Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:2984

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-03-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
200.197.956
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:1022, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvang termijn verzoek vernietiging besluit VvE (artikel 5:130 lid 2 BW)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM -LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.197.956

(zaaknummer rechtbank Gelderland 4742805)

beschikking van 27 maart 2018

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [plaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

in eerste aanleg: verzoekster,

hierna: [verzoekster] ,

advocaat: onttrokken op 19 maart 2018, voorheen mr. M.C. de Jong,

tegen:

de vereniging VvE [de vereniging],

gevestigd te [plaats] ,

verweerster in hoger beroep,

in eerste aanleg: verweerster,

hierna: de Vereniging,

advocaat: mr. N.L.J.M. Rijssenbeek.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de beschikkingen van 25 mei 2016 en 20 juli 2016 die de kantonrechter (rechtbank Gelderland, sector kanton en handelsrecht, locatie Arnhem ) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift d.d. 18 augustus 2016, ingekomen op 19 augustus 2016,

- het verweerschrift d.d. 2 februari 2017, ingekomen op 3 februari 2017,

- de aantekeningen van [I] namens [verzoekster] als verzoekster in hoger beroep en namens [Eigenaar 1] en [Eigenaar 2] (hierna: [Eigenaar 1] en [Eigenaar 2] ) als eigenaars

van appartementsrecht met kadastraal nummer = [kadastraal nummer] / belanghebbenden.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

3.2

[verzoekster] is eigenaar/appartementsgerechtigde van [straat]
te [plaats] .

3.3

Tijdens de op 23 november 2015 gehouden vergadering van de VvE zijn besluiten genomen die [verzoekster] wil doen vernietigen, namelijk de besluiten in de agenda voor en de notulen van die vergadering vermeld onder 4a, 4c, 5b (5d* [op het ingediende origineel 5d* gewijzigd in 4d*]) en 8.

3.4

[verzoekster] was ter vergadering niet aanwezig, ook niet bij vertegenwoordiging.

3.5

De notulen van de genoemde vergadering zijn op 10 december 2015 op de webstek van VVE DIENSTEN NEDERLAND geplaatst en op die dag tevens per e-mailbericht toegezonden om 10:00 uur.

4 Het geding en de beslissing in eerste aanleg

4.1

Bij verzoekschrift van 9 januari 2016 heeft [verzoekster] in eerste aanleg, kort samengevat, gevorderd de hiervoor onder 3.3 vermelde besluiten te vernietigen.

In verband met nog bij het bestuur van de VvE opgevraagde informatie, noodzakelijk voor de onderbouwing van het verzoekschrift, verzocht [verzoekster] de kantonrechter de nadere inhoudelijke motivering op een later tijdstip te mogen aanleveren.

Voor zover een eerste motivatie in haar verzoek dadelijk was vereist, voerde [verzoekster] het volgende aan:

‘* de heer van Sluis staat heden, 9 januari 2016, niet vermeld op de ‘eigenarenlijst’ en zou dus niet tot lid van de KCC benoemd kunnen worden. (productie 5)’

alsmede

‘De KCC 2014 heeft beargumenteerd aan de vergadering voorgelegd nog geen advies uit te kunnen brengen, wegens gebrek aan informatie, en heeft gesteld dat nader onderzoek dient plaats te vinden. (productie 4)

Desondanks heeft de voorzitter der vergadering het ‘besluit tot vaststelling jaarstukken en decharge van het bestuur (eigenlijk twee besluiten) in stemming gebracht.’

4.2

De VvE heeft in eerste aanleg gemotiveerd verweer gevoerd.

4.3

De kantonrechter heeft bij de beschikking van 25 mei 2016 geoordeeld, dat het betoog van [verzoekster] dat de belanghebbenden (de overige eigenaren) niet op de in de wet bepaalde wijze waren opgeroepen voor de zitting van 18 mei 2016 en dat ten onrechte aan
de belanghebbenden geen afschrift van het verzoekschrift werd toegezonden, faalde. De kantonrechter was, kort gezegd, voorlopig van oordeel dat [verzoekster] in haar verzoek niet-ontvankelijk was vanwege de in het verweerschrift aangevoerde termijnoverschrijding.
De kantonrechter diende [verzoekster] , zo overwoog hij, de gelegenheid te bieden tot het geven van een nadere toelichting en achtte de enkele oproep van [verzoekster] daarvoor toereikend.

Op verzoek van [verzoekster] heeft de kantonrechter haar in zijn eerdergenoemde beschikking alsnog de gelegenheid geboden de bedoelde nadere toelichting te geven.

Bij de beschikking van 20 juli 2016 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [verzoekster] op
24 november 2015 van de besluiten had kunnen kennisnemen en met haar verzoekschrift van 9 januari 2016, na het verstrijken van de termijn van één maand volgens artikel 5:130 lid 2 BW, te laat was, zodat zij reeds daarom niet-ontvankelijk diende te worden verklaard in haar verzoek.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

Tegen de beschikking van 20 juli 2016 (hierna: de eindbeschikking) is [verzoekster] in hoger beroep gekomen, onder aanvoering van twee grieven. Met haar eerste grief bestrijdt [verzoekster] de niet-ontvankelijkverklaring; met haar tweede grief stelt zij de proceskostenveroordeling in eerste aanleg aan de orde.

[verzoekster] vraagt het hof:

- de eindbeschikking te vernietigen;

- te bepalen dat het verzoekschrift opnieuw door de kantonrechter wordt behandeld;

- zo de niet-ontvankelijkheid in stand blijft, de proceskosten te verlagen tot € 200,-;

- de VvE te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties;

- de beschikking in hoger beroep uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

5.2

De VvE heeft in hoger beroep verweer gevoerd en bekrachtiging van de eindbeschikking gevorderd, met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten in hoger beroep.

5.3

[Eigenaar 1] en [Eigenaar 2] hebben zich in hoger beroep als belanghebbenden doen horen en het hof laten weten de stellingen van [verzoekster] te onderschrijven.

5.4

Het hof zal de grieven en vorderingen van [verzoekster] achtereenvolgens behandelen.

Allereerst komt grief 1 aan de orde.

Met deze grief bestrijdt [verzoekster] , zoals hiervoor al overwogen, haar niet-ontvankelijkverklaring door de kantonrechter wegens termijnoverschrijding.

5.5

Het hof stelt het volgende voorop.

Artikel 5:130 lid 2 BW luidt als volgt:

‘Het verzoek tot vernietiging moet worden gedaan binnen een maand na de dag waarop de verzoeker van het besluit heeft kennis genomen of heeft kunnen kennis nemen.’

Met die bepaling wordt rekening gehouden met het belang van eigenaars om zo spoedig mogelijk te weten of het besluit geldig is of niet. Heeft men deze termijn voorbij laten gaan dan kan geen vernietiging meer worden verzocht.

5.6

Kernvraag is nu wanneer de in artikel 5:130 lid 2 BW omschreven termijn gaat lopen. In deze zaak spitst die vraag zich toe op het thema ‘wanneer [verzoekster] van de bestreden besluiten had kunnen kennis nemen’. Niet gesteld immers is dat [verzoekster] van die besluiten vóór het moment waarop zij ervan had kunnen kennis nemen feitelijk reeds kennis had genomen. Volgens [verzoekster] is, zo begrijpt het hof, van ‘kunnen kennis nemen’ harerzijds sprake vanaf de datum van plaatsing van de notulen van de genoemde vergadering op de webstek van VVE DIENSTEN NEDERLAND op 10 december 2015 en toezending ervan per
e-mailbericht op die dag om 10:00 uur (zie hiervoor onder 3.5), omdat zij eerst toen zekerheid had omtrent hetgeen ter vergadering was besproken en besloten.

De VvE daarentegen stelt zich op het standpunt dat [verzoekster] op de dag van de vergadering dan wel daags erna van de besluiten had kunnen kennis nemen, welk standpunt de kantonrechter heeft gevolgd.

5.7

Ook het hof is van oordeel dat het belang van eigenaars om zo spoedig mogelijk
te weten of een genomen besluit geldig is of niet, meebrengt dat van een eigenaar/lid van een VvE in het algemeen mag worden verwacht dat hij/zij, indien hij/zij niet aanwezig kan of wil zijn ter vergadering, ook niet bij vertegenwoordiging (zoals bij de oproepingsbrief voor de vergadering d.d. 5 november 2015 (productie 1 bij het inleidend verzoekschrift) expliciet mogelijk werd gemaakt), zich ten spoedigste van genomen besluiten vergewist, zodat de bedoelde termijn inderdaad op de dag van de vergadering dan wel ten spoedigste nadien kan ingaan.

5.8

[verzoekster] heeft niet althans niet voldoende onderbouwd gesteld dat haar de mogelijkheid zich ten spoedigste van de genomen besluiten te vergewissen ontbrak.

Allereerst is niet gesteld of gebleken dat zij niet behoorlijk was opgeroepen en/of dat de besluiten waarom het haar gaat niet of niet deugdelijk waren geagendeerd.

Voorts heeft zij ook geen beletsel anderszins gesteld en is daarvan evenmin gebleken.

Enige animositeit tussen haar en de heer [administratief beheerder] als professioneel administratief beheerder van de VvE, zoals door haar ter gelegenheid van de mondelinge behandeling ten overstaan van het hof vermeld, dan wel onenigheid met het bestuur over de wijze van vergadering en besluitvorming, zoals door haar in haar beroepschrift vermeld, is niet voldoende om haar van haar hiervoor omschreven vergewisplicht te ontslaan. Daaruit mag immers niet, althans niet zonder nadere toelichting die ontbreekt, worden afgeleid dat de heer [administratief beheerder] en/of het bestuur [verzoekster] niet dan wel onjuist zou hebben geïnformeerd, indien zij hem/hen naar de inhoud van de genomen besluiten zou hebben gevraagd.

De invulling van de bedoelde vergewisplicht was aan [verzoekster] . Als zij ervoor koos niet ter vergadering aanwezig te zijn en zich ter vergadering ook niet te doen vertegenwoordigen, wat in beginsel als een eigen beslissing van [verzoekster] is te beschouwen, was de keuze aan haar bij wie zij haar licht ten gunste van besluitvorming omtrent tijdige indiening van een eventueel vernietigingsverzoek tegen haar eventueel storende, ter vergadering genomen besluiten dan wèl wilde / kon opsteken.

Met het enkele afwachten van de notulen heeft [verzoekster] aan die verplichting niet voldaan.

De stelling van [verzoekster] dat zij eerst uit de notulen de inhoud van bedoelde besluiten met zekerheid zou hebben kunnen afleiden kan haar evenmin baten, te minder in het onderhavige geval waarin het bij de meeste besluiten gaat om relatief eenduidige besluiten, zoals het vaststellen van de jaarstukken 2013/2014 en het verlenen van décharge over die jaren, het benoemen van de kascontrolecommissie en het vaststellen van de begroting 2016.

Het hof ziet geen aanleiding voor het maken van een uitzondering voor de benoeming van de kascontrolecommissie 2015. Weliswaar stonden in de agenda twee personen als beschikbaar vermeld (mevrouw [XX] en de heer [XI] ), maar daarbij werd tevens aangegeven dat overige geïnteresseerden zich voor deze functie konden melden bij het bestuur, het beheerkantoor of dit kenbaar konden maken ter vergadering. De beslissing over de kandidaten was vervolgens ter vergadering te nemen. Om de samenstelling van de kascontrolecommissie 2015 te kennen, diende en kon [verzoekster] zich daarvan derhalve (te) vergewissen, zoals hiervoor omschreven.

5.9

Gelet op vorenstaande kunnen overige verweren van de VvE, zoals haar beroep op het feit dat [verzoekster] uit eerdere procedures de relevantie van de korte termijn voor het indienen van een vernietigingsverzoek reeds kende en de toezending aan [verzoekster] van het verweerschrift van 10 december 2015 in een andere procedure tussen partijen op
4 december 2015, met daarin reeds de vermelding van het besluit van de VvE tot goedkeuring van de jaarstukken 2013/2014 en het verlenen van décharge over die jaren, die het standpunt van de VvE nog kunnen versterken, in het midden blijven.

Grief 1 faalt derhalve.

5.10

Over grief 2 kan het hof kort zijn. Waar het verzoekschrift betrekking heeft op besluiten van de VvE, heeft de VvE in de onderhavige procedure als tegenpartij te gelden.

Anders dan [verzoekster] aanneemt, houdt hoor en wederhoor in, dat de VvE op het verzoek van [verzoekster] werd gehoord. Op de reactie daarop van [verzoekster] (ook wel aangeduid als ‘repliek’) mag de VvE dan wederom reageren (ook wel aangeduid als ‘dupliek’). Beide partijen krijgen in beginsel gelijke mogelijkheden te worden gehoord.

De kantonrechter heeft derhalve terecht twee punten toegekend, één voor het verweerschrift en één voor de mondelinge behandeling.

Ook grief 2 faalt derhalve.

5.11

Hetgeen namens [Eigenaar 1] en [Eigenaar 2] naar voren is gebracht, kan noch op zichzelf noch in samenhang met de stellingen van [verzoekster] tot een ander oordeel leiden.

6 De slotsom

6.1

De grieven falen. De bestreden eindbeschikking zal worden bekrachtigd.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [verzoekster] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de VvE zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 716,-

- salaris advocaat € 1.788,- (2 punten x tarief II à € 894,-)

€ 2.504,-.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Gelderland, sector kanton en handelsrecht, locatie Arnhem ) van 20 juli 2016;

veroordeelt [verzoekster] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de VvE vastgesteld op € 716,- voor verschotten en op € 1.788,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

Deze beschikking is gewezen door mrs. L.F. Wiggers-Rust, I.E. Katz-Soeterboek en
J.G.J. Rinkes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
27 maart 2018.