Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:3043

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-03-2018
Datum publicatie
11-04-2018
Zaaknummer
200.222.630/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. In dit geval wordt bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen geen rekening gehouden met de afkoop van verlofuren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.222.630/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/202631 / FA RK 17-1231 pso)

beschikking van 29 maart 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M. Cupido te Hardenberg,

en

[verweerder] ,

wonende te [A] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. H.W. Bongers te Ommen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 18 juli 2017 (hierna ook: de bestreden beschikking), uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 1 september 2017;

- het verweerschrift met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Cupido van 16 november 2017 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Bongers van 17 november 2017 met productie(s);

- een faxbericht van mr. Cupido van 21 november 2017 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Cupido van 24 november 2017 met productie(s);

- een faxbericht van mr. Cupido van 28 november 2017 met productie(s).

2.2.

De minderjarige [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2001, is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft op 1 december 2017 plaatsgevonden te Zwolle. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten die beiden pleitnotities hebben overgelegd.

3 De feiten

3.1.

Het huwelijk van partijen is [in] 2015 ontbonden door echtscheiding.

3.2.

De man en de vrouw zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] voornoemd, en

- [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2003,

over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. [de minderjarige1] heeft zijn hoofdverblijf bij de man en [de minderjarige2] heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw.

3.3.

Bij beschikking van 3 juni 2016 heeft de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, met wijziging van de eerdere beschikking van 5 juni 2015, bepaald dat de man met ingang van 24 februari 2016 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige2]

€ 320,- per maand en als uitkering tot levensonderhoud van de vrouw € 409,- per maand zal voldoen. Deze bijdragen bedragen met ingang van 1 januari 2017 ingevolge de wettelijke indexering afgerond € 327,- respectievelijk € 418,- per maand. De door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] is bij die beschikking op nihil gesteld.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is met wijziging van de beschikking van de rechtbank van 3 juni 2016 - overeenkomstig het verzoek van de man - met ingang van 29 mei 2017 de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) van [de minderjarige2] op € 170,- per maand, de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] op € 200,- per maand en de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) op nihil gesteld.

4.2.

De vrouw is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 18 juli 2017. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De vrouw verzoekt de beschikking van 18 juli 2017 te vernietigen en de verzoeken van de man af te wijzen met uitzondering van het verzoek te bepalen dat de partneralimentatie met ingang van 16 september 2018 op nihil wordt gesteld.

4.3.

De man voert verweer en hij verzoekt de beschikking van 18 juli 2017 primair te bekrachtigen en subsidiair, onder handhaving van zijn verzoek in eerste aanleg, te beslissen als door hem in zijn petitum is verwoord.

5 De motivering van de beslissing

5.1

In de eerste plaats is aan de orde of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Omdat gebleken is dat de vrouw meer is gaan verdienen, is er naar het oordeel van het hof in dit geval sprake van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigt.

Ingangsdatum

5.2

De door de rechtbank gehanteerde wijzigingsdatum van 29 mei 2017 is niet in geschil.

Indien naast kinderalimentatie ook partneralimentatie wordt verzocht

5.3

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van een en twintig jaren nog niet hebben bereikt, hebben op grond van artikel 1:400 lid 1 BW voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden, indien de draagkracht van de onderhoudsplichtige onvoldoende is om dit levensonderhoud volledig aan allen te verschaffen. Nu de bijdrage van de man/vrouw ten behoeve van het (de) kind(eren) in geschil is, zal het hof allereerst beoordelen of en welke bijdrage de man/vrouw dient te leveren in de kosten van opvoeding en verzorging van het (de) kind(eren).

Kinderalimentatie

Hoogte behoefte kinderen

5.4

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] per 1 januari 2017 € 411,- per kind per maand bedraagt.

Draagkracht man

5.5

Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de man zijn netto besteedbaar inkomen (NBI) tot uitgangspunt nemen.

5.6

Gelet op de ingangsdatum zal het hof de draagkracht beoordelen vanaf 29 mei 2017. Het hof gaat daarbij uit van de volgende gegevens.

5.7

De man, geboren [in] 1972, werkt in loondienst bij [B] B.V. te

[C] . Uit de stukken blijken de volgende bruto jaarinkomens:

2014 € 46.337,- (berekening behorend bij de beschikking van 5 juni 2015);

2015 € 47.615,- (beschikking 3 juni 2016);

2016 € 48.640,- (jaaropgave).

De man laat verlofuren uitbetalen (ongeveer € 500,- bruto per maand). Discussiepunt tussen partijen is of daarmee rekening dient te worden gehouden bij het vaststellen van het NBI van de man. De man stelt dat hij die uren alleen maar laat uitbetalen, omdat hij anders, met name ook vanwege de door hem te betalen (partner)alimentatie, financieel niet rondkomt. Hij voert aan in 2017 minder te zijn gaan verdienen in verband met de aangepaste arbeidstijdenwetgeving. Exclusief de uitbetaalde verlofuren becijfert het hof het bruto jaarloon van de man in 2017 op ongeveer € 40.267,- (cumulatieven salarisspecificatie oktober 2017: (fiscaal loon € 39.057,58 - € 3.008,12 vakantiegeld)/10 x 12 + € 3.008,12 =

€ 46.267,- minus (12 x € 500,- =) € 6.000,-). De man heeft ter zitting aangegeven dat hij hoopt dat hij zijn verlofuren zo spoedig mogelijk kan gaan opnemen voor het doel waarvoor ze bedoeld zijn, omdat hij het op de manier waarop het nu gaat niet lang meer volhoudt. Zijn werkgever maakt zich ook al zorgen over zijn gezondheid. Mede gelet op de toelichting van de man ter zitting acht het hof het redelijk om met dit gecorrigeerde inkomen rekening te houden bij de berekening van de draagkracht van de man. Als gesteld en niet weersproken staat weliswaar vast dat de man in de tijd dat partijen nog samen waren ook zijn verlofuren liet uitbetalen, echter, toen konden de man en de vrouw de zorg voor de kinderen en het huishouden nog samen delen. Nu draagt de man alleen de (intensieve) zorg voor [de minderjarige1] die diabetes type 1 heeft en niet of nauwelijks bij de vrouw is. Onder die omstandigheden is het hof van oordeel dat de redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat bij de berekening van het NBI van de man het geld dat hij ontvangt voor de afkoop van zijn verlofuren buiten beschouwing dient te blijven.

De man vormt met [de minderjarige1] een gezin. Bij het berekenen van het NBI ten behoeve van de bepaling van de draagkracht houdt het hof rekening met de algemene heffingskorting en arbeidskorting.

Bij genoemd inkomen van € 40.267,- hoort, in combinatie met de aftrekbare woonlasten van de man, een kindgebonden budget (KGB) voor [de minderjarige1] van € 3.799,- per jaar.

Onder overlegging van een tweetal leningsovereenkomsten stelt de man voor de uitkoop van de vrouw tegen een rente van 7,2% per jaar € 40.000,- te hebben geleend van zijn moeder waarop hij maandelijks € 469,- aflost. De looptijd van deze lening bedraagt 10 jaar. In het kader van de partneralimentatie betwist de vrouw weliswaar de hoogte van het rentepercentage en de looptijd van de lening, maar in het kader van de kinderalimentatie dient ter bepaling van het NBI te worden uitgegaan van de feitelijke woonlasten. Deze zijn immers rechtstreeks van invloed op de hoogte van het KGB. Daarom wordt in de draagkrachtberekening van de man 'boven de streep', zoals ter zitting ook aan de orde is gesteld, niet enkel de onbetwiste hypotheekrente van € 6.211,- per jaar, maar ook de rentelast (7,2% x € 40.000,- = € 2.880,-) verbonden aan de lening van de moeder in aanmerking genomen, zijnde tezamen € 9.091,- per jaar. Bij de berekening van het NBI wordt het fiscaal voordeel, voortvloeiend uit de eigen woning, weer gecorrigeerd.

Onder de gegeven omstandigheden en op basis van de stukken van het geding stelt het hof het NBI van de man in 2017 vast op € 2.726,- per maand.

De draagkracht van de man zal worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 905,-)], nu het een NBI betreft dat hoger is dan € 1.575,- per maand. Aldus leidt het inkomen van de man tot een beschikbare draagkracht van afgerond € 671,- per maand voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .

Draagkracht vrouw

5.8

De vrouw, geboren op 24 februari 1976, is in 2015 een eigen onderneming in de vorm van een eenmanszaak gestart: Gastouderopvang [D] genaamd. Daarvoor had zij inkomen ('uit overig werk') als gastouder.

Uit de stukken blijken de volgende inkomens:

2014 € 15.486,- inkomsten uit overig werk;

2015 € 11.818,- winst uit onderneming;

2016 € 15.360,- winst uit onderneming + € 3.498,- partneralimentatie;

2017 € 15.845,- verwachte winst uit onderneming.

De man trekt de lasten van de onderneming van de vrouw in twijfel. Hij vermoedt dat zij privékosten boekt op de zaak. De vrouw ontkent dit.

Het hof is van oordeel dat de man zijn stelling op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd. Niet gebleken is welke discutabele kosten de vrouw opvoert ten laste van haar onderneming, teneinde op papier een lager inkomen te creëren dan feitelijk het geval is. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het noch aan de man noch aan het hof is om op de stoel van de vrouw als ondernemer te gaan zitten. Het hof zal de prognoseberekening van de boekhouder voor 2017 daarom als uitgangspunt nemen ter bepaling van het NBI van de vrouw. Die prognose is in lijn met het inkomen van de vrouw in eerdere jaren.

Als gesteld en niet weersproken staat vast dat de vrouw recht heeft op de startersaftrek, de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling.

De vrouw vormt met [de minderjarige2] een gezin. Bij het berekenen van het NBI ten behoeve van de bepaling van de draagkracht houdt het hof rekening met de algemene heffingskorting en arbeidskorting.

Bij genoemd inkomen van € 15.845,- hoort een KGB voor [de minderjarige2] van € 4.452,- per jaar.

Onder de gegeven omstandigheden en op basis van de stukken van het geding stelt het hof het NBI van de vrouw in 2017 vast op € 1.666,- per maand.

De draagkracht van de vrouw zal worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 905,-)], nu het een NBI betreft dat hoger is dan € 1.575,- per maand. Aldus leidt het inkomen van de vrouw tot een beschikbare draagkracht van afgerond € 183,- per maand voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .

Draagkrachtvergelijking

5.9

De behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bedraagt € 411,- per kind per maand, zijnde in totaal

€ 822,- per maand.

De gezamenlijke draagkracht van de man en de vrouw (€ 854,-) is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] van in totaal € 822,- te voorzien. De draagkracht van de man en de vrouw vergeleken, dienen de man en de vrouw van hun draagkracht afgerond € 646,- respectievelijk € 176,- aan te wenden voor een bijdrage in de kosten van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .

Vermindering met de zorgkorting

5.10

De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een

percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg.

Nu over en weer sprake is van een minimale zorgregeling, zal het hof, in aansluiting op de beschikking van 3 juni 2016, zowel bij de man als de vrouw een percentage van 15% in aanmerking nemen. Dat is afgerond € 62,- per kind per maand.

5.11

De man draagt 85% van de kosten van [de minderjarige1] en de vrouw 15%, zijnde afgerond

€ 349,- respectievelijk € 62,- per maand. De voor [de minderjarige1] beschikbare draagkracht van de vrouw bedraagt (€ 176,-/2 =) € 88,- per maand. Dit betekent dat zij voor [de minderjarige1] een overschot heeft van (€ 88 - € 62 =) € 26,- per maand. De vrouw dient dit bedrag aan de man te voldoen als bijdrage in de kosten van [de minderjarige1] .

5.12

De vrouw draagt 85% van de kosten van [de minderjarige2] en de man 15%, zijnde afgerond

€ 349,- respectievelijk € 62,- per maand. De voor [de minderjarige2] beschikbare draagkracht van de man bedraagt (€ 646,-/2 =) € 323,- per maand. Dit betekent dat hij voor [de minderjarige2] een overschot heeft van (€ 323 - € 62 =) € 261,- per maand. De man dient dit bedrag aan de vrouw te voldoen als bijdrage in de kosten van [de minderjarige2] .

Partneralimentatie

Hoogte behoefte vrouw

5.13

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de vrouw per 1 januari 2016

€ 1.643,- netto per maand bedraagt. Na indexering is deze in 2017 € 1.678,- per maand.

Behoeftigheid

5.14

Partijen zijn het er inmiddels over eens dat de vrouw vanaf 16 september 2018 niet langer behoefte heeft aan een bijdrage van de man. De vrouw stelt dat zij in ieder geval tot die datum niet geheel in haar behoefte kan voorzien. Zij stelt dat zij daar meer tijd voor nodig heeft. De man betwist dat en voert aan dat de vrouw meer kan gaan werken. De vrouw benut haar verdiencapaciteit in de ogen van de man onvoldoende. Hij dicht haar een fictief inkomen toe van € 23.000,- per jaar.

5.15

Van behoeftigheid is sprake als de vrouw niet voldoende inkomsten heeft tot haar levensonderhoud, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven.

5.16

Voor het inkomen van de vrouw verwijst het hof naar hetgeen daarover onder het kopje kinderalimentatie is overwogen met uitzondering van het KGB. Onder die omstandigheden bedraagt het NBI uit het gastouderbureau voor de vrouw € 1.296,- netto per maand. In het kader van de vaststelling van de behoeftigheid betrekt het hof in de beschouwing dat van die inkomsten € 176,- per maand als haar aandeel in de kosten van de kinderen niet ter beschikking staat van de vrouw. Dit betekent dat een behoefte resteert van 1678 - (1296 - 176) = € 558,- netto per maand.

5.17

Gezien de relatief korte tijd die verstreken is sinds de ontbinding van het huwelijk van partijen (2,5 jaar) en de omstandigheid dat de vrouw nog de zorg heeft over [de minderjarige2] (die nu 14 jaar oud is), is naar het oordeel van het hof niet te verwachten dat de vrouw voor

16 september 2018 in staat is zich in redelijkheid voldoende inkomsten te verwerven om te voorzien in haar behoefte. Bovendien is het hof van oordeel dat de vrouw haar verdiencapaciteit voldoende benut. De eerste resultaten daarvan zijn al zichtbaar.

5.18

Gelet op de inkomsten en de mogelijkheid waarin de vrouw in staat kan worden geacht zich in redelijkheid inkomsten te kunnen verwerven om in het eigen levensonderhoud te voorzien, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de vrouw per 29 mei 2017 onverminderd behoefte heeft aan een door de man te betalen partneralimentatie van € 418,- bruto per maand.

Draagkracht van de man

5.19

De man stelt dat zijn draagkracht niet toereikend is om de vastgestelde bijdrage te betalen. De vrouw betwist dat.

5.20

Voor het inkomen van de man verwijst het hof naar hetgeen daarover onder het kopje kinderalimentatie is overwogen met uitzondering van het KGB.

5.21

Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van de draagkracht van de man met het oog op het vaststellen van zijn wettelijke verplichting om bij te dragen in het levensonderhoud van zijn gewezen echtgenote in beginsel rekening dient te worden gehouden met alle redelijke uitgaven die ten laste van de man komen.

5.22

De woonlasten van de man bedragen per maand:

- € 517,60 aan hypotheekrente;

- € 240,- aan rente op de lening aan zijn moeder (7,2% x € 40.000,-/12);

- € 144,- aan premie levensverzekering gekoppeld aan de hypotheek;

- € 469,- aan aflossing op de lening van zijn moeder;

- € 95,- aan overige eigenaarslasten.

Ingevolge de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen worden extra woonlasten - niet alleen de rente maar ook de 'vermogensvormende' aflossing - in aanmerking genomen tot het plafond van een redelijke totale netto woonlast. Blijkens aangehechte draagkrachtberekening is dat in het geval van de man een bedrag van € 813,- per maand. Met het meerdere zal het hof overeenkomstig de stelling van de vrouw geen rekening houden. In het door de man aangevoerde over de reden van de hoogte van het rentepercentage en de duur van de looptijd van de lening in verband met de ziekte van zijn moeder ziet het hof geen reden anders te beslissen.

De overige lasten van de man bedragen per maand:

- € 115,- aan ziektekosten in 2016:

- € 92,- premie basisverzekering ZVW,

- € 23,- premie aanvullende verzekering.

5.23

Nu het de vaststelling van de draagkracht van de man voor partneralimentatie betreft, houdt het hof rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Expertgroep Alimentatienormen aanbevolen draagkrachtpercentage van 60.

5.24

Ten laste van de draagkracht van de man komt voorts het aandeel dat de man levert, inclusief de zorg, in de kosten van de kinderen van € 646,- per maand.

5.25

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden heeft de man met ingang van 29 mei 2017 geen draagkracht voor enige partneralimentatie.

Limitering

5.26

Het verzoek van de man om het recht op levensonderhoud van de vrouw in tijd te limiteren zal worden afgewezen. De enige reden dat de vrouw per 16 september 2018 akkoord gaat met nihilstelling van de partneralimentatie is dat zij hoopt dat de man haar dan met rust zal laten. Nihilstelling is niet hetzelfde als limitering. De vrouw voert aan dat de man haar nauwlettend in de gaten houdt. De man rijdt dagelijks door haar straat en maakt dan foto's en/of videobeelden, aldus de vrouw. Zij vreest dat de man haar zal blijven lastigvallen (ook via nieuwe procedures) zolang zij partneralimentatie van hem ontvangt.

Bewijsaanbod

5.27

Het hof passeert het bewijsaanbod van de vrouw bij gebrek aan voldoende onderbouwing van de stellingen waarop het aanbod betrekking heeft.

6 De slotsom

in het hoger beroep

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof beslissen als volgt.

7 Aanhechten draagkrachtberekening

Het hof heeft een berekening van de draagkracht van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 18 juli 2017, voor zover het de kinderalimentatie betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 3 juni 2016 en bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 29 mei 2017 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige2] € 261,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

wijzigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 3 juni 2016 en bepaalt dat de vrouw aan de man met ingang van 29 mei 2017 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] € 26,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 18 juli 2017, voor zover het de partneralimentatie betreft;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, R. Feunekes en

A.W. Beversluis, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 29 maart 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.