Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:3016

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-04-2018
Datum publicatie
03-04-2018
Zaaknummer
21-005447-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling medeplegen van een woningoverval.

Overschrijding redelijke termijn ten tijde van hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005447-15

Uitspraak d.d.: 3 april 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 28 september 2015 met parketnummer 18-830346-14 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

thans verblijvende in P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid te Arnhem.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 13 maart 2018 en 3 april 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling voor de feiten 1, 2, 3 primair, 4 en 5 tot een gevangenisstraf van 7 jaren, met aftrek van voorarrest en hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] tot een bedrag van € 2.000,- waarbij de rest van de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard en de schadevergoedingsmaatregel dient opgelegd. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. J.P. Plasman, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 28 september 2015, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van

1. diefstal, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming, gepleegd door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;

2. witwassen;

3. opzetheling;

4. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen en munitie van categorie III;

5. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie, begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest. Verder heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 2.000,- en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De benadeelde partij [benadeelde 2] is niet-ontvankelijk verklaard en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] is afgewezen.

De benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] hebben hun vorderingen in hoger beroep niet gehandhaafd. Hierdoor zijn deze vorderingen in hoger beroep niet meer aan de orde en kan het hof geen beslissing nemen op deze vorderingen.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank voor zover dit aan het oordeel van het hof onderworpen is op juiste wijze heeft beslist. Het hof zal het vonnis bevestigen met aanvulling en verbetering van de gronden. Deze aanvulling en verbetering ziet op de motivering van de op te leggen straf.

Aanvulling en verbetering: de op te leggen straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft samen met anderen een oudere vrouw ’s nachts in haar woning overvallen. Hierbij is ongeveer € 2.000,- buitgemaakt. Bij die overval is de vrouw aan handen en voeten vastgebonden en op een stoel gezet. Ook is zij woordelijk bedreigd terwijl verdachte een breekijzer in zijn handen hield. Het gaat hier om een zeer ernstig feit, waarbij verdachte zich enkel heeft laten leiden door financiële motieven. Overvallen als onderhavige hebben voor de slachtoffers vaak een grote impact, ook op langere termijn. Een dergelijk feit dient te worden bestraft met een gevangenisstraf van aanmerkelijke duur.

Uit het uittreksel van de justitiële documentatie, verdachte betreffende d.d. 12 februari 2018 blijkt dat verdachte in 2011 wegens soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaren. Terwijl hij deze straf uitzat, heeft verdachte zich tijdens twee weekendverloven beziggehouden met de voorbereiding en de feitelijke uitvoering van de onderhavige overval. Hieruit blijkt dat verdachte zich niets heeft aangetrokken van deze eerdere veroordeling. Voorgaande werkt strafverzwarend bij de strafoplegging.

Verdachte heeft zich ook nog schuldig gemaakt aan opzetheling van de auto die als vluchtauto werd gebruikt bij de overval, aan het witwassen van een deel van de buit van de overval en aan verboden wapenbezit, betreffende wapens die hij voorhanden had ten behoeve van de overval.

Zowel de advocaat-generaal als de verdediging heeft als reden van het hoger beroep opgegeven het niet eens te zijn met de hoogte van de gevangenisstraf zoals die is opgelegd door de rechtbank.

De raadsman heeft ter zitting van het hof aangevoerd dat de omstandigheid dat verdachte het deel van de V.I (voorwaardelijke invrijheidsstelling) van de in 2011 opgelegde straf als gevolg van het plegen van onderhavige feiten heeft moeten uitzitten in combinatie met het feit dat de rechtbank het plegen van onderhavige feiten tijdens weekendverloven van die eerder opgelegde straf als strafverzwarend heeft meegewogen een dubbele bestraffing met zich meebrengt. Ook heeft de raadsman het hof verzocht het feit dat verdachte openheid van zaken heeft gegeven omtrent onderhavige feiten te betrekken bij de strafoplegging en om rekening te houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Anders dan de raadsman ziet het hof in de omstandigheid dat verdachte zijn recht op voorwaardelijke invrijheidsstelling van de eerder opgelegde straf heeft verloren geen reden om de in deze zaak op te leggen straf te matigen. Dat verdachte zich niet aan de voorwaarden van zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling heeft gehouden komt volledig voor rekening van verdachte.

Gelet op voorgaande is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf van 6 jaren in beginsel passend en noodzakelijk is. Het hof houdt echter rekening met de overschrijding van de redelijke termijn welke is gelegen tussen het moment van instellen van het hoger beroep op 28 september 2015 en de einduitspraak van het hof op 3 april 2018. Deze overschrijding is niet aan de verdediging te wijten. Daarnaast houdt het hof rekening met de openheid van zaken die verdachte vanaf de behandeling ter zitting bij de rechtbank tot op zekere hoogte heeft gegeven. Het hof zal daarom de op te leggen straf matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren. Het hof ziet geen reden om een hogere straf op te leggen, zoals de advocaat-generaal had gevorderd.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. J. Dolfing, voorzitter,

mr. J. Hielkema en mr. L.J. Bosch, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen, griffier,

en op 3 april 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.