Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:3044

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
03-04-2018
Zaaknummer
21-005937-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2016:4151, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolging van verdachte na eerder opgelegde randvoorwaardenkorting niet in strijd met het beginsel dat iemand niet twee keer bestraft kan worden voor hetzelfde feit, zoals neergelegd in artikel 50 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005937-16

Uitspraak d.d.: 28 maart 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de economische kamer

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Overijssel van 24 oktober 2016 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 84-034952-13, 84-102396-15 en 08-995250-16 tegen

[verdachte] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 maart 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr. J.B. Boone, naar voren is gebracht.

De omvang van het hoger beroep

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter van 24 oktober 2016, maar alleen voor zover dat ziet op de zaak met parketnummer 84-034952-13. De zaken met parketnummers 84-102396-15 en 08-995250-16 zijn daarom in hoger beroep niet aan de orde.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigen omdat het hof tot een andere beslissing omtrent de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Aan verdachte is een randvoorwaardenkorting van 5% op de aan hem voor het jaar 2012 te verlenen rechtstreekse betalingen opgelegd. De economische politierechter heeft in verband hiermee het openbaar ministerie in eerste aanleg niet-ontvankelijk verklaard omdat, kort gezegd, vervolging van verdachte in strijd zou zijn met het beginsel dat iemand niet twee keer bestraft kan worden voor hetzelfde feit, zoals neergelegd in artikel 50 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.

Naar het oordeel van het hof volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:241 dat de in de onderhavige zaak opgelegde randvoorwaardenkorting niet kan worden aangemerkt als een veroordeling voor een strafbaar feit in de zin van artikel 50 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. De aan verdachte opgelegde randvoorwaardenkorting staat derhalve aan strafrechtelijke vervolging niet in de weg. De strafrechter kan - wanneer hij daartoe aanleiding ziet - wel de randvoorwaardenkorting als relevante omstandigheid bij de strafoplegging kan betrekken.

Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die in de weg staan aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.

Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

De tenlastelegging

Aan verdachte is, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, tenlastegelegd dat:

primair:

zij op of omstreeks 23 mei 2012 te Assen, al dan niet opzettelijk heeft gehandeld in strijd met artikel 7, eerste lid juncto artikel 6, derde lid onder c van de Diergeneesmiddelenwet, (thans zijnde de Wet dieren) immers heeft zij, verdachte, alstoen, aldaar, kuikens afgevoerd naar de slacht terwijl de in acht te nemen wachttermijn van 5 dagen voor de slacht van vlees afkomstig van kippen, zoals vermeld in het voorschrift behorende bij het geregistreerde diergeneesmiddel Doxycline WSP REG NL 8753, niet in acht was genomen;

subsidiair:
zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 april 2012 tot en met 23 mei 2012 te Assen, al dan niet opzettelijk, als houder van dieren, zijnde kuikens die werden gehouden voor de productie van levensmiddelen, geen administratie zoals bedoeld in artikel 96 eerste lid van de Diergeneesmiddelenregeling heeft gevoerd voor het diergeneesmiddel Doxycline WSP REG NL 8753 waarvoor een wachttermijn voor de slacht van vlees afkomstig van kippen van 5 dagen gold.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting net als de advocaat-generaal niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Naar het oordeel van het hof staat niet met de voor een bewezenverklaring vereiste zekerheid vast dat, waar van belang, op het betreffende VKI-formulier de datum ‘17 mei 2012’ staat. Als gevolg van het kennelijk corrigeren met een blauwe pen is onduidelijk of er ‘17’ of een ander getal staat vermeld. De verklaring van verdachte dat hij zich dienaangaande bij zijn verhoor door de ambtenaren van de NVWA heeft vergist, acht het hof niet onaannemelijk.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair:
zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 april 2012 tot en met 23 mei 2012 te Assen, al dan niet opzettelijk, als houder van dieren, zijnde kuikens die werden gehouden voor de productie van levensmiddelen, geen administratie zoals bedoeld in artikel 96 eerste lid van de Diergeneesmiddelenregeling heeft gevoerd voor het diergeneesmiddel Doxycline WSP REG NL 8753 waarvoor een wachttermijn voor de slacht van vlees afkomstig van kippen van 5 dagen gold.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 40, tweede lid, van de Diergeneesmiddelenwet, begaan door een rechtspersoon.

Het hof overweegt dat de Diergeneesmiddelenwet per 1 januari 2013 is vervallen. Het bewezenverklaarde is thans strafbaar gesteld krachtens artikel 2.2, tiende lid, van de Wet dieren. Onder dit artikel levert het ten laste gelegde, indien opzettelijk begaan, een misdrijf op, terwijl het feit op grond van de wetgeving zoals die gold ten tijde van het tenlastegelegde een overtreding opleverde. Het hof zal bij de straftoemeting uitgaan van de voor verdachte gunstigste bepaling, te weten de bepaling zoals die gold ten tijde van het tenlastegelegde.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en of maatregel

De advocaat-generaal heeft verzocht om aan verdachte geen straf of maatregel op te leggen. Daartoe heeft de advocaat-generaal onder meer aangevoerd dat het een principieel appel van het openbaar ministerie betreft over de niet-ontvankelijkheid.

Het hof overweegt dat het bewezenverklaarde een relatief lang geleden begaan feit betreft. Ter zitting van het hof heeft de vertegenwoordiger van verdachte verklaard dat hij inmiddels geen pluimvee meer houdt. Daarnaast houdt het hof rekening met de omstandigheid dat aan verdachte ter zake van onder andere dit feit een randvoorwaardenkorting is opgelegd.

Alles afwegende acht het hof het raadzaam te bepalen dat in verband met het bovenstaande geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 40 van de Diergeneesmiddelenwet, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht:

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in zijn vervolging.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Aldus gewezen door

mr. M. Barels, voorzitter,

mr. J.A.W. Lensing en mr. A. van Waarden, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. T. Faber, griffier,

en op 28 maart 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 28 maart 2018.

Tegenwoordig:

mr. M. Keppels, voorzitter,

mr. C.C.M. Poland, advocaat-generaal,

mr. A.C. Jochems, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.