Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:2870

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-03-2018
Datum publicatie
28-03-2018
Zaaknummer
200.209.343/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijwaring. (Onder)huur? Kosten van de procedure in de hoofdzaak.

Partijen delen het gebruik van een woning. Eén van de partijen heeft de woning gehuurd van de hoofdverhuurder. De mede gebruiker betaalt de volledige huur aan de hoofdverhuurder. Op enig moment laat de mede gebruiker zijn laatste twee huurbetalingen storneren. De huurovereenkomst wordt daarop beëindigd en de hoofdverhuurder spreekt zijn huurder aan tot betaling van de laatste twee termijnen. In vrijwaring vordert die deze termijnen van zijn medegebruiker.

Het hof merkt de rechtsverhouding tussen partijen aan als een overeenkomst van (onder)huur.

Nu de mede gebruiker zich beroept op een afspraak waaruit zou volgen dat hij de huurprijs niet meer hoefde te betalen (aan de hoofdverhuurder) rust op hem de bewijslast van dat (bevrijdende) verweer.

In dat bewijs is de medegebruiker niet geslaagd. De mede gebruiker dient daarom de gestorneerde huurpenningen aan de huurder te voldoen. In zoverre slaagt de vrijwaring.

Voor zover de vordering er tevens toe strekt de mede gebruiker te veroordelen in de kosten waartoe de huurder in de hoofdzaak is veroordeeld (buitengerechtelijke kosten, proceskosten en nagekomen kosten) is de vordering niet toewijsbaar. Die kosten zijn voortgevloeid uit de omstandigheid dat de huurder niet heeft voldaan aan zijn eigen (contractuele) verplichtingen jegens de hoofdverhuurder. De omstandigheid dat de mede gebruiker niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen jegens de huurder is geen grond om die kosten naar de mede gebruiker door te schuiven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.209.343/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen 3869231 CV EXPL 15-2008)

arrest van 27 maart 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. G.B. de Jong,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. E.H. Jansen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

27 oktober 2015 en 10 januari 2017 die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 6 februari 2017,

- de memorie van grieven (met een productie),

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] in hoger beroep strekt tot vernietiging van het vonnis van de kantonrechter van 10 januari 2017 en veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van al datgene waartoe [appellant] in het vonnis van de kantonrechter van 20 oktober 2015 is veroordeeld, waaronder begrepen de kostenveroordeling en de nagekomen kosten, kosten rechtens.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 1.1 tot en met 1.5 van het tussenvonnis van 27 oktober 2015. Aangevuld met feiten die in hoger beroep eveneens vaststaan zijn de feiten als volgt.

3.2

Tussen [appellant] als huurder en de stichting Stichting Nijestee (hierna: Nijestee) als verhuurder heeft een huurovereenkomst bestaan met betrekking tot de woning aan de

[a-straat1] te [C] . Die huurovereenkomst is ingegaan op 8 augustus 2012 en beëindigd per 1 juli 2014.

3.3

[geïntimeerde] heeft vanaf augustus 2012 die woning mede in gebruik gehad.

3.4

[appellant] heeft een kopie overgelegd van een (onder)huurovereenkomst van 1 augustus 2012, waarin hij hoofdhuurder en [geïntimeerde] onderhuurder wordt genoemd. Onder punt 6 van die overeenkomst is met betrekking tot de huurprijs opgenomen dat de huurprijs

€ 742,11 per maand bedraagt en dat de onderhuurder de huurprijs middels automatische incasso rechtstreeks aan de eigenaar-verhuurder Nijestee betaalt. Onder de overeenkomst staan 2 handtekeningen en de namen van [appellant] en [geïntimeerde] .

3.5

[geïntimeerde] heeft de huur van augustus 2012 tot en met april 2014 via automatische incasso betaald aan Nijestee. Huurincasso’s van Nijestee voor de maanden mei en juni 2014 heeft [geïntimeerde] laten storneren.

3.6

Vanwege het uitblijven van huurbetalingen voor de maanden mei en juni 2014 heeft Nijestee [appellant] op 25 september 2014 gedagvaard voor de kantonrechter en veroordeling gevorderd van [appellant] tot betaling van de achterstallige huurpenningen, te vermeerderen met wettelijke rente en kosten. In die procedure heeft [appellant] een incident opgeworpen tot oproeping van [geïntimeerde] in vrijwaring. Nadat de kantonrechter die vordering had toegewezen bij vonnis van 27 januari 2015 heeft [appellant] [geïntimeerde] in vrijwaring opgeroepen. In de hoofdzaak heeft de kantonrechter [appellant] bij vonnis van 20 oktober 2015, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot betaling aan Nijestee van € 1.813,53 (twee maandtermijnen huur, buitengerechtelijke incassokosten en rente), vermeerderd met de wettelijke rente over

€ 1.522,86 vanaf 25 september 2014, alsmede tot betaling van de proceskosten.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg, samengevat, veroordeling gevorderd van [geïntimeerde] tot betaling van al hetgeen waartoe hij in de hoofdzaak jegens Nijestee zal worden veroordeeld.
Hij heeft zich daarvoor beroepen op de door hem overgelegde (onder)huurovereenkomst en gesteld dat op grond van die overeenkomst [geïntimeerde] de onbetaalde huurtermijnen had moeten voldoen.

4.2

[geïntimeerde] heeft betwist dat de (onder)huurovereenkomst van 1 augustus 2012 tot stand is gekomen en ontkend dat de handtekening onder die overeenkomst van hem afkomstig is.

4.3

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 27 oktober 2015 [appellant] toegelaten tot het bewijs dat [geïntimeerde] de (onder)huurovereenkomst heeft ondertekend. [appellant] heeft daarop in enquête zichzelf als getuige laten horen en [geïntimeerde] heeft zichzelf als getuige laten horen in contra-enquête. In het eindvonnis van 10 januari 2017 heeft de kantonrechter de vordering van [appellant] afgewezen. Hij heeft daartoe overwogen dat [appellant] niet is geslaagd in het leveren van het aan hem opgedragen bewijs. Verder heeft de kantonrechter overwogen dat voor zover [appellant] in zijn conclusie na enquête de grondslag van zijn vordering heeft gewijzigd en heeft betoogd dat wel is bewezen dat partijen mondeling zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] de maandelijkse huur zou betalen, hij heeft nagelaten in te gaan op de nuancering van [geïntimeerde] dat hij de huur zou voldoen omdat [appellant] geen inkomen had, maar dat die afspraak alleen gold voor de tijd dat hij, [geïntimeerde] , wel inkomsten had. [geïntimeerde] had vanaf 1 mei 2014 geen inkomen meer, waardoor hij de huur niet meer kon voldoen en de huurbedragen heeft laten storneren. Omdat [appellant] niet op die nuancering is ingegaan, is onvoldoende komen vast te staan dat [geïntimeerde] onder alle omstandigheden de huur zou betalen, ook als hij geen inkomen zou hebben, aldus de kantonrechter.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

[appellant] is in hoger beroep gekomen van het vonnis van 10 januari 2017 onder aanvoering van vier grieven (genummerd I tot en met IV). Hij heeft daarbij aangegeven dat zijn beroep zich ook richt tegen het tussenvonnis van 27 oktober 2015. De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

5.2

[appellant] heeft in zijn grieven en de daarop gegeven toelichting gesteld dat hij de grondslag van zijn vordering wijzigt en aanvult, in die zin dat hij aan zijn vordering ten grondslag legt dat partijen mondeling een (onder)huurovereenkomst zijn overeengekomen, waarbij [geïntimeerde] de huur van de woning via automatische incasso zou voldoen aan de hoofdverhuurder. Die (onder)huurovereenkomst is vervolgens schriftelijk vastgelegd en partijen hebben daaraan ook uitvoering gegeven.

Door deze wijziging van grondslag wordt volgens [appellant] niet meer toegekomen aan een bewijsopdracht ter zake de schriftelijke (onder)huurovereenkomst, is die opdracht derhalve ten onrechte verstrekt en heeft de kantonrechter zijn vordering ten onrechte afgewezen.

5.3

[geïntimeerde] heeft tegen deze aanpassing van de grondslag geen bezwaar gemaakt. De aanpassing is ook tijdig gedaan en het hof acht ambtshalve geen gronden aanwezig om die aanpassing niet toe te laten, zodat recht zal worden gedaan met inachtneming van de aanpassing.

5.4

[geïntimeerde] heeft in zijn memorie van antwoord zijn voor het eerst in dupliek ingenomen stelling herhaald dat hij, omdat [appellant] zelf geen inkomsten had, heeft aangeboden om zolang hij zelf over voldoende inkomen beschikte de huur te voldoen. In de periode van augustus 2012 tot en met april 2014 heeft hij de huur ook rechtstreeks aan Nijestee voldaan. Omdat hij per 1 mei 2014 werkloos werd, beschikte hij niet meer over inkomen en kon hij de huur niet meer voldoen. Daarom heeft hij de automatische incasso van de huur voor de maanden mei en juni 2014 laten storneren. Hij volhardt in zijn betwisting dat hij de (onder)huurovereenkomst van 1 augustus 2012 heeft ondertekend.

5.5

Uit de stellingen van partijen volgt dat [appellant] (een deel van) de door hem van Nijestee gehuurde woning aan [geïntimeerde] ter beschikking heeft gesteld en dat [geïntimeerde] gedurende de periode van het gebruik de volledige door [appellant] aan Nijestee verschuldigde huurprijs via automatische incasso heeft betaald aan Nijestee, met dien verstande dat hij de automatische incasso van de huur voor de maanden mei en juni 2014 heeft laten storneren. Het betalen door [geïntimeerde] van de (volledige) huurprijs aan de hoofdverhuurder duidt binnen deze context op een tegenprestatie waartoe [geïntimeerde] zich jegens [appellant] heeft verbonden, tegenover het door [appellant] aan [geïntimeerde] in gebruik geven van (een deel van) de woning. In de stellingen van [geïntimeerde] leest het hof ook niet een andere grondslag voor die betalingen, zodat het hof die betalingen ook als tegenprestatie aanmerkt.
De rechtsverhouding tussen partijen met betrekking tot het gebruik van de woning is daarmee naar het oordeel van het hof te kwalificeren als een (onder)huurovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7:201 lid 1 BW.
Aan bewijs van de ondertekening van de schriftelijke (onder)huurovereenkomst door [geïntimeerde] wordt daarmee dus niet toegekomen.

5.6

Uitgaande van een (onder)huurovereenkomst staat vast dat [geïntimeerde] geen tegenprestatie (de voldoening van de huur aan de hoofdverhuurder) heeft voldaan over de maanden mei en juni 2014. Niet is gesteld dat de (onder)huurovereenkomst voordien al (rechtsgeldig) was geëindigd. Daarmee rust op [geïntimeerde] de bewijslast van zijn (bevrijdende) verweer dat hij met [appellant] is overeengekomen dat hij geen tegenprestatie (meer) verschuldigd was wanneer hij over onvoldoende inkomsten beschikte en dat hij vanaf 1 mei 2014 ook niet meer over voldoende inkomsten beschikte.

5.7

[geïntimeerde] heeft het bewijs van dat verweer niet geleverd en heeft daarvan evenmin (voldoende gespecificeerde) nadere bewijslevering aangeboden. Het hof merkt daarbij op dat [geïntimeerde] in eerste aanleg als getuige heeft verklaard over de afspraak over de huurbetaling. Hij heeft daarover toen het volgende verklaard:
“In augustus 2012 heeft [appellant] een nieuwe woning gekregen en ik mocht daarbij in. [appellant] kon zijn financiële verplichtingen ten aanzien van de vaste lasten niet nakomen. Mijn financiële situatie was toen goed. Ik heb toen [appellant] mondeling voorgesteld om de kosten voor de woning te betalen totdat [appellant] weer zelf kon bijdragen. Ik heb van de 18 maanden dat [appellant] de woning huurde 16 maanden betaald.”
Die verklaring is niet toereikend voor het bewijs van zijn verweer. In de eerste plaats dient die verklaring te worden beschouwd als een partijgetuigenverklaring. Bovendien blijkt uit de verklaring niet dat [geïntimeerde] de huur alleen zou betalen zolang hijzelf over voldoende inkomsten beschikte. [geïntimeerde] verklaart immers alleen dat hij de huur zou blijven voldoen totdat [appellant] zelf weer zou kunnen bijdragen. Dat [appellant] vanaf mei 2014 weer zelf kon bijdragen is door [geïntimeerde] verder niet gesteld en is evenmin gebleken.
Overigens heeft [geïntimeerde] ook niets overgelegd dat zijn, door [appellant] betwiste, stelling onderbouwt dat hij vanaf 1 mei 2014 werkloos was en dat hij niet meer over inkomsten beschikte om de huur te voldoen. Dit terwijl nadien de huur door Nijestee kennelijk nog wel van zijn rekening kon worden geïncasseerd (maar vervolgens door [geïntimeerde] weer werd gestorneerd). In dat licht verdient opmerking dat [geïntimeerde] niet (gemotiveerd) heeft ontkend dat hij tegenover een bekende van [appellant] heeft verklaard dat hij de incasso’s heeft laten storneren zodat [appellant] een maximale huurschuld zou krijgen. Dat geeft reden om te betwijfelen of [geïntimeerde] vanaf mei 2014 inderdaad onvoldoende inkomen had om de huur te kunnen voldoen.

5.8

Het verweer van [geïntimeerde] dient dus te worden verworpen.
Het hof merkt op dat [geïntimeerde] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft aangevoerd dat [appellant] eind mei 2014 zijn, [geïntimeerde] ’s, inboedel uit de woning heeft verwijderd en dat hij nadien niet meer in die woning is geweest. Aan die stelling heeft [geïntimeerde] echter geen (relevante) rechtsgevolgen verbonden, zodat het hof aan die, door [appellant] eveneens betwiste, stelling verder voorbij gaat.

5.9

[geïntimeerde] is aan [appellant] derhalve de (volledige) huurprijs van de woning over de maanden mei en juni 2014 verschuldigd, een bedrag van € 1.484,22 te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 782,11 vanaf 1 mei 2014 (de termijn mei 2014) en de wettelijke rente over een bedrag van (eveneens) € 782,11 vanaf 1 juni 2014 (de termijn juni 2014), tot de dag van voldoening. In zoverre is de vordering van [appellant] toewijsbaar.
Voor zover de vordering er tevens toe strekt [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten waartoe [appellant] in de hoofdzaak is veroordeeld (buitengerechtelijke kosten, proceskosten en nagekomen kosten) is de vordering niet toewijsbaar. Die kosten zijn voortgevloeid uit de omstandigheid dat [appellant] niet heeft voldaan aan zijn eigen (contractuele) verplichtingen jegens de hoofdverhuurder. De omstandigheid dat [geïntimeerde] niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen jegens [appellant] is geen grond om die kosten naar [geïntimeerde] door te schuiven.

6 De slotsom

6.1

De grieven slagen. Het bestreden vonnis van 10 januari 2017 zal worden vernietigd en opnieuw rechtdoende zal de vordering van [appellant] worden toegewezen, zoals in het dictum bepaald.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op € 94,19 aan explootkosten, € 78,- aan griffierecht en € 600,- aan salaris gemachtigde.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op € 97,31 aan explootkosten, € 313,- aan griffierecht en € 632,- aan salaris advocaat (1 punt x tarief I).

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Groningen van 10 januari 2017 in de vrijwaringszaak en doet opnieuw recht;

veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 1.484,22 te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 782,11 vanaf 1 mei 2014 en de wettelijke rente over een bedrag van (eveneens) € 782,11 vanaf 1 juni 2014, tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de vrijwaringszaak in beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 172,19,- voor verschotten en op € 600,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 410,31 voor verschotten en op € 632,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. O.E. Mulder, mr. J.H. Kuiper en mr. M.E.L. Fikkers en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 27 maart 2017.