Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:2899

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-03-2018
Datum publicatie
13-04-2018
Zaaknummer
200.192.421
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg koopovereenkomst, dwaling, (schuldeisers)verzuim en redelijkheid en billijkheid (6:248 lid 2 BW)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.192.421

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , 392876)

arrest van 27 maart 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellante] ,

gevestigd te [plaats 1] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. A. Robustella,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde] ,

gevestigd te [plaats 1] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. M.O Saeed.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 27 juni 2017 hier over. In dit arrest is een meervoudige comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op 12 februari 2018. Voorafgaand aan de comparitie heeft de advocaat van [appellante] bij brieven van 26 en 29 januari 2018 eenzelfde productie overgelegd. [geïntimeerde] heeft daartegen geen bezwaar gemaakt, waarna deze productie is toegevoegd aan het procesdossier. De advocaten hebben van hun toelichting spreekaantekeningen overgelegd en de griffier heeft van het verhandelde ter zitting aantekeningen bijgehouden. Ter comparitie van partijen is beproefd overeenstemming te bereiken. Partijen hebben de zaak één week in beraad gehouden. Vervolgens hebben de advocaten bij brieven van 16 februari 2018 bericht dat partijen geen minnelijke regeling hebben getroffen en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

Voor de vaststaande feiten verwijst het hof naar de feiten zoals die door de rechtbank zijn vastgesteld in het (bestreden) vonnis van 27 januari 2016 onder 2.1 tot en met 2.21. Het vonnis is gepubliceerd onder ECLI:NL:RBMNE:2016:343.

3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Het gaat in deze zaak, zakelijk samengevat, om het volgende. Op 30 april 2014 heeft [apotheek appellante] haar onderneming middels een activatransactie verkocht aan [geïntimeerde] , Voor de verkoop van de apotheek heeft [X] , de indirect bestuurder van [appellante] , zich laten bijstaan door [XV] , werkzaam bij de VvAA. [XXV] , de indirect bestuurder van [geïntimeerde] , heeft tijdens de onderhandelingen aan [XV] en [X] meegedeeld dat hij van de apotheek – gelegen in een huisartsenpost in [plaats 2] – een uitdeelpost wil maken met een onbemande machine (type: Pharmaself) waaruit patiënten 24 uur per dag medicijnen kunnen afhalen. Volgens opgaaf van een medewerker van VvAA aan [XXV] bediende de [apotheek appellante] voorafgaand aan de verkoop ongeveer 2.400 patiënten. Om de transitie van een stand alone apotheek naar dit zelfhulpsysteem te realiseren, zijn partijen in de schriftelijke koopovereenkomst van 30 april 2014 overeengekomen dat [X] dit transitieproces de eerste drie maanden na overdracht (op 1 mei 2014) zal begeleiden.

De koopsom van in totaal € 165.000 werd gedeeltelijk afhankelijk gemaakt van het slagen van deze transitie. Partijen kwamen in artikel 7.2 van hun overeenkomst overeen dat een bedrag van € 85.000 zou worden betaald op de leveringsdatum van 1 mei 2014 en voorts (in artikel 7.4):

(a) een bedrag van € 40.000 zodra voor koper aantoonbaar was gebleken dat 70% van de recepten voortkomt uit proactief herhalen en/of reactief via de website (tijdens de comparitie in hoger beroep hebben partijen verklaard dat het cursieve tekstgedeelte op voorstel van [X] handgeschreven werd toegevoegd tijdens de ondertekening).

(b) een bedrag van € 40.000 zodra voor koper aantoonbaar was gebleken dat van het klantenbestand 70% van de mobiele telefoonnummers beschikbaar was voor koper en dat deze mobiele telefoonnummers waren ingevoerd in de kluisjesmodule van Pharmacom.

Partijen kwamen voorts overeen dat de termijn voor het voldoen aan de voorwaarden genoemd voor de restantbetalingen onder (a) en (b) zou vervallen drie maanden na levering, derhalve op 1 augustus 2014, en ook dat de bewijslast voor de juistheid en de volledigheid van het voldoen aan voormelde voorwaarden geheel bij [appellante] lag.

Halverwege mei 2014 heeft [X] gemeld problemen te ondervinden bij het reactief aanvragen van recepten, doordat niet op korte termijn de beschikking kon worden verkregen over zogeheten “herhaalnummers”. Op de suggestie van [XXV] om patiënten gebruik te laten maken van een website of webformulier voor het reactief aanvragen van herhaalrecepten en hen vervolgens proactief te benaderen, heeft [X] niet gereageerd.

Op 7 augustus 2014 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] bericht dat van het totaal aantal patiënten van 2.694 er 1.905 afkomstig waren van [apotheek XX] en dat daarvan 1.373 mobiele nummers waren ingevoerd in de kluisjesmodule van Pharmacom, derhalve 72%. Daarnaast heeft [appellante] bericht dat na vergelijking van de receptregels van [apotheek XX] van mei tot en met juli 2014 met die van april 2014 en dezelfde periode in 2013 is gebleken dat er geen achteruitgang in omzet is geweest en dat dus (nagenoeg) alle patiënten voor [geïntimeerde] behouden zijn gebleven. [geïntimeerde] heeft de door [appellante] gestelde cijfers en wijze van verantwoording als onvoldoende beschouwd en heeft de twee deelbetalingen niet voldaan.

3.2

[appellante] heeft in eerste aanleg betaling gevorderd van € 84.000, bestaande uit de onbetaald gelaten restantsom van € 80.000, de contractuele rente hierover vanaf 1 mei 2014 tot en met 30 april 2015 ad € 2.400 en buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.600, vermeerderd met de contractuele rente over € 80.000 vanaf 1 mei 2015 en proceskosten. De rechtbank heeft bij vonnis van 27 januari 2016 geoordeeld dat [appellante] niet aan de voorwaarden in de koopovereenkomst had voldaan en de vordering van [appellante] afgewezen. [appellante] is met vijf grieven in hoger beroep gekomen en heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en toewijzing van hetgeen door haar in eerste aanleg is gevorderd, alsmede tot terugbetaling van de proceskosten in eerste aanleg die [appellante] aan [geïntimeerde] heeft voldaan (een bedrag van € 3.774,84), vermeerderd met de daarover verschuldigde rente en tot veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

Uitleg

3.3

Met grief 1 richt [appellante] zich tegen de door de rechtbank gegeven uitleg van de voorwaarden (artikel 7.4 (a) en (b)) van de koopovereenkomst, betreffende de restantbetalingen en het passeren van het leveren van (tegen)bewijs door [appellante] . Volgens [appellante] strekken genoemde artikelen ertoe de overgang en het behoud van (nagenoeg) alle patiënten en de daaraan gerelateerde omzet naar/door [geïntimeerde] te verzekeren c.q. te borgen, zodat enkel de vraag of (nagenoeg) al die patiënten en de daaraan gerelateerde omzet zijn overgegaan naar [geïntimeerde] beantwoording behoeft. [geïntimeerde] heeft deze uitleg bestreden.

3.4

De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, wordt niet alleen beantwoord op grond van een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het ook aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

3.5

In het licht van de hiervoor genoemde Haviltex-maatstaf neemt het hof de volgende omstandigheden in aanmerking. Zoals ( [X] van) [appellante] op de zitting in hoger beroep heeft toegelicht, was de reden om tot verkoop van de apotheek over te gaan dat deze over onvoldoende verdiencapaciteit beschikte. De apotheek was niet verlieslatend, maar er kon onvoldoende salaris uit worden gehaald. Om de apotheek rendabel te laten zijn, was automatisering dan ook onvermijdelijk en, zoals ook blijkt uit de door partijen gevoerde correspondentie tijdens de onderhandelingen (zie bijvoorbeeld het e-mailbericht van 7 februari 2014 (productie 18 bij conclusie van antwoord) en het e-mailbericht van 19 februari 2014 (productie 1 bij memorie van grieven)) was dit beide partijen ook duidelijk: de stand alone apotheek diende te worden omgezet naar een onbemande uitdeelpost. Uit diezelfde correspondentie blijkt ook dat ( [XXV] van) [geïntimeerde] reeds op 19 februari 2014 heeft gemeld aan [XV] dat er geen harde garantie was dat de klanten gebruik zouden gaan maken van de – door [geïntimeerde] te bekostigen – machine en dat daarvoor een “soort veiligheidsklep” ingebouwd moest worden. [XV] reageert nog diezelfde dag op deze e-mail (productie 22 bij memorie van antwoord) met het bericht dat juist vanwege de investering in de uitgifteautomaat in relatie tot het gebruik daarvan, in hun voorstel van de overeenkomst is voorzien in een betaling van de koopsom in (toen nog) twee tranches onder de voorwaarde dat de mobiele telefoonnummers van minimaal (toen nog) 50% van het patiëntenbestand beschikbaar zouden komen voordat tot betaling van de tweede tranche over diende te worden gegaan. Daaruit volgt dat reeds vroeg in de onderhandelingen de koopsom afhankelijk is gemaakt van het gebruik door de patiënten van de machine als afhaalpunt en dat dit door [XV] – als deskundig adviseur van [appellante] – in de overeenkomst is voorzien. Later zijn deze voorwaarden en de koopsom nog aangepast, maar de systematiek is hetzelfde gebleven. Anders dan door [appellante] is betoogd, is met artikel 7.4 onder (a) en (b) derhalve niet (enkel) beoogd om deze betalingen te laten afhangen van de overgang en het behoud van het patiëntenbestand en de daaraan gerelateerde omzet, maar, zoals [appellante] redelijkerwijs behoorde te begrijpen, van de vraag of de patiënten gebruik zouden gaan maken van de Pharmaself.

3.6

Met betrekking tot de voorwaarden zelf overweegt het hof dat tussen partijen niet in geschil is dat met proactief herhalen van recepten (tot 70% van de totale receptenstroom, zoals beschreven onder 7.4 (a)) is bedoeld dat de apotheek door middel van een melding in haar computersysteem in staat wordt gesteld om twee weken van te voren te constateren dat een patiënt een (te verlengen) geneesmiddel nodig heeft, dat de apotheek dit aanvraagt bij de huisarts en na ontvangst klaar legt voor de patiënt. Ook staat vast dat [appellante] destijds gebruik maakte van het Mira-systeem en dat omzetting moest plaatsvinden naar het Pharmacomsysteem. [appellante] heeft tijdens de ondertekening van de koopovereenkomst aan de voorwaarde onder (a) toegevoegd dat aan deze voorwaarde ook zou zijn voldaan als een deel van de receptenstroom (tot 70%) in plaats van proactief, reactief zou worden herhaald via de website. Met reactief herhalen wordt door partijen bedoeld dat de patiënt de apotheek zelf vraagt om een herhaalrecept en dat de apotheek dit vervolgens aanvraagt bij de huisarts. Tussen partijen staat vast dat de patiënten van [appellante] herhaalrecepten vaak vroegen door oude doosjes in te leveren bij de apotheek. Het hof constateert dat volgens de overeenkomst [appellante] zich verbond om het reactief herhalen te laten plaatsvinden via de website en derhalve niet meer via deze doosjes.

3.7

Tot slot kwamen partijen onder (b) overeen dat [appellante] van 70% van het klantenbestand mobiele telefoonnummers beschikbaar zou stellen en zou invoeren in de kluisjesmodule van Pharmacom. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de uitleg van het begrip “klantenbestand”. Volgens [appellante] zou het alleen gaan om de klanten van de apotheek die tevens woonachtig zouden zijn in [plaats 2] , volgens [geïntimeerde] om alle patiënten die gewoonlijk door de [apotheek XX] werden bediend, destijds volgens opgaaf van VvAA (7 februari 2014) circa 2.400. [appellante] beroept zich voor haar uitleg van het begrip klantenbestand op een brief van de apotheker van [geïntimeerde] , de heer [Y] , van 30 juli 2014 (bijlage 5 sub III bij brief van 12 november 2015 namens [appellante] ten behoeve van de comparitie in eerste aanleg). In deze brief staat echter niet meer dan dat klanten met een andere code dan AC (Afhalen [plaats 2] ) waren omgezet naar de Pharmaself in [plaats 2] . Uit die bewoordingen blijkt niet dat alleen klanten woonachtig in [plaats 2] mochten worden omgezet. Ook de omstandigheden dat dit bericht enkele maanden na de totstandkoming van de koopovereenkomst werd verzonden en dat [Y] niet betrokken was bij de onderhandelingen over het koopcontract rechtvaardigen niet de ver strekkende uitleg die [appellante] aan deze brief geeft. Met klantenbestand wordt derhalve bedoeld het patiëntenbestand dat door de [apotheek XX] ten tijde van de verkoop op 30 april 2014 werd bediend, ongeacht hun woonplaats. Die uitleg strookt ook met het feit dat het ging om goodwill voor de overdracht van een apotheek als onderneming.

3.8

Uit het voorgaande volgt dat het hof de door [appellante] voorgestane uitleg verwerpt. [appellante] zal, nu de correspondentie waarop zij zich beroept haar uitleg niet ondersteunt, bij gebreke van een voldoende feitelijke onderbouwing niet toegelaten worden tot de door haar gewenste nadere of tegenbewijslevering. De in hoger beroep voorafgaand aan de zitting ingebrachte e-mail van [XV] van 8 juli 2014 maakt dat oordeel niet anders, nu het hierbij gaat om een e-mail van [XV] (als adviseur) aan ( [X] van) [appellante] (zijn opdrachtgever) van ná de totstandkoming van de overeenkomst, daarin niet is vermeld dat en geen rekenschap is gegeven van het feit dat de reactieve receptenstroom via de website moest, niet is ingegaan op de hiervoor besproken e-mailwisseling van 19 februari 2014 tussen [XV] en [XXV] en ten slotte daaruit de over en weer uitgewisselde partijbedoeling niet kan worden afgeleid. Grief 1 faalt mitsdien.

Dwaling

3.9

Met grief 3 doet [appellante] in aanvulling op haar betoog in eerste aanleg een beroep op, volgens haar door de rechtbank ambtshalve toe te passen, dwaling en vordert zij artikel 7.4 (a) en (b) te vernietigen en het nadeel op te heffen door alsnog tot betaling van de restantsom over te gaan. Zij voert daartoe aan dat in het geval [geïntimeerde] haar tijdens de onderhandelingen zou hebben voorgehouden dat zij [appellante] ook in het geval dat (nagenoeg) alle patiënten en de daaraan gerelateerde omzet zouden zijn overgedragen aan respectievelijk behouden voor [geïntimeerde] , zij [appellante] toch zou afrekenen op de resultaatsverplichtingen als vervat in voornoemde bepalingen, [appellante] niet bereid zou zijn geweest de koop op basis van die condities aan te gaan, temeer niet nu [appellante] voor de realisatie van de resultaatsverbintenissen afhankelijk was van de haar door [geïntimeerde] te bieden (technische) faciliteiten.

3.10

De rechtbank was niet gehouden tot de door [appellante] verlangde ambtshalve toepassing. De grief faalt verder op de hiervoor genoemde gronden. Zoals hiervoor uiteengezet hebben de voorwaarden onder artikel 7.4 (a) en (b) niet (enkel) de strekking die [appellante] hieraan geeft, maar zijn de voorwaarden opgenomen met het oog op de transitie van een onvoldoende renderende stand alone apotheek naar een wel rendabele uitdeelpost met behulp van een Pharmaself. De betaling van de restantkoopsommen is afhankelijk gemaakt van de mate waarin patiënten gebruik zouden (kunnen) maken van deze machine door recepten geautomatiseerd aan te vragen en op te halen. Er is geen sprake van verzwijging van een mededeling waardoor [appellante] heeft kunnen dwalen. Het was partijen immers duidelijk dat de apotheek diende te automatiseren en dat de apotheek met dat doel is verkocht.

Niet realiseren van resultaten

3.11

Met grief 4 richt [appellante] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat zij niet heeft voldaan aan de voorwaarden genoemd onder artikel 7.4 (a) en (b). Zij voert aan niet aan deze voorwaarden te hebben kunnen voldoen, omdat zij werd geconfronteerd met technische beperkingen binnen de in de onderneming van [geïntimeerde] aanwezig automatiseringsstructuur. [geïntimeerde] heeft een en ander bestreden.

3.12

Het hof overweegt dat gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] in verzuim is geraakt. Weliswaar blijkt uit de stukken dat het opnemen van klanten in het proactieve herhaalsysteem van Pharmacom niet lukte (zie productie 17 bij conclusie van antwoord en bijlage 5 bij de brief van 12 november 2015 ten behoeve van de comparitie in eerste aanleg), maar een ingebrekestelling door [appellante] ontbreekt. Voor zover [appellante] zich in dit verband heeft willen beroepen op schuldeisersverzuim van [geïntimeerde] , geldt dat [geïntimeerde] alternatieven heeft aangereikt, op grond waarvan het alsnog mogelijk zou zijn om aan de onder (a) gestelde voorwaarde te voldoen. Zo heeft [geïntimeerde] per e-mail van 14 mei 2014 ( [X] van) [appellante] , met kopie aan [XV] , gewezen op de mogelijkheid van bestelling door patiënten via een herhaalsite met een webformulier, dat voor een IT-er heel snel te bouwen zou zijn, waarna alle patiënten na de aanmelding via het webformulier over konden naar proactief herhalen. [appellante] heeft – naar niet is weersproken – deze ongeveer € 1.000 kostende mogelijkheid onbenut gelaten, haars inziens omdat het een fout of verhindering aan de zijde van [geïntimeerde] betrof, maar zij miskent daarmee dat de conversie van haar Mira-systeem naar het Pharmacomsysteem van [geïntimeerde] in beginsel voor haar rekening en risico kwam, zodat de oorzaak van de verhindering, zeker na de afwijzing van haar voorstel van 14 mei 2014, niet aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend. Het in dit verband gedane aanbod van [appellante] tot bewijs van haar stelling dat [geïntimeerde] in de precontractuele fase niet heeft meegedeeld dat haar automatiseringssysteem niet, althans onvoldoende was ingericht op de realisatiemogelijkheid van de voorwaarden, wordt gepasseerd als niet ter zake dienend, omdat ook wanneer wordt uitgegaan van de juistheid van die stelling, daardoor, zoals hiervoor overwogen, niet vast komt te staan dat sprake is van (schuldeisers)verzuim van [geïntimeerde] . Het hof merkt in dit verband ook nog op dat [appellante] niet (kenbaar) de stelling heeft ingenomen dat [geïntimeerde] , die bij de niet-vervulling van de voorwaarden belang had, door haar automatiseringsstructuur de vervulling van de voorwaarden zou hebben belet, zodat artikel 6:23 BW hier niet aan de orde kan komen.

[appellante] heeft voorts nagelaten te stellen en te onderbouwen dat (al dan niet volgens het Mira-systeem) 70% van de receptenstroom van de apotheek reeds geënt was op proactief herhalen. Op de zitting in hoger beroep heeft [X] mondeling meegedeeld dat 70% van het klantenbestand berustte op proactief herhalen en 15% op reactief herhalen, maar een cijfermatige onderbouwing ontbreekt. Bovendien is niet duidelijk van welk klantenbestand [X] in dat geval uitgaat, terwijl ook niet gesteld of gebleken is of, en zo ja, welk percentage van het reactief herhalen uiteindelijk via de website verliep. Dat, terwijl op grond van de overeenkomst de bewijslast voor de juistheid en volledigheid van de in artikel 7.4 genoemde voorwaarden geheel bij [appellante] rustte.

Met betrekking tot de mobiele nummers overweegt het hof voorts dat vanwege de omstandigheid dat het klantenbestand meer omvat dan alleen de patiënten die woonachtig zijn in [plaats 2] , zoals hiervoor reeds overwogen, niet is voldaan aan de voorwaarde genoemd onder artikel 7.4 (b). Op de zitting in hoger beroep heeft [X] meegedeeld dat hij voorafgaand aan de koop van 60% van zijn patiënten een mobiel nummer had. Dat zou betekenen dat hij in de periode van 1 mei tot en met 1 augustus 2014 nog circa 240 mobiele nummers had moeten zien te verwerven. [X] heeft op de zitting gemeld 100 nummers van huisartsen te hebben ontvangen en een enkel nummer van een patiënt tijdens een bezoek aan de apotheek. Dat is te weinig. Een toelichting op het standpunt dat [appellante] aan de voorwaarde onder (b) heeft voldaan, ontbreekt verder, evenals een schriftelijke onderbouwing. Het betoog van [appellante] dat aan de voorwaarden is voldaan, althans dat haar van het niet voldoen aan deze voorwaarden geen verwijt kan worden gemaakt, strandt derhalve bij gebreke van een voldoende onderbouwing. Grief 4 faalt derhalve.

Redelijkheid en billijkheid (beroep op voorwaarden onaanvaardbaar)

3.13

Op grond van het voorgaande faalt ook grief 2. Met deze grief betoogt [appellante] dat het beroep van [geïntimeerde] op de niet-vervulling van de (opschortende) voorwaarden onder (a) en (b) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is omdat [appellante] heeft voldaan aan de verplichting om erop toe te zien dat (nagenoeg) alle patiënten en de daaraan gerelateerde omzet naar [geïntimeerde] zouden overgaan en voor [geïntimeerde] behouden zouden blijven. Zoals hiervoor overwogen, hadden deze voorwaarden juist niet de (enkele) strekking dat het klantenbestand en de daaraan gerelateerde omzet zouden overgaan, maar dat de patiënten gebruik zouden gaan maken van de apotheek als onbemande Pharmaself, zodat deze alsnog rendabel(er) zou worden. Daarbij is het juist de adviseur van [appellante] geweest die de voorwaarden heeft opgesteld en het bewijs voor het voldoen aan die voorwaarden bij [appellante] heeft neergelegd. Aldus heeft [appellante] de hoge drempel van artikel 6:248 lid 2 BW niet kunnen nemen.

Bewijsaanbod

3.14

[appellante] heeft in hoger beroep nog een algemeen bewijsaanbod gedaan door het horen van drie met name genoemde getuigen en het overleggen van schriftelijke bescheiden. Wat betreft het horen van de getuigen is het bewijsaanbod niet toegespitst op een of meer concrete feiten en/of omstandigheden. Verder heeft [appellante] niet uiteengezet welke schriftelijke bescheiden zij zou willen overleggen en daarvoor bovendien voldoende gelegenheid gehad. Daarom wordt haar bewijsaanbod gepasseerd.

4 De slotsom

4.1

De grieven 1 tot en met 4 falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Grief 5, waarin [appellante] stelt dat de rechtbank haar vordering ten onrechte heeft afgewezen, faalt eveneens. De restitutievordering zal dus ook worden afgewezen.

4.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 1.957,-

- salaris advocaat € 3.262,- (2 punten x tarief IV)

Totaal € 5.219,-.

4.3

Als niet weersproken zal het hof de proceskosten en de nakosten met de wettelijke rente daarover toewijzen zoals hierna vermeld.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , van 27 januari 2016;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.957,- voor verschotten en op € 3.262,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [appellante] in de nakosten, begroot op € 131,--, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,-- in geval [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. I. Brand, A.W. Steeg en M.M.K.J. Steketee en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2018.