Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:2900

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-03-2018
Datum publicatie
13-04-2018
Zaaknummer
200.191.031
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Persoonsgebonden budget (Pgb) Zorgovereenkomst

Stelplicht en bewijslast contante betalingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.191.031

(zaaknummer rechtbank Overijssel 3553646)

arrest van 27 maart 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [plaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. M.J.E.C. Camps,

tegen:

[geïntimeerde] , handelende onder de naam [geïntimeerde],

wonende te [plaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. I. Mercanoglu.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van
10 maart 2015, 2 juni 2015 en 16 februari 2016 die de kantonrechter (rechtbank Overijssel, sector kanton, locatie Enschede) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 3 mei 2016,

- de memorie van grieven met producties,

- de memorie van antwoord,

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities van mrs. Camps en Mercanoglu voornoemd d.d. 21 februari 2018. Hierbij is akte verleend van het stuk dat bij bericht van 15 februari 2018 door mr. Camps namens [appellant] is ingebracht.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald op één dossier.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.3 van het vonnis van 10 maart 2015, die hier voor de leesbaarheid van dit arrest opnieuw worden weergegeven.

2.1

[appellant] ontvangt sinds 2007 een persoonsgebonden budget (pgb). Partijen hebben in dat

kader met ingang van 1 januari 2012 een zorgovereenkomst met elkaar gesloten.

2.2

[appellant] ontving over het jaar 2012 een bedrag van € 18.121,71 ten behoeve van het inkopen van zorg (bij [geïntimeerde] handelende onder de naam [geïntimeerde] ). [appellant] moet jaarlijks de besteding van zijn budget verantwoorden aan Menzis Zorgkantoor (hierna: Menzis).

2.3

Bij brief van 24 mei 2013 heeft Menzis aan [appellant] laten weten dat zij het budget voor 2012/2013 van [appellant] terugvorderde, omdat hij onvoldoende had gereageerd op de benadering door Menzis om de besteding van pgb gelden (steekproefsgewijs) te controleren. Volgens Menzis is in dit geval niet voldaan aan het aanleveren van (alle) gegevens voor de intensieve controle.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

A. verklaart voor recht dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen in het zorgcontract uit hoofde van wanprestatie ex artikel
6:74 BW, waardoor zijn schade van € 18.121,71, naast de rente en buitengerechtelijke kosten, moet worden vergoed vanaf de dag der dagvaarding;

B. verklaart voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is uit onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW jegens [appellant] gepleegd, waardoor zijn schade van € 18.121,71, naast de rente en buitengerechtelijke kosten, moet worden vergoed vanaf de dag der

dagvaarding;

C. verklaart voor recht dat [geïntimeerde] te kort is geschoten in haar verplichtingen als

zaakwaarnemer ex artikel 6:198 BW jegens [appellant] , waardoor zijn schade van

€ 18.121,71, naast de rente en buitengerechtelijke kosten, moet worden vergoed

vanaf de dag der dagvaarding;

D. [geïntimeerde] veroordeelt in de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente over de nakosten.

4.2

Bij akte uitlaten stukken tevens incidenteel verzoek ex artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft [appellant] voorts gevorderd dat de kantonrechter bepaalt dat de gehele administratie van [appellant] en dan vooral de correspondentie tussen [geïntimeerde] en Menzis over [appellant] in het jaar 2011 en 2012 en alle door [appellant] getekende kwitanties 2011 en 2012 aan de rechtbank worden overgelegd, zodat deze als bewijs kunnen dienen van de stellingen van [appellant] .

4.3

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen van [appellant] .

4.4

De kantonrechter heeft [appellant] bij vonnis van 2 juni 2015 (hierna ook: het tussenvonnis) toegelaten te bewijzen dat hij een bedrag van € 7.776,71 heeft voldaan aan [geïntimeerde] , in aanvulling op het bedrag van € 10.495,- dat hij per bank aan haar heeft betaald,

alsmede dat [geïntimeerde] zijn (financiële) administratie heeft verzorgd, althans dat partijen hadden afgesproken dat [geïntimeerde] zijn financiële administratie zou verzorgen.

Bij vonnis van 16 februari 2016 (hierna ook: het eindvonnis) heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen, omdat [appellant] naar zijn oordeel niet in het leveren van het bewijs van zijn stellingen was geslaagd. Ook de incidentele vordering van [appellant] wees de kantonrechter af, omdat van het voeren van de administratie van [appellant] door [geïntimeerde] niet was gebleken, zodat daarvan ook geen inzage kon worden gevorderd, terwijl voor een rechtmatig belang bij deze incidentele vordering door [appellant] bovendien onvoldoende was gesteld.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

Tegen het tussenvonnis en eindvonnis is [appellant] met vier grieven opgekomen. Daarmee richt hij zich in het bijzonder tegen de bewijslastverdeling. De bewijslast had niet op hem maar – door toepassing van de omkeringsregel – op [geïntimeerde] moeten rusten (grief 1) althans had [geïntimeerde] de bewijslast moeten krijgen van het tegendeel, namelijk van het feit dat [appellant] niet cash had betaald, en had zij haar boekhouding moeten openen om de door haar uitgeschreven kwitanties te tonen, zoals [appellant] in het incident vorderde (grief 2). Met zijn derde grief suggereert [appellant] , zo begrijpt het hof, dat hij, gelet op de ongeloofwaardigheid van de verklaring van [geïntimeerde] , wellicht toch in het bewijs is geslaagd van de door hem gestelde contante betalingen en het verrichten van zijn administratie door [geïntimeerde] . Grief 4 ten slotte is gericht tegen het geen acht slaan door de kantonrechter op de stellingen van [appellant] dat [geïntimeerde] in de praktijk optrad als zijn zaakwaarnemer richting Menzis conform het bepaalde in artikel 6:198 BW.

5.2

[appellant] vordert in hoger beroep (volgens de appeldagvaarding sub (1))

1) vernietiging van de vonnissen d.d. 10 maart 2015, 2 juni 2015 en 16 februari 2016;

en voorts (volgens de memorie van grieven) bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

(2) te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen in het zorgcontract, uit hoofde van wanprestatie ex artikel 6:74 BW, waardoor zijn schade ad € 18.121,71 althans enig ander redelijk bedrag in verband met niet geleverde zorg in de periode oktober 2012 t/m eind 2012, naast de rente, moet worden vergoed vanaf de dag der dagvaarding;

(3) te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is uit onrechtmatige daad ex

artikel 6:162 BW jegens [appellant] gepleegd, waardoor zijn schade van € 18.121,71, althans enig ander redelijk bedrag in verband met niet geleverde zorg in de periode oktober 2012 t/m eind 2012, naast de rente, moet worden vergoed vanaf de dag der dagvaarding;

(4) te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] te kort is geschoten in haar verplichtingen als

zaakwaarnemer ex artikel 6:198 BW dan wel vertegenwoordiger ex artikel
6:172 BW jegens [appellant] waardoor zijn schade van € 18.121,71, althans enig ander redelijk bedrag in verband met niet geleverde zorg in de periode oktober 2012 t/m eind 2012, naast de rente, moet worden vergoed vanaf de dag der dagvaarding;

(5) [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met

de (na)kosten en de wettelijke rente over de nakosten, een en ander te voldoen binnen
14 dagen na dagtekening van het arrest en voor zover voldoening van (na)kosten niet geschiedt binnen de gestelde termijn, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

5.3

Nu [appellant] in de dagvaarding in hoger beroep dan wel de memorie van grieven geen gronden voor het hoger beroep tegen het vonnis van 10 maart 2015 heeft aangevoerd, is de vordering in hoger beroep in zoverre niet naar de eisen van de wet met redenen omkleed en zal het hof het hoger beroep tegen dat vonnis verwerpen.

5.4

Omdat Menzis, naar [appellant] volgens de door hem bevestigde verklaring van mr. Camps ter gelegenheid van de pleidooien als voldoende vaststaand aanneemt, niet langer vervolg geeft aan haar hiervoor onder 2.3 vermelde terugvorderingsbeslissing, heeft [appellant] ter gelegenheid van de pleidooien zijn vorderingen, naar het hof begrijpt behoudens die de proceskosten betreffende, verminderd tot een bedrag van € 4.495,-, als het bedrag dat hij in oktober 2012 aan [geïntimeerde] heeft betaald zonder dat daar nog zorg tegenover stond. Hij heeft de desbetreffende vorderingen voor het overige laten vallen evenals de grondslagen daarvoor, voor zover de laatste niet zien op het niet leveren van zorg sinds oktober 2012 tegenover het door hem over de periode vanaf oktober tot en met december 2012 nog wel betaalde bedrag ad € 4.495.-.

Mr. Mercanoglu heeft daartegen geen bezwaar gemaakt.

Het hof zal uitgaan van die (verminderde) vordering en de grondslag(en) daarvan.

5.5

[appellant] heeft aan zijn (oorspronkelijke) vorderingen volgens het petitum van de appeldagvaarding wanprestatie, onrechtmatige daad en schending van zaakwaarnemersverplichtingen dan wel vertegenwoordigersverplichtingen ten grondslag gelegd. Naar het hof bij gebreke van andere toelichting in verband met zijn eisvermindering aanneemt, wil [appellant] ook zijn (verminderde) vordering op die grondslagen baseren.

In de processtukken heeft hij ook eerder melding gemaakt van door [geïntimeerde] (vanaf oktober 2012) niet geleverde zorg, namelijk:

- in de inleidende dagvaarding onder 9, waar hij vermeldt dat [geïntimeerde] vanaf oktober 2012 geen (persoonlijke) verzorging meer verleende aan [appellant] . Deze passage staat daar in de sleutel van de tekortkoming in de nakoming van het zorgcontract. Volgens [appellant] ter plaatse (onder 12) is sprake van een vordering tot (vervangende) schadevergoeding;

- in de conclusie van repliek onder 16, waar hij melding maakt van het feit dat de (persoonlijke) verzorging van [geïntimeerde] steeds meer te wensen overliet en dat de situatie zo verslechterde dat [geïntimeerde] vanaf oktober 2012 helemaal geen verzorging meer leverde maar wel betaald kreeg. De desbetreffende passage stond daar in de sleutel van tekortkoming in de nakoming van het zorgcontract;

- in de memorie van grieven onder 14, waar hij vermeldt dat de vordering van [appellant] behelsde een door hem gestelde onrechtmatige daad en een wanprestatie van [geïntimeerde] uit hoofde van het zorgcontract dat tussen partijen vanaf 2012 gold. [appellant] betaalde die zorg wel maar het zorgwerk werd niet meer geleverd, in ieder geval niet meer vanaf oktober 2012 tot het vertrek van [appellant] naar een ander bureau. Daaraan heeft de kantonrechter, aldus [appellant] , ten onrechte geen aandacht geschonken. ‘Juist de terugbetaling van het vooruitbetaalde zorgbedrag van € 4500,00 (zie prod. 13-1 CvR) over de maanden oktober, november en december 2012 was ook onderwerp van de vordering en de gestelde OD ex art. 6:162 BW en zaakwaarneming ex artikel 6:198 BW.’

5.6

Het hof leidt uit het voorgaande af dat [appellant] zijn vordering ter zake van wel betaalde maar niet verleende zorg in de maanden oktober tot en met december 2012 ad € 4.495,-
(of: € 4.500,- volgens het laatste citaat onder 5.5 en productie 13-I bij conclusie van repliek) inkleedt als schadevergoedingsvordering gebaseerd op wanprestatie dan wel onrechtmatige daad dan wel zaakwaarneming ex artikel 6:198 BW/vertegenwoordiging ex artikel 6:172 BW, daarin bestaande dat de zorg wel werd betaald maar niet geleverd.

Indien [appellant] bedoelde zijn (verminderde) vordering mede te baseren op onverschuldigde betaling, verzet het feit dat hij de grondslagen van zijn vordering niet (tijdig) schriftelijk heeft gewijzigd dan wel aangevuld zich ertegen dat deze mede op de grondslag van onverschuldigde betaling wordt beoordeeld.

5.7

Het hof stelt voorop dat de overeenkomst tussen partijen, door [appellant] overgelegd als productie 1 bij inleidende dagvaarding, is gestart op 1 januari 2012 en aangegaan voor onbepaalde duur, met de mogelijkheid tot opzegging ervan met inachtneming van een termijn van één maand.

Volgens zijn getuigenverklaring van 16 september 2015 heeft [appellant] het geld voor de maanden oktober tot en met december 2012 aan [geïntimeerde] betaald voordat hij het contact met haar had verbroken. Hij verklaarde voorts het contract niet schriftelijk te hebben opgezegd, want – zo verklaarde hij – dat hoefde ook niet. In zijn getuigenverklaring vermeldt [appellant] noch (expliciet) dát hij de overeenkomst daadwerkelijk (mondeling) heeft opgezegd noch een eventuele datum van opzegging noch de datum waartegen hij de overeenkomst dan (mondeling) heeft opgezegd. Ter gelegenheid van de pleidooien heeft [appellant] verklaard in oktober 2012 aan [geïntimeerde] te hebben laten weten niet meer te komen, waarvan [geïntimeerde] in zijn bijzijn een briefje heeft opgemaakt dat hij heeft ondertekend, maar waarvan hij geen kopie heeft ontvangen.
Welke de reactie van [geïntimeerde] op zijn mededeling onderscheidenlijk de precieze inhoud van het briefje was, heeft [appellant] niet vermeld. Bij de comparitie van partijen in eerste aanleg heeft mr. Camps verklaard dat [appellant] per 1 januari 2013 naar een andere zorgverlener is gegaan, die de oude overeenkomst tussen partijen heeft opgezegd.

5.8

Bij memorie van antwoord (onder 23) heeft [geïntimeerde] verklaard vanaf oktober 2012 geen zorg meer te hebben geleverd, aangezien [appellant] de facturen niet betaalde. Bij de comparitie van partijen in eerste aanleg heeft mr. Mercanoglu verklaard dat [appellant] zelf de overeenkomst niet heeft opgezegd, terwijl er wel sprake is van een opzegtermijn van één maand. Ter gelegenheid van de pleidooien verklaarde mr. Mercanoglu namens [geïntimeerde] dat zijn cliënte, ofschoon zij vanaf oktober 2012 geen zorg meer heeft verleend, wel rekeningen heeft opgestuurd, omdat [appellant] geen rekening had gehouden met de opzegtermijn.

5.9

De hiervoor onder 5.7 vermelde verklaringen van/namens [appellant] acht het hof onvoldoende eenduidig om daaruit af te leiden dat hij de overeenkomst met [geïntimeerde] vóór 2013 heeft opgezegd en zo ja, tegen welke datum.

Mede gelet op de – evenmin eenduidige – betwisting daarvan van de zijde van [geïntimeerde] , zoals het hof deze uit het hiervoor onder 5.8 overwogene begrijpt, heeft [appellant] die opzegging daarmee onvoldoende toegelicht. Niet vast staat derhalve dat en wanneer die overeenkomst, rekening houdend ook met de opzegtermijn van één maand, vóór 1 januari 2013 rechtsgeldig is geëindigd.

5.10

Uitgaande van het bestaan van de overeenkomst in de periode van oktober tot en met december 2012, had [appellant] in die periode in beginsel recht op verlening van zorg door [geïntimeerde] . Tussen partijen staat vast dat vanaf oktober 2012 door [geïntimeerde] geen zorg meer aan [appellant] is geleverd. Echter, ook de tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door [geïntimeerde] in de periode van oktober tot en met december 2012 heeft [appellant] onvoldoende gesubstantieerd. Uit zijn verklaringen is deze niet voldoende duidelijk af te leiden. Zo verklaarde [appellant] in zijn getuigenverklaring van 16 september 2015 dat hij in oktober 2012 werd aangehouden door de politie, wat hem 14 dagen niet thuis in die maand opleverde, alsmede dat hij [geïntimeerde] in oktober 2012 heeft laten weten ‘niet meer te komen’.

Welke de reactie van [geïntimeerde] op zijn mededeling onderscheidenlijk de precieze inhoud van het door haar volgens zijn verklaring opgemaakte briefje was, heeft [appellant] , zoals hiervoor onder 5.7 reeds overwogen, niet vermeld.
heeft ook niet duidelijk gemaakt hoe zijn beide verklaringen zich tot elkaar verhouden en evenmin welke de reden was voor zijn besluit ‘niet meer te komen’, alsmede wat een en ander betekende voor de door [geïntimeerde] te leveren zorg.

Mede gegeven de betwisting daarvan door [geïntimeerde] (vgl. de memorie van antwoord onder
19 en 23) heeft [appellant] daarmee onvoldoende gesteld voor schadeplichtigheid wegens een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door [geïntimeerde] .

5.11

[appellant] heeft aan zijn (verminderde) vordering ook nog onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] ten grondslag gelegd. Dit bestond erin, zo begrijpt het hof (zie hiervoor onder 5.5),

dat [appellant] die zorg wel betaalde maar het zorgwerk werd niet meer geleverd, in ieder geval niet meer vanaf oktober 2012 tot het vertrek van [appellant] naar een ander bureau. Voorts vermeldde hij zonder verdere, op zijn (verminderde) vordering gerichte toelichting ‘zaakwaarneming ex art. 6:198 BW’ en ‘vertegenwoordiging ex art. 6:172 BW’ als grondslag voor zijn vordering.

[appellant] heeft evenmin (genoegzaam) toegelicht dat en waarom het desbetreffende handelen, naast wanprestatie, als een onrechtmatige daad zou kunnen zijn te karakteriseren.
Omtrent de door [appellant] gestelde betaling overweegt het hof daarnaast als volgt.

Bij zijn (verminderde) vordering gaat [appellant] uit van de door hem gestelde contante betaling per 3 oktober 2012 van een bedrag van (€ 4.500,- - € 5,- =) € 4.495,-. Deze contante betaling is door [geïntimeerde] stellig betwist.

Juist is dat [geïntimeerde] , zoals [appellant] heeft aangevoerd, in haar getuigenverklaring heeft erkend dat [appellant] 1 à 2 contante betalingen deed. Ook [X] bevestigde dat [appellant] een keer contant kwam betalen. [geïntimeerde] voegde daaraan echter toe dat dit gebeurde in de periode dat contant betalen nog mocht. Volgens [appellant] kan dit niet juist zijn, omdat contant betalen vanaf 2012 rechtens niet meer is toegestaan, welk moment gelijk loopt met de aanvang van zijn zorgovereenkomst. Tegen die achtergrond is voor het hof nog onbegrijpelijk dat [appellant] bij akte overlegging stukken overlegging door [geïntimeerde] vorderde van alle door [appellant] getekende kwitanties 2011 en 2012. Bovendien heeft [appellant] naast de contante betaling(en) in oktober 2012 ook (eerdere) contante betaling(en) (in juni 2012) gesteld, zodat de erkenning van [geïntimeerde] en de bevestiging van [X] , als het gaat om 2012, ook daarop betrekking kunnen hebben.

Niet is derhalve komen vast te staan dat [appellant] in oktober 2012 enige contante betaling aan [geïntimeerde] heeft gedaan, laat staan tot welk bedrag. In het voorhanden bewijsmateriaal ligt voor die betalingen onvoldoende bewijs besloten. De waardering van de verklaring van [geïntimeerde] en andere getuigen is daarbij betrokken. Het hof merkt daarbij op dat de verklaring van geen van beide partijen, zoals uit het voorgaande blijkt, (geheel) consistent is.

5.12

Anders dan [appellant] voorstaat, rusten de stelplicht en de bewijslast van de contante betalingen (mede) in oktober 2012 op hem. In de door [appellant] naar voren gebrachte omstandigheden zijn geen aanknopingspunten te vinden voor omkering van de bewijslast. De norm die [appellant] in dit verband aanhaalt: artikel 2.6.9 lid 1 onder j van de Regeling subsidies AWBZ, zoals dit gold in 2012, houdt in dat de verzekerde uitsluitend girale betalingen aan de zorgverlener verricht. De bepaling is per januari 2012 in genoemde Regeling opgenomen ter vermindering van fraude. Deze bepaling echter richt zich, zoals [geïntimeerde] ook aanvoert, tot [appellant] als de verzekerde. Uitgaande van de juistheid van zijn stellingen heeft [appellant] zelf de desbetreffende bepaling derhalve in juni / juli 2012 en (eventueel) ook in oktober 2012 overtreden. Volgens zijn verklaring wist hij dat hij als budgethouder verantwoordelijk was en wist hij ook dat hij achteraf moest betalen voor de zorg die hij kreeg. [geïntimeerde] zou, zo verklaarde [appellant] verder, wel om contante betaling van het geld hebben gevraagd, maar geen druk op hem hebben uitgeoefend. [geïntimeerde] ging volgens zijn verklaring nooit mee naar de pinautomaat.

Dat [geïntimeerde] , zoals door [appellant] gesteld en door [geïntimeerde] betwist, voor hem de administratie voerde is, voor zover in verband met de gestelde contante betaling(en) in oktober 2012 al relevant, uit het voorhanden bewijsmateriaal evenmin voldoende gebleken. Noch het feit dat de post gedurende zekere tijd ten name van [appellant] zelf naar het adres van [geïntimeerde] werd gestuurd noch het feit dat [geïntimeerde] (mogelijk) de administratie verzorgde voor anderen dan [appellant] is daarvoor toereikend.

Voor de hem ontbrekende geestelijke vermogens en het door hem in [buitenland] opgelopen hersenletsel, zoals door [appellant] gesteld en door [geïntimeerde] bestreden, ten slotte is geen enkel bewijs bijgebracht.

De door hem geclaimde ‘slachtoffer’-bescherming kan [appellant] , gelet op het voorgaande, aan de bedoelde bepaling uit de hiervoor genoemde Regeling dan ook niet ontlenen.

5.13

Nu de door [appellant] gestelde contante betaling(en) per 3 oktober 2012 niet zijn bewezen, kan de met name daarop gestoelde (verminderde) vordering van [appellant] wat daarvan verder zij (zie hiervoor onder 5.10 en 5.11), niet op (één of meer van) de door hem gestelde grondslagen (zie hiervoor onder 5.6) worden gebaseerd.

Het aanbod van [appellant] aanvullend bewijs van zijn contante betalingen na september 2012 te leveren zal worden gepasseerd. [appellant] heeft in eerste aanleg over dit bewijsthema al getuigen doen horen. Hij heeft niet aangegeven welke getuigen hij nader zou willen horen en in hoeverre de getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan.

Het overigens door [appellant] aangeboden bewijs is onvoldoende specifiek, terwijl [appellant] sijn stellingen bovedien onvoldoende heeft onderbouwd om tot bewijslevering te worden toegelaten. Voor zover [appellant] met zijn hoger beroep in verband met zijn (verminderde) vordering alsnog overlegging door [geïntimeerde] van zijn administratie en kwitanties over 2011 en 2012 zou willen bewerkstelligen, ziet het hof daartoe in hetgeen naar voren is gekomen evenmin als de kantonrechter aanleiding. Het maakt de als zodanig door [appellant] niet bestreden motivering van de kantonrechter tot de zijne. Bovendien moet de vordering van [appellant] , zoals uit het voorgaande blijkt, ook op andere gronden dan het niet vaststaan van de betaling stranden.

5.14

De grieven kunnen derhalve niet slagen; bij de verdere behandeling ervan heeft [appellant] geen belang.

6 De slotsom

6.1

Het hoger beroep tegen het vonnis van 10 maart 2015 zal worden verworpen. De grieven kunnen niet tot vernietiging van de bestreden vonnissen van 2 juni 2015 en

16 februari 2016 leiden. Die vonnissen zullen worden bekrachtigd.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal [appellant] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 314,-

- salaris advocaat € 1.896,- (3 punten x tarief I à € 632,-)

€ 2.210,-.

6.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde nakosten toewijzen en de gevorderde wettelijke rente over de nakosten, zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwerpt het hoger beroep tegen het tussenvonnis van 10 maart 2015 dat de kantonrechter (rechtbank Overijssel, sector kanton, locatie Enschede) heeft gewezen;

bekrachtigt de vonnissen van de kantonrechter (rechtbank Overijssel, sector kanton, locatie Enschede) van 2 juni 2015 en 16 februari 2016;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 314,- voor verschotten en op € 1.896,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.F. Wiggers-Rust, I.A. Katz-Soeterboek en A.L.H. Ernes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2018.