Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:3029

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-04-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
17/00352
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:787, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Specifieke zorgkosten. Ziektekosten. Opleidingskosten zoon met dyslexie en dyscalculie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/881
V-N 2018/31.1.3
Viditax (FutD), 20-04-2018
FutD 2018-1136
NTFR 2018/1102 met annotatie van mr. drs. C.M. Dijkstra
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 17/00352

uitspraakdatum: 4 april 2018

Uitspraak van de achtste enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 februari 2017, nummer AWB 16/4721 in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor 2013 een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de IB/PVV) opgelegd. Daarbij is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

1.2

Op het bezwaar van belanghebbende heeft de Inspecteur de aanslag en, naar het Hof begrijpt, de beschikking bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2018 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen belanghebbende alsmede, namens de Inspecteur, [A] , tot bijstand vergezeld door [B] .

2 De vaststaande feiten

2.1

Een zoon van belanghebbende, [C] , geboren [in] 1995 (hierna: de zoon) heeft dyslexie en dyscalculie, hetgeen door een bevoegde orthopedagoog is vastgesteld. Op grond van een daarvoor opgestelde verklaring geniet de zoon bij het volgen van onderwijs bepaalde faciliteiten.

2.2

De zoon heeft in 2013 onderwijs gevolgd aan het [D] College. Belanghebbende heeft ter zake daarvan een bedrag van € 16.936 betaald. Hij heeft dit bedrag in zijn aangifte voor 2013 vermeld als specifieke zorgkosten, meer in het bijzonder: kosten van hulpmiddelen.

2.3

De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag de in de aangifte vermelde aftrek wegens specifieke zorgkosten, na aftrek van de drempel een bedrag van € 15.980, niet aanvaard als persoonsgebonden aftrek.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is de vastgestelde voorlopige aanslag. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de Inspecteur bij het vaststellen van het belastbare inkomen uit werk en woning terecht de door belanghebbende betaalde uitgaven voor een opleiding van de zoon aan het [D] College niet in aanmerking heeft genomen als specifieke zorgkosten.

3.2

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

3.3

Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en die van de Inspecteur, en tot vermindering van de aanslag.

3.4

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Het [D] College is een particuliere onderwijsinstelling die regulier onderwijs aanbiedt op mavo-, havo- en vwo-niveau. Kenmerk is kleinschalig onderwijs met veel persoonlijke aandacht.

4.2

Op grond van artikel 6.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB) behoren – onder meer – tot de specifieke zorgkosten uitgaven voor genees- en heelkundige hulp, farmaceutische hulpmiddelen of andere hulpmiddelen. Als ander hulpmiddel wordt mede in aanmerking genomen een middel dat de persoon in staat stelt tot het verrichten van een normale lichaamsfunctie waartoe hij zonder dat middel niet in staat zou zijn.

4.3

Het door belanghebbende betaalde bedrag aan het [D] College betreft in zijn geheel het schoolgeld voor het volgen van onderwijs. Belanghebbende heeft ter zitting bevestigd dat daarin niet een bedrag is begrepen voor genees- of heelkundige hulp.

4.4

Naar het oordeel van het Hof kunnen de kosten van onderwijs aan het [D] College niet worden aangemerkt als kosten van hulpmiddelen in de zin van artikel 6.17 van de Wet IB. Hieraan doet niet af dat dyslexie en dyscalculie, naar tussen partijen niet in geschil is, kunnen worden gerangschikt onder het begrip aandoening/invaliditeit. Ook al biedt het [D] College speciale aandacht aan studenten met die aandoeningen, het blijft normaal regulier onderwijs. Aan vorenstaand oordeel doet evenmin af dat, zoals belanghebbende betoogt, het onderwijs aan het [D] College zijn zoon in staat stelt met goed gevolg een hoger onderwijsniveau af te ronden dan in het onderwijs dat in zijn woonplaats wordt aangeboden, en dat hij daardoor een betere maatschappelijke positie kan bereiken.

Slotsom

Het hoger beroep is ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans, lid van de achtste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van M.W.M. Nijland als griffier.

De beslissing is op 4 april 2018 in het openbaar uitgesproken.

(M.W.M. Nijland)

(J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 4 april 2018

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij:

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.