en dat zij die daar heeft geplaatst. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat sprake is van een tussen Hoist Kredit en [appellante] gesloten kredietovereenkomst en dat [appellante] niet heeft voldaan aan de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen, zodat conform de van toepassing zijnde algemene voorwaarden, het geheel ineens opeisbaar en dus toewijsbaar is. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [appellante] ook in hoger beroep de door de rechtbank uitdrukkelijk geconstateerde onduidelijkheden niet heeft weggenomen, noch daarvoor alsnog een afdoende verklaring heeft gegeven, terwijl dit in de gegeven omstandigheden wel op haar weg had gelegen. Hoist Kredit heeft de heer [persoon A] (hierna: [persoon A] in eerste aanleg als getuige doen horen. [persoon A] heeft verklaard dat hij, zoals gebruikelijk, met zowel [De Echtgenoot] als met [appellante] de kredietovereenkomst heeft doorgenomen, en dat hij heeft gezien dat [appellante] en [De Echtgenoot] de kredietovereenkomst beiden hebben ondertekend. [persoon A] heeft verklaard dat hij in de periode daarvóór alleen de heer [De Echtgenoot] telefonisch had gesproken, dat hij daarbij heeft gevraagd of hij gehuwd was en vervolgens de gegevens van zijn partner heeft gevraagd. [persoon A] heeft voorts verklaard dat het de wens van Santander was dat mensen die getrouwd waren beiden het contract aangingen. Ook heeft [persoon A] verklaard dat hij tijdens de afspraak de identiteitsbewijzen van [De Echtgenoot] en [appellante] heeft gezien, dat hij deze heeft gecontroleerd en de foto heeft vergeleken met de persoon die tegenover hem zat en dat hij een kopie van hun beider identiteitsbewijzen heeft ontvangen. [appellante] heeft de verklaring van [persoon A] weersproken, maar heeft ook in hoger beroep geen verklaring gegeven voor de omstandigheid dat Hoist Kredit klaarblijkelijk wél in het bezit van haar identiteitsbewijs is gekomen. Daarnaast heeft [appellante] geen duidelijkheid verschaft omtrent de omstandigheid dat termijnen die betrekking hadden op de kredietovereenkomst gedurende lange tijd maandelijks van haar rekening werden afgeschreven. Het betrof een en/of rekening van [appellante] en [De Echtgenoot] . [appellante] was voor deze rekening tekeningsbevoegd. Het lag in de rede dat zij om de afschrijvingen van de termijnen van de kredietovereenkomst te realiseren ook de kredietovereenkomst zou ondertekenen. [appellante] heeft niet aangevoerd dat zij tegen de afschrijvingen bezwaar heeft gemaakt, terwijl dit – zonder andersluidende toelichting, die ontbreekt – voor de hand zou hebben gelegen als op haar geen verplichting rustte om aan de verplichtingen uit de kredietovereenkomst te voldoen. Blijkens haar verklaring heeft [appellante] zelf de acceptgiro’s getekend en naar de bank gebracht op basis waarvan de termijnen van deze rekening werden afgeschreven. Ook op dit punt lag het op de weg van [appellante] om terzake opheldering te geven, hetgeen zij heeft nagelaten. Het hof volgt [appellante] niet in haar betoog dat de verklaring van [persoon A] inconsistent is en om die reden buiten beschouwing moet blijven. Dat [persoon A] zich mogelijk heeft vergist op een enkel punt, doet niet aan de geloofwaardigheid van de verklaring van [persoon A] af. Ook de stelling van [appellante] dat [persoon A] nimmer in haar woning binnen is geweest, leidt niet tot een ander oordeel. [appellante] stelt dat de verklaringen van haar en [persoon A] op dit punt lijnrecht tegenover elkaar staan, maar benoemt niet dat haar verklaring ook niet overeenstemt met de verklaring van [De Echtgenoot] . [De Echtgenoot] heeft immers verklaard dat [persoon A] wel in hun woning is geweest. Het vorenstaande brengt mee dat de grieven in zoverre falen.

4.6

In de vijfde grief voert [appellante] aan dat de rechtbank ten onrechte geen handschriftdeskundige heeft benoemd. Artikel 159 lid 2 Rv bepaalt dat zolang niet is bewezen van wie de handtekening afkomstig is de onderhandse akte (de kredietovereenkomst) geen bewijs oplevert. Het bewijs van de stelling dat de handtekening door [appellante] geplaatst is, kan worden geleverd door alle middelen rechtens, zoals volgt uit artikel 152 lid 1 Rv. Nu het hof oordeelt dat met de getuigenverklaring en de overgelegde stukken Hoist Kredit heeft bewezen dat de handtekening van [appellante] afkomstig is, zal het hof niet overgaan tot benoeming van een handschriftdeskundige. Het hof ziet hiertoe geen aanleiding, nu het bewijs omtrent de echtheid van de handtekening reeds is geleverd en daarmee is vast komen te staan dat tussen [appellante] en Hoist Kredit een kredietovereenkomst tot stand is gekomen. Deze grief faalt eveneens.

4.7

In haar memorie van grieven heeft [appellante] nader bewijs aangeboden van haar stellingen, door middel van het nogmaals horen van zichzelf en [De Echtgenoot] als getuige. [appellante] heeft niet aangegeven in hoeverre zij en [De Echtgenoot] meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan. Het bewijsaanbod is dan ook onvoldoende gespecificeerd (ECLI:NL:HR:2011:BP9991). Het hof zal om die reden het bewijsaanbod passeren.

Richtlijn consumentenkrediet (Richtlijn 87/102/EEG) en de Richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (Richtlijn 93/13/EEG)

4.8

Het hof stelt vast dat [appellante] de kredietovereenkomst met Santander is aangegaan als consument. Dit brengt mee dat voorts deze overeenkomst mede moet worden beoordeeld aan de hand van Richtlijn 93/13/EEG en Richtlijn 87/102/EEG. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft immers beslist dat de bepalingen van Richtlijn 93/13/EEG en Richtlijn 87/102/EEG op één lijn moeten worden gesteld met bepalingen die naar nationaal recht hebben te gelden als bepalingen van openbare orde. Dit brengt mee dat de rechter ambtshalve moet toetsen of de artikelen in de kredietovereenkomst en de daarop eventueel toepasselijke algemene voorwaarden waarop de vordering tot betaling is gebaseerd, in strijd komen met de bepalingen van deze twee Richtlijnen. Indien dat het geval is, geldt dat deze bedingen onredelijk bezwarend zijn zoals bedoeld in artikel 6:233 sub a BW (HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, NJ 2014/274.) en moeten zij ambtshalve worden vernietigd.

4.9

Met ingang van 25 mei 2011 is in werking getreden de Wet van 19 mei 2011 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten ter implementatie van Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad (Pb EU L133/66). Op grond van het overgangsrecht zijn noch Richtlijn 2008/48/EG noch deze wet van 19 mei 2011 van toepassing op een kredietovereenkomst als de onderhavige, waarbij een bepaalde looptijd is overeengekomen en die vóór de inwerkingtreding van deze wet is gesloten. Uit artikel 3 Wet op het consumentenkrediet (hierna: Wck (oud)), geldend ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst, volgt dat de Wck (oud) evenmin van toepassing is op de onderhavige kredietovereenkomst, nu het verstrekte krediet met een kredietsom van
€ 50.000,- het maximum van € 40.000,- te boven gaat. Het vorenstaande brengt dat het hof de artikelen in de kredietovereenkomst en toepasselijke algemene voorwaarden ambtshalve zal toetsen aan Richtlijn 93/13/EEG en Richtlijn 87/102/EEG.

4.10

De bedingen die Hoist Kredit aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, acht het hof niet in strijd met de bepalingen van Richtlijn 93/13/EEG en Richtlijn 87/102/EEG.

5 De slotsom

5.1

De grieven falen. De bestreden vonnissen zullen worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Hoist Kredit zullen worden vastgesteld op € 1.957,- aan griffierecht en € 1.158,- aan salaris advocaat (1 procespunt x appeltarief III).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank te Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 17 juni 2015 en 11 mei 2016;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Hoist Kredit vastgesteld op € 1.957,- voor griffierecht en op € 1.158,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.B. Beekhoven van den Boezem, S.M. Evers en M.H.F. van Vugt en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 april 2018.