Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:3041

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-03-2018
Datum publicatie
11-04-2018
Zaaknummer
200.230.419/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

uithuisplaatsing. Sprake van ernstige verwaarlozing. Beide kinderen tonen kenmerken van het foetaal alcohol syndroom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.230.419/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/174211 / JE RK 17-119)

beschikking van 29 maart 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. I. Lfil te Winschoten,

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

gevestigd te Utrecht,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.


Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [de vader] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de vader,

2 [de pleegouders] ,

verder te noemen: de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 26 september 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 21 december 2017;

- het verweerschrift met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Lfil van 5 februari 2018 met productie(s);

- een brief van mr. Lfil van 21 februari 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Lfil van 21 februari 2018 met productie(s);

- een brief van de GI van 27 februari 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Lfil van 28 februari 2018 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 1 maart 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- namens de GI: mevrouw [C] en mevrouw [D] ;

- de vader.

3 De feiten

3.1

Uit de relatie van partijen zijn [in] 2011 geboren:

- [de minderjarige1] (verder te noemen: [de minderjarige1] ); en

- [de minderjarige2] (verder te noemen: [de minderjarige2] ).

De ouders zijn gezamenlijk met het gezag over de kinderen belast.

3.2

Bij beschikking van 19 april 2016 heeft de kinderrechter in de rechtbank Noord Nederland, locatie Groningen (hierna: de kinderrechter) de kinderen onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar, welke termijn laatstelijk is verlengd bij beschikking van 28 maart 2017 tot 19 april 2018.

3.3

Bij beschikking van 20 januari 2017 heeft de kinderrechter een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van vier weken. Bij beschikking van 1 februari 2017 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 19 april 2017.

3.4

Bij inleidend verzoek, binnengekomen op de griffie van de rechtbank op 16 februari 2017, heeft de GI, voor zover hier van belang, verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg te verlengen tot 19 april 2018 of eventueel voor een kortere periode.

3.5

Bij de beschikking van 28 maart 2017, hersteld bij beschikking van 25 juli 2017, is de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd voor de duur van een half jaar, tot 19 oktober 2017, waarbij de beslissing over de langer verzochte duur van de machtiging is aangehouden.

3.6

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot uiterlijk 19 april 2018.

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het verzoek van de GI om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] af te wijzen.

4.2

De GI heeft verweer gevoerd en heeft het hof verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

5.2

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat de kinderen een zeer belaste voorgeschiedenis hebben. In april 2016 zijn zij onder toezicht gesteld. Er waren toen ernstige zorgen over de onveilige, instabiele en ongestructureerde opvoedomgeving bij de ouders. Bij de ouders was sprake van persoonlijke problematiek en middelengebruik en er werd onvoldoende basale zorg aan de kinderen geboden. De ouders hadden relatieproblemen, hetgeen voor veel onrust zorgde en gepaard ging met huiselijk geweld, waar de kinderen getuige van waren. Bij de kinderen was sprake van een spraak- en taalachterstand. In januari 2017 zijn de kinderen uit huis geplaatst. Er was toen sprake van ernstige verwaarlozing, waarbij de kinderen werden opgesloten in hun kamer, daar ook hun behoeften deden, en niet dan wel onvoldoende te eten kregen. De woning van de ouders werd bovendien zwaar vervuild aangetroffen.

5.3

Naar aanleiding van het oordeel van de kinderrechter in zijn beschikking van 28 maart 2017 is een perspectiefonderzoek bij [E] van start gegaan. In de periode van maart tot en met augustus 2017 is uitgebreid onderzoek gedaan bij de kinderen. Uit dat onderzoek komt ten aanzien van [de minderjarige1] onder meer naar voren dat hij een verstandelijke beperking heeft met een expressieve taalstoornis. Ook voldoet hij aan de kenmerken van een ontremd sociaal contactstoornis, het gevolg van een verstoorde hechting, en zijn er fysiek kenmerken van het foetaal alcohol syndroom. Ten aanzien van [de minderjarige2] komt uit het onderzoek van [E] onder meer naar voren dat zij gemiddeld intelligent is, maar met een lage verwerkingssnelheid. [de minderjarige2] vindt het moeilijk om zich te concentreren. De langdurige blootstelling aan huiselijk geweld maakt dat gesproken kan worden van een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Ook bij [de minderjarige2] wordt een ontremd sociaal contactstoornis vastgesteld en ook zij vertoont fysiek kenmerken van het foetaal alcohol syndroom. Beide kinderen vereisen veel opvoedingsvaardigheden.

5.4

In het kader van voornoemde onderzoeken was verder verzocht om aan de hand van de gegevens van derden over de diagnoses en de persoonlijkheid van de ouders te kijken wat deze ouders nodig zouden hebben bij de opvoeding van deze kinderen, die ieder hun eigen kindproblematiek hebben. [E] heeft echter van de vader geen onderzoeksgegevens ontvangen en de moeder heeft geweigerd de onderzoeksgegevens van [F] met [E] te delen. [E] heeft gelet hierop het onderzoek niet af kunnen ronden en heeft de opdracht in zoverre terug gegeven. Daardoor is opname van de ouders met de kinderen in de gezinspsychiatrische kliniek ' [G] ' te [H] , aan welke opname de ouders overigens ook niet onvoorwaardelijk wilden meewerken, niet van de grond gekomen.

5.5

Nu door de ouders niet is voldaan aan de voorwaarden die zijn gesteld om thuisplaatsing van de kinderen weer aan de orde te kunnen laten zijn, en ook op korte termijn niet aan deze voorwaarden zal worden voldaan, lijkt - gelet op de leeftijd van de kinderen en de duur van hun uithuisplaatsing - de aanvaardbare termijn waarbinnen een terugplaatsing van de kinderen nog mogelijk is, te zijn verstreken. Dat de moeder bij journaalbericht van 21 februari 2018 alsnog een brief van [F] d.d. 9 januari 2018 in het geding heeft gebracht met de uitkomsten van het diagnostisch onderzoek en een behandeladvies, doet hier niet aan af. De kansen die de ouders zijn geboden hebben zij niet binnen een voor de kinderen aanvaardbare termijn aangegrepen.

5.6

De kinderen ontwikkelen zich nu naar omstandigheden goed en gedijen bij het veilige opvoedingsklimaat dat hen in het pleeggezin wordt geboden. Gelet op de bij de kinderen aanwezige problematiek zijn zij heel erg gebaat bij de rust en stabiliteit die zij nu ondervinden. Het hof is dan ook van oordeel dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in het belang van hun verzorging en opvoeding noodzakelijk is. De bestreden beschikking zal daarom worden bekrachtigd.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 26 september 2017.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, A.W. Beversluis en M. Weissink, bijgestaan door mr. L.S. Veldmans als griffier, en is op 29 maart 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.