Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:3097

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-03-2018
Datum publicatie
11-04-2018
Zaaknummer
200.225.261/01 en 200.225.265/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewind en mentorschap. Betrokkene kan zichzelf vanwege zijn stoornis niet handhaven in de maatschappij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.225.261/01 en 200.225.265/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 5979694 VO VERZ 17-1580 en 5979659 VT VERZ 17-180)

beschikking van 29 maart 2018

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de betrokkene,

advocaat: mr. P. Bollema te Leeuwarden,

en

[verweerster] ,

wonende te [A] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[de schoonzus] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de schoonzus,

[de vader] ,

wonende te: [A] ,

verder te noemen: de vader,

[de broer] ,

wonende te: [A] ,

verder te noemen: de broer.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden (hierna: de kantonrechter), van 7 juli 2017, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 6 oktober 2017.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 22 februari 2018 plaatsgevonden. De betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. De moeder is in persoon verschenen. Ook zijn verschenen de schoonzus en de vader.

2.3

Na de mondelinge behandeling zijn op verzoek van het hof ingekomen een faxbrief namens mr. Bollema van 23 februari 2018, met bijgevoegd de hierna te noemen beschikking van 11 oktober 2017 en een brief van de moeder van 28 februari 2018 met bijgevoegd de hierna te noemen beschikkingen van 18 december 2017 en 3 januari 2018.

3 De feiten

3.1

Betrokkene is geboren [in] 1980.

3.2

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, op 12 mei 2017, hebben de moeder en schoonzus van betrokkene verzocht een bewind in te stellen over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan de betrokkene, met benoeming van hen tot bewindvoerders, respectievelijk een mentorschap in te stellen ten behoeve van de betrokkene, met benoeming van hen tot mentoren.

3.3

Bij de bestreden beschikkingen heeft de kantonrechter -voor zover hier van belang- de schoonzus niet ontvankelijk verklaard in de beide verzoeken omdat zij geen verzoeker is in de zin van artikel 1:432 lid 1 en 2 respectievelijk artikel 1:451 lid 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en wegens de lichamelijke of geestelijke toestand van de betrokkene een bewind ingesteld over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan de betrokkene en een mentorschap ingesteld over de betrokkene. De moeder en schoonzus zijn tot bewindvoerders en mentoren benoemd.

3.4

Bij beschikking van 11 oktober 2017 heeft de kantonrechter -voor zover hier van belang-, de moeder en schoonzus ontslagen als bewindvoerders met ingang van 16 oktober 2017 en [B] h.o.d.n. [C] benoemd tot bewindvoerder.

3.5

Bij beschikkingen van 18 december 2017 respectievelijk van 3 januari 2018 heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, -voor zover hier van belang- een voorlopige machtiging verleend tot het doen opnemen en verblijven, respectievelijk verder verblijven van de betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis tot en met, laatstelijk, 18 juni 2018.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de onderbewindstelling en het mentorschap. De betrokkene is met ongenummerde grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De betrokkene verzoekt de bestreden beschikkingen te vernietigen en te bepalen dat er onvoldoende gronden zijn voor de onderbewindstelling en/of toekenning van mentorschap van en over betrokkene en het verzoek tot onderbewindstelling en mentorschap alsnog af te wijzen, met veroordeling van verzoekers in eerste aanleg in de kosten van beide procedures.

4.2

De moeder heeft ter zitting verweer gevoerd.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:431 lid 1 BW kan de kantonrechter, indien een meerderjarige als gevolg van

a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel

b. verkwisting of het hebben van problematische schulden,

tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, een bewind instellen over één of meer van de goederen die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.

5.2

Ingevolge artikel 1:450 lid 1 BW kan de kantonrechter indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, een mentorschap instellen.

5.3

Uit de beschikkingen van 18 december 2017 en van 3 januari 2018 blijkt het volgende. De betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestesvermogens. Hij is gediagnosticeerd met schizofrenie. De arts en psychiater hebben aangegeven dat medicatie noodzakelijk is bij het behandelen van de stoornis van betrokkene maar dat de oorzaak ervan niet kan worden weggenomen. De betrokkene ontkent zijn problematiek, hij is dreigend en intimiderend naar zijn ouders, het zorgsysteem is overbelast, de betrokkene heeft een slechte zelfzorg, zijn kamer vervuilt en de betrokkene kan zichzelf niet maatschappelijk staande houden.

5.4

Daarnaast is ter zitting naar voren gekomen dat de betrokkene geen inzicht heeft in zijn financiële situatie. Zo is (en was) de betrokkene niet bekend met de hoogte van zijn schuldenlast en maakt hij zijn post niet meer open. In april 2017 is de woning van betrokkene geveild door de bank vanwege een achterstand in de betaling van de hypotheeklasten. Als gevolg hiervan is de betrokkene dakloos geworden en is hij weer bij zijn ouders in huis gaan wonen. Verder is ter zitting het volgende gebleken. In de periodes dat de ouders van de betrokkene afwezig waren, was de betrokkene niet in staat voor zichzelf en het huishouden te zorgen. Ook gaat de betrokkene vrijwel geen sociale contacten meer aan en gaat hij de stad niet meer in. Bovendien staat hij alleen open voor behandeling om te kunnen bewijzen dat de diagnose schizofrenie niet juist is. Zodra de behandeling is geëindigd stopt de betrokkene ook met de medicatie, zo is in het verleden -en ook nu weer- gebleken. De betrokkene lijdt verder aan waanbeelden, en is een aantal jaren wekelijks bij de GGZ geweest om verhaal te halen omdat hij meent dat zij ervoor gezorgd hebben dat zijn huis geveild is, dat er iemand onterecht in zijn huis zit en dat hij continu door hen wordt geobserveerd.

5.5

Het hof is op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden van oordeel dat aan de gronden voor een onderbewindstelling van en een mentorschap over de betrokkene is voldaan.

5.6

Gelet op de aard van het geschil, zullen de kosten van beide instanties worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikkingen, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van

7 juli 2017, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, A.W. Beversluis en C. Koopman, bijgestaan door mr. I.G. Vos als griffier, en is op 29 maart 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.