Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:2863

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-03-2018
Datum publicatie
28-03-2018
Zaaknummer
200.174.959/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontbinding van een agrarische maatschap. Geschil of de ene maat een beroep toekomt op een van de bepalingen in de maatschapsakte. Gevolgen van de ontbinding van de maatschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2018/300
OR-Updates.nl 2018-0066
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.174.959/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/131016 / HA ZA 13-350)

arrest van 27 maart 2018

in de zaak van:

1 [appellant] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellant],

2. [appellante] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellante],

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s.,

advocaat: mr. P. Stehouwer, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A. Kroondijk, kantoorhoudend te Wolvega.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 17 november 2015 hier over.

1.2

In dit tussenarrest heeft het hof een comparitie gelast. Deze comparitie is gehouden op 11 februari 2016; het daarvan opgemaakte proces-verbaal maakt deel uit van de stukken.

1.3

Het verdere verloop blijkt uit:

- de memorie van grieven, tevens akte wijziging en vermeerdering van eis (met producties),

- de memorie van antwoord, tevens van incidenteel hoger beroep (met producties),

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

1.4

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

1.5

[appellanten] c.s. vorderen in het (principaal) hoger beroep:
"Dat het het Gerechtshof behage, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen de vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Leeuwarden d.d. 5 maart 2014, 1 april 2015 en 17 juni 2015 (…) en, opnieuw rechtdoende:
in conventie
I. voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] de maatschap heeft opgezegd, althans de maatschap te ontbinden per 1 april 2015;
II. voor recht te verklaren dat onder het begrip "aanschafwaarde", zoals gedefinieerd in artikel 14 lid 1 sub e van de maatschapsakte dient te worden verstaan het bedrag waarvoor het bedrijf te [B] destijds door [appellant] is aangekocht, te vermeerderen met de kosten van de nadien in [B] aangebrachte en aldaar uitgevoerde investeringen en verbeteringen, alsmede de aankoopkosten en de bij de aankoop betaalde overdrachtsbelasting tot een bedrag ad € 86.160,-, althans te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] tot een bedrag ad € 86.160,- ongerechtvaardigd is verrijkt, althans dat [geïntimeerde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aan [appellant] een bedrag ad € 86.160,- dient te vergoeden, alsmede [geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] te betalen een bedrag ad € 86.160,-;
III. [geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] te betalen een bedrag ad € 150.000,- aan (schade)vergoeding, zijnde een vergoeding voor de schade/het nadeel dat [appellant] lijdt doordat [appellant] na afsplitsing van locatie [B] de investering in de ligboxenstal niet ten volle kan benutten omdat [appellant] over onvoldoende land beschikt;
IV. [geïntimeerde] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het in dezen te wijzen arrest aan [appellant] af te geven een tractor Massey Ferguson type 255 met dubbele montering, een landrol, 2 platte wagens en een grondbak, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat hij daarmee nadien in gebreke blijft, met een maximum van € 25.000,-;
V. te verklaren voor recht dat de aan het bedrijf van de maatschap toegekende betalingsrechten bij het einde van de maatschap aan [appellant] toekomen, zonder verdere vergoeding;
VI. [geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] te betalen een bedrag ad € 100.000,-, althans een in goede justitie door uw Hof te bepalen bedrag, wegens overname ruwvoer;
VII. te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] niet gerechtigd is tot het vee en de machines en werktuigen;
VIII. [geïntimeerde] te gelasten om zijn inkomsten uit werk voor derden, meer speciaal mechanisatiebedrijf Blaauw, loonbedrijf S. Holtrop en Akkerman mechanisatiebedrijf, in de maatschap in te brengen, voor zover het betreft werkzaamheden in de periode 1 mei 2014 t/m datum einde maatschap, alsmede [geïntimeerde] te gelasten binnen 14 dagen na betekening van het in dezen te wijzen arrest zijn jaaropgaven over 2014 en 2015 aan [appellant] af te geven, voor zover het betreft werkzaamheden voor mechanisatiebedrijf Blaauw, loonbedrijf S. Holtrop en Akkerman mechanisatiebedrijf, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat hij daarmee nadien in gebreke blijft, met een maximum van € 25.000,-;
IX. Te verklaren voor recht dat de ter zake van de in [A] nieuw gebouwde ligboxenstal gedane afschrijvingen, de betaalde rente en de met deze stal samenhangende kosten voor rekening van de maatschap komen;
X. Te verklaren voor recht dat partijen nog moeten afrekenen ter zake van de voorbehouden stille reserves, zoals deze zijn vastgelegd in de "wijziging maatschapsakte" (productie 3 bij dagvaarding in eerste aanleg) in dier voege dat [appellant] nog aan [geïntimeerde] dient te vergoeden een bedrag ad € 1.275,- en dat [geïntimeerde] nog aan [appellant] dient te vergoeden een bedrag ad € 93.382,-;
In reconventie
De reconventionele vordering van [geïntimeerde] alsnog af te wijzen, althans de reconventionele vordering alsnog toe te wijzen onder de voorwaarde dat [geïntimeerde] aan [appellant] dient te vergoeden de bedragen genoemd onder II en III.
In conventie en in reconventie
[geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van deze procedure zowel in eerste aanleg als in appel."

1.6

[geïntimeerde] vordert in het incidenteel hoger beroep:
"(…) dat het Uw Gerechtshof behage het door [appellant] ingestelde appel, inclusief de vermeerdering van eis, ongegrond te verklaren, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren in de door [appellant] ingestelde vorderingen en grieven, althans [appellant] die te ontzeggen, zulks met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in beide instanties, te vermeerderen met de nakosten,
voorts,
I. in het incidenteel appel het vonnis van 17 juni 2015 door de rechtbank gewezen, te vernietigen en/of aan te vullen, en opnieuw rechtdoende [appellant] te veroordelen tot medewerking aan de ontvlechting van de maatschap per 1 oktober 2015, zodat aan [geïntimeerde] kan worden uitgekeerd zijn aandeel in het kapitaal, zoals dat blijkt uit een nader op te maken eindbalans, middels het aanstellen van een financieel agrarisch deskundige alsmede het benoemen van een of meer taxateurs teneinde de omvang van de stille reserves in de machines, werktuigen, inventaris en veestapel vast te kunnen stellen, alsmede het per 1 oktober 2016 toekennen aan [geïntimeerde] van een voorschot op zijn kapitaal (Eigen Vermogen) groot € 150.000,-, van wel een ander bedrag het welk Uw Hof in goede justitie vermeent te behoren, met inachtneming van de volgende modaliteiten:
1a. het benoemen van één of meer taxateurs om de waarde zoals genoemd in de maatschapsakte voor wat betreft de veestapel, machines, voorraden en inventaris te laten taxeren alsmede het aanwijzen van een financieel agrarisch deskundige om de jaarrekening 2013/2014, alsmede jaarrekening 2014 tot 1 oktober 2015 te bepalen, met inachtneming van de opmerkingen die door [geïntimeerde] zijn aangevoerd, ter bepaling van het (eind)kapitaal en het aandeel stille reserves per 1 oktober 2015;
1b. [appellant] te veroordelen tot overdracht van 1/3 van de betalingsrechten op basis van areaal land maatschap, welke is opgegeven bij BDI 2015, alsmede [appellant] te veroordelen tot uitkering van de schade welke [geïntimeerde] geleden heeft door het niet door [appellant] tijdig uitkeren/overdragen hiervan;
1c. [appellant] na toekenning (verwacht 1 januari 2017) te veroordelen tot overdracht van 1/3 deel van de fosfaatrechten;
1d. [appellant] te veroordelen tot medewerking tot 1/3 deel overdracht van subsidies SNL per 1 oktober 2015;
1e. [appellant] te verplichten tot overdracht van 1/3 deel van de taxatie waarde) van oogstopbrengsten c.q. voorraad per 1 oktober 2015;
1f. De boekhouding vanaf 1 mei 2014 tot 1 oktober 2015 door een financieel agrarisch specialist te laten beoordelen op de rechtmatigheid van de facturen, met inachtneming van hetgeen in artikel 5 van de maatschap (beheersbepalingen) hieromtrent is bepaald;
één en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag dat [appellant] nadien in gebreke blijft, zulks met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in beide instanties.
II. [appellant] te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding middels de aanpassing van het Eigen Vermogen, nader te bepalen door een financieel agrarisch deskundige voor wat betreft de door [appellant] ten onrechte ten laste van de maatschap gebrachte kosten (waaronder rente en afschrijvingen), waardoor de winst van [geïntimeerde] vanaf 1 mei 2013 gecorrigeerd dient te worden, zulks met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in beide instanties, waaronder de kosten van deskundige en taxateurs, vermeerderd met de nakosten.
III. [appellant] te veroordelen tot het betalen van de schade welke voortvloeit uit het niet tijdig nakomen van haar verplichtingen voortvloeiende uit artikel 14 lid 2 van de maatschapsakte, één en ander nog nader te bepalen alsmede op te maken bij staat, welke voortvloeit uit het door [geïntimeerde] per 1 oktober 2016 niet na kunnen komen van de verplichtingen jegens de Rabobank, zulks met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in beide instanties, vermeerderd met de nakosten."

2 De vaststaande feiten

2.1

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.8 van het tussenvonnis van 1 april 2015 is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Deze feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, luiden als volgt.

2.2

[appellant] en [appellante] zijn gehuwd. Zij exploiteren sinds 1 mei 1998 in man/vrouw-maatschapsverband een melkveebedrijf, gevestigd aan de [a-straat1] te [A] , met circa 60 hectare land, deels in eigendom en deels gepacht.

2.3

Op 1 mei 2003 zijn [appellanten] c.s. een zogenoemde melkmaatschap aangegaan met [C] te [D] , de vader van [geïntimeerde] en verder aan te duiden als [C] sr. Het melkquotum van [C] sr. is op naam van [appellanten] c.s. gesteld en overgeheveld naar de locatie [A] . Ingebracht werden, samengevat weergegeven, door [appellanten] c.s. en [C] sr. elk, naast kennis, vlijt en arbeidskracht, de juridische eigendom van alle roerende niet-registergoederen. Van de registergoederen werd het gebruik en genot ingebracht.

2.4

Op 1 mei 2004 is [geïntimeerde] toegetreden tot de maatschap. Hij was op dat moment 23 jaar en bracht arbeid in. De winst/verliesverdeling was als volgt: [appellant] en [appellante] ieder 30%, [C] sr. 25% en [geïntimeerde] 15%. Per 1 mei 2006 is [C] sr. in verband met ziekte uit de maatschap getreden.

2.5

In 2006 heeft [appellant] een boerderij met ligboxenstal aan de [b-straat1] te [B] , met daarbij circa 28 hectare land, aangekocht. [geïntimeerde] woont met zijn partner in deze boerderij. Verder is het jongvee in dit bedrijf gehuisvest. Het bedrijf van de maatschap omvat de locaties te [A] en [B] .

2.6

Bij akte, getekend op 29 januari 2007, is de maatschapsverhouding tussen partijen met ingang van 1 mei 2006 opnieuw vastgelegd. Daarin is, voor zover voor het onderhavige geschil van belang, bepaald:
"De ondergetekenden:
1. De heer [appellant] (…) hierna ook te noemen: de vennoot sub 1;
2. Mevrouw [appellante] (…) hierna ook te noemen: de vennoot sub 2; (…)
3. De heer [geïntimeerde] (…) hierna ook te noemen: de vennoot sub 3;
(…)


Einde der maatschap
Artikel 12


De maatschap eindigt:
a. Door een gezamenlijk door de vennoten genomen besluit tot opheffing van de maatschap. Dit besluit moet schriftelijk worden vastgelegd en ondertekend, terwijl aan ieder der vennoten een afschrift moet worden verstrekt.
b. Door opzegging ingevolge het in artikel 2 bepaalde.
c. Bij aanvraag van surseance van betaling door een vennoot.
d. Door faillissement, toepassing van wettelijke schuldsanering of ondercuratelestelling van een vennoot of door de benoeming van een bewindvoerder krachtens een wetsbepaling voor een vennoot.
e. Als de vennoot sub 3 gedurende de eerste 10 jaar van de samenwerking in maatschapsverband langdurig arbeidsongeschikt wordt.
f. Door ontbinding door de rechter.
g. Door overlijden van een vennoot.
h. Op het moment van het aanhangig maken van een gerechtelijke procedure tot scheiding der vennoten sub 1 en 2 van tafel en bed of tot echtscheiding van deze vennoten of indien deze vennoten de samenwoning hebben verbroken en geen gemeenschappelijke huishouding meer voeren, tenzij de vennoten uitdrukkelijk anders overeenkomen.
i. Op het moment van het huwen in gemeenschap van goederen dan wel het aangaan van een geregistreerd partnerschap door de vennoot sub 3.

En wel zodra zich bedoelde feiten of omstandigheden voordoen, behalve in geval van opzegging omdat de maatschap dan eindigt op het tijdstip waartegen is opgezegd.

Gerechtigdheid bij het einde van de maatschap
Artikel 13


Bij het eindigen der maatschap is ieder der vennoten in het vermogen van de maatschap gerechtigd voor het bedrag, waarvoor hij ingevolge het in artikel 3 bepaalde in de boeken der maatschap is gecrediteerd, vermeerderd of verminderd met zijn aandeel in de winst of het verlies, gemaakt of geleden blijkens de balans en winst- en verliesrekening, opgemaakt overeenkomstig het in artikel 7 en 8 bepaalde naar de dag waarop de maatschap is beëindigd.

Op deze na het eindigen der maatschap op te maken balans zullen de bestanddelen als volgt worden gewaardeerd:
- de roerende zaken voor de economische waarde;
- de overige vermogensrechten voor de economische waarde;
- de schulden en andere verplichtingen voor de nominale waarde;
de door de maatschap aangekochte productierechten voor de aanschafwaarde waarde minus 10% per jaar, te rekenen vanaf de datum van aanschaf.

Indien de balans en winst- en verliesrekening binnen zes maanden na het einde der maatschap niet is opgemaakt en aan de belanghebbenden toegezonden, heeft elk der betrokkenen het recht om aan de rechter van het kanton waar de maatschap is gevestigd, de benoeming van een deskundige te verzoeken aan wie het opmaken van de balans en winst- en verliesrekening wordt opgedragen onder de bepaling, dat elk der betrokkenen geacht wordt zich aan de uitkomsten daarvan te hebben onderworpen, mits geen bezwaar makende als omschreven in artikel 7 van deze akte.


Voortzetting
Artikel 14


1. a. Indien de maatschap eindigt als gevolg van opzegging, door surseance van betaling, overlijden, faillissement, toepassing van wettelijke schuldsanering, onder curatele stelling, bewind, arbeidsongeschiktheid van alleen de vennoot sub 1 respectievelijk de vennoot sub 2, heeft de overblijvende vennoot het recht de maatschap samen met de vennoot sub 3 voort te zetten en heeft deze overblijvende vennoot het recht het aandeel van deze andere vennoot (echtgenoot/echtgenote) in de activa van de maatschap, alsmede het buitenvennootschappelijk vermogen over te nemen, dan wel zich te laten toescheiden voor de economische waarde (roerende zaken), de verpachte waarde (registergoederen) en de boekwaarde (referentiehoeveelheid melk), onder de verplichting om alle maatschapsschulden voor zijn rekening te nemen, de andere vennoot dienaangaande te vrijwaren en aan de andere vennoot, diens rechtsvertegenwoordigers of rechtverkrijgenden de aldus bepaalde waarde van het aandeel in de maatschap en al hetgeen van de maatschap, blijkens de in artikel 13 genoemde balans te vorderen is, uit te keren, mits hij dit binnen zes maanden na het einde der maatschap bij aangetekend schrijven te kennen geeft.

b. Indien de maatschap eindigt als gevolg van opzegging, door surseance van betaling, overlijden, faillissement, toepassing van wettelijke schuldsanering, onder curatele stelling, bewind, arbeidsongeschiktheid van de vennoten sub 1 en 2 tezamen, of de vennoot sub 1 afzonderlijke nadat de vennoot sub 2 eerder uit de maatschap is getreden, heeft de vennoot sub 3 het recht de boerderij, ligboxenstal en landerijen te [B] voor de aanschafwaarde over te nemen en het recht het aandeel van deze vennoten sub 1 en/of sub 2 in de maatschap alsmede de overige buitenvennootschappelijke registergoederen over te nemen dan wel zich te laten toe scheiden voor de economische waarde, onder de verplichting om het aandeel van de andere vennoot sub 1 en/of sub 2, diens rechtsvertegenwoordigers of rechtverkrijgenden de aldus bepaalde waarde van het aandeel in de maatschap, het aandeel in het buitenvennootschappelijk vermogen en al hetgeen van de maatschap blijkens de in artikel 13 genoemde balans, te vorderen is, uit te keren, mits hij dit binnen drie maanden na het einde der maatschap te kennen geeft. Vorenstaande vindt geen toepassing met betrekking tot de register- en niet registergoederen betreffende de locatie [A] als de kinderen van de vennoten sub 1 en 2, [E] en [F] , ervoor kiezen om hun ouders op te volgen.

c. Indien de maatschap eindigt als gevolg van scheiding van tafel en bed, echtscheiding of verbreken van de samenwoning tussen de vennoten sub 1 en 2, heeft de vennoot sub 1, het recht het aandeel van de vennoot sub 2 in de activa van de maatschap, alsmede (diens aandeel in) het buitenvennootschappelijk vermogen voer te nemen dan wel zich te laten toescheiden, onder de verplichting om het aandeel van de andere vennoot in alle schulden voor zijn rekening te nemen en aan de vennoot sub 2, diens rechtsvertegenwoordigers of rechtverkrijgenden de going concern waarde waarbij een lonende exploitatie mogelijk blijft bij gelijkblijvende bedrijfsomvang uit te keren, mits hij dit binnen drie maanden na het einde van de maatschap te kennen geeft.

Productierechten zijn hierin eveneens begrepen.

d. Indien de maatschap eindigt als gevolg van opzegging, door surseance van betaling, overlijden, faillissement, toepassing van wettelijke schuldsanering, onder curatele stelling, bewind, arbeidsongeschiktheid van alleen de vennoot sub 3, hebben de andere vennoten het recht de maatschap voort te zetten en hebben de vennoten sub 1 en 2 (tenzij hetgeen is bepaald in artikel 15 van de akte van toepassing is), het recht het aandeel van deze andere vennoot in de activa van de maatschap over te nemen voor de economische waarde en met betrekking tot de referentiehoeveelheid melk voor de aanschafwaarde minus 10% per jaar te rekenen vanaf de datum van aanschaf, onder de verplichting om het aandeel van de vennoot sub 3, diens rechtsvertegenwoordigers of rechtverkrijgende de aldus bepaalde waarde van het aandeel in de maatschap en al hetgeen van de maatschap blijkende in artikel 13 genoemde balans, te vorderen is, uit te keren, mits zij dit binnen drie maanden na het einde der maatschap te kennen geven.

e. Het is de vennoot sub 3 eveneens toegestaan gedurende de looptijd van de maatschap de boerderij, ligboxenstal en landerijen te [B] over te nemen voor de aanschafwaarde, indien hij de wens daartoe te kennen geeft en onder de verplichting om deze vervolgens in gebruik en genot aan de maatschap te beschikking te stellen.
(…)"

2.7

Bij wijzigingen maatschapsakte getekend op 3 maart 2008 en 19 december 2008 zijn de artikelen 3 respectievelijk 3 en 8 van de maatschapsakte met ingang van 1 mei 2006 gewijzigd.

2.8

Op de locatie [A] worden circa 130 stuks melkvee gemolken. In de loop van het jaar 2010 zijn er plannen ontwikkeld voor de bouw van een nieuwe ligboxenstal. Uiteindelijk is daartoe in november 2012 door de gemeente een vergunning verleend en de bouw ervan is in december 2012 aangevangen. De investering in deze stal is door [appellant] voor zijn rekening en risico gedaan. Het gebruik en genot van de stal is in de maatschap ingebracht.

2.9

Tijdens een overleg op 7 november 2012 in het bijzijn van accountant Van Gosliga is een eerder door [geïntimeerde] geuite wens om op enig moment voor zichzelf te beginnen besproken. In november 2012 heeft [geïntimeerde] een ondernemersplan opgesteld, gericht op zelfstandige exploitatie van de locatie [B] .

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellanten] c.s. hebben in eerste aanleg (in conventie) - samengevat - na wijziging van eis gevorderd:
primair: een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] de tussen partijen bestaande maatschap heeft opgezegd, alsmede een verklaring voor recht dat [appellanten] c.s. het recht heeft om de maatschap voort te zetten en verder het recht heeft het aandeel van [geïntimeerde] in de activa over te nemen voor de economische waarde, de referentiehoeveelheid melk over te nemen en [geïntimeerde] zijn aandeel in de maatschap uit te keren;
subsidiair: de maatschap te ontbinden, [geïntimeerde] onder verbeurte van een dwangsom te veroordelen om de (mede)exploitatie van het bedrijf te staken en binnen drie maanden het pand te [B] te ontruimen, taxateurs te benoemen om de omvang van de stille reserves in machines, werktuigen en vee vast te stellen en [geïntimeerde] te veroordelen om mee te werken aan de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen, alles met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure.

3.2

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd.

3.3

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg (in reconventie) - samengevat - gevorderd veroordeling van [appellanten] c.s. om mee te werken aan de verkoop en levering tegen aanschafwaarde van de boerderij, stal en landerijen te [B] , bij gebreke aan medewerking hieraan door [appellanten] c.s. het vonnis in de plaats treedt van de noodzakelijke wilsuiting van [appellanten] c.s., althans dat het vonnis kracht van akte heeft als bedoeld in artikel 3:300 BW, met veroordeling van [appellanten] c.s. tot betaling van de kosten van de procedure.

3.4

[appellanten] c.s. hebben verweer gevoerd.

3.5

De rechtbank heeft bij vonnis van 17 juni 2015 in conventie, uitvoerbaar bij voorraad, de tussen partijen bestaande maatschap per 1 oktober 2015 ontbonden en het meer of anders gevorderde afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] en [appellante] hoofdelijk verplicht om tegen aanschafwaarde mee te werken aan de verkoop en levering van de boerderij, ligboxenstal en landerijen te [B] , zoals bepaald in artikel 14 lid 1 sub e van het maatschapscontract en het meer of anders gevorderde afgewezen. De rechtbank heeft de proceskosten gecompenseerd, aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

4 De eisvermeerderingen

4.1

Zowel [appellanten] c.s. als [geïntimeerde] hebben in hoger beroep hun eis vermeerderd. [geïntimeerde] respectievelijk [appellanten] c.s. hebben tegen de gedane eisvermeerderingen geen bezwaar gemaakt. Nu de eisvermeerderingen ook ambtshalve door het hof niet in strijd met de eisen van een goede procesorde worden geoordeeld, zal het hof recht doen op de in principaal en in incidenteel appel gewijzigde eis.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

[appellanten] c.s. hebben in principaal appel twaalf grieven opgeworpen. [geïntimeerde] heeft in incidenteel appel drie grieven opgeworpen. Het hof zal de grieven achtereenvolgens bespreken.
Opzegging van de maatschap door [geïntimeerde] ?

5.2

[appellanten] c.s. stellen zich met hun eerste grief op het standpunt dat [geïntimeerde] de maatschap heeft opgezegd. [appellanten] c.s. voeren hiertoe aan dat hoewel [geïntimeerde] de maatschap niet zoals voorgeschreven in artikel 2 van de maatschapsakte bij aangetekend schrijven heeft opgezegd, in de gedragingen van [geïntimeerde] opzegging van de maatschap besloten ligt. Die gedragingen zijn er volgens [appellanten] c.s. in gelegen dat [geïntimeerde] tijdens het bestaan van de maatschap actief voorbereidingen heeft getroffen om voor zichzelf te beginnen op de locatie [B] , hij daartoe in november 2012 het "ondernemersplan [geïntimeerde] " heeft opgesteld en hij niet mee wilde doen aan de financiering van de nieuwe ligboxenstal. Voorts handelde [geïntimeerde] in ieder geval na het bestreden tussenvonnis van 1 april 2015 alsof de maatschap niet langer bestond, aldus [appellanten] c.s.

5.3

Het hof constateert dat hetgeen [appellanten] c.s. stellen ter toelichting op hun hiervoor weergegeven stellingen, in de kern een herhaling vormt van het op dit punt in eerste aanleg door hen ingenomen standpunt. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.1 van het bestreden tussenvonnis van 1 april 2015 gemotiveerd waarom zij van oordeel is dat uit de gedragingen van [geïntimeerde] niet de opzegging van de maatschap kan worden afgeleid. Het hof onderschrijft deze door de rechtbank gegeven motivering, neemt de desbetreffende overweging over en maakt die tot de zijne.

5.4

Voor zover [appellanten] c.s. in hoger beroep nog hebben aangevoerd dat de opzegging van de maatschap door [geïntimeerde] in ieder geval besloten ligt in de gedragingen van [geïntimeerde] ná het tussenvonnis van 1 april 2015, volgt het hof dit standpunt niet. Aan [appellanten] c.s. kan worden toegegeven dat de activiteiten van [geïntimeerde] na 1 april 2015 gericht zijn op de zelfstandige exploitatie van een maatschap met zijn echtgenote, maar anders dan [appellanten] c.s. stellen, ligt in deze gedragingen geen verklaring van [geïntimeerde] besloten dat hij de maatschap wenst op te zeggen. De gedragingen van [geïntimeerde] zijn immers het gevolg van het oordeel van de rechtbank in haar tussenvonnis van 1 april 2015 dat de door [appellanten] c.s. gevorderde ontbinding van de maatschap zal worden toegewezen en dat [appellanten] c.s. zullen worden veroordeeld tot medewerking aan overname van het bedrijf in [B] aan [geïntimeerde] .

5.5

Gelet op het vorenstaande concludeert het hof dat van opzegging van de maatschap door [geïntimeerde] geen sprake is.

5.6

Grief 1 in principaal appel faalt.
De datum van ontbinding

5.7

Tegen het oordeel van de rechtbank dat er gewichtige redenen zijn die nopen tot ontbinding van de maatschap is geen grief gericht. Nu uit het voorgaande volgt dat [geïntimeerde] de maatschap niet heeft opgezegd, staat daarmee de ontbinding van de maatschap wegens gewichtige redenen vast.

5.8

Met hun tweede grief komen [appellanten] c.s. op tegen de door de rechtbank uitgesproken datum van ontbinding, zijnde 1 oktober 2015. [appellanten] c.s. menen dat de rechtbank, conform de subsidiaire vordering van [appellanten] c.s., over had moeten gaan tot de ontbinding van de maatschap per 1 april 2015, nu op die datum reeds genoegzaam vast stond dat van een reële vorm van samenwerking geen sprake meer was en de verhoudingen tussen partijen al geruime tijd verstoord waren.

5.9

Het hof stelt vast dat de rechtbank in haar tussenvonnis van 1 april 2015 onbestreden heeft overwogen dat de verhouding tussen [geïntimeerde] enerzijds en [appellanten] c.s. anderzijds zodanig is verslechterd dat gezamenlijk verder gaan geen optie meer is. Op dat moment stond dus in ieder geval vast dat sprake was van een gewichtige reden, in de vorm van een feitelijk onmogelijk geworden samenwerking die noopt tot ontbinding van de maatschap. Onder die omstandigheden komt het het hof juist voor de maatschap, zoals door [appellanten] c.s. (subsidiair) is gevorderd, te ontbinden per 1 april 2015. Het hof ziet niet in waarom de ontbinding pas per 1 oktober 2015 zou moeten worden uitgesproken. [appellanten] c.s. hebben in dat kader terecht opgemerkt dat het argument dat partijen de gelegenheid moeten hebben om de modaliteiten van de ontbinding te regelen daartoe weinig overtuigend is, omdat na ontbinding in alle gevallen afwikkeling moet volgen.

5.10

De conclusie luidt dat grief 2 slaagt en dat het hof de ontbinding van de maatschap zal uitspreken per 1 april 2015.
De gevolgen van ontbinding

5.11

De ontbinding van de maatschap per 1 april 2015 heeft tot gevolg dat de maatschap is geëindigd (vgl. artikel 12 sub f van de maatschapsakte), zodat een verdeling van het maatschapsvermogen dient plaats te vinden conform het bepaalde in het hiervoor onder rechtsoverweging 2.6 geciteerde artikel 13 van de maatschapsakte. Alvorens hiertoe kan worden overgegaan, dient de positie van het bedrijf in [B] te worden bepaald.

5.12

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 1 april 2015 ten aanzien van het bedrijf in [B] geoordeeld dat [geïntimeerde] , gelet op het bepaalde in artikel 14 lid 1 sub e van de maatschapsakte, recht heeft op overname van dat bedrijf (zijnde de boerderij, de ligboxenstal en de landerijen), hierna ook wel aangeduid met: locatie [B] , tegen de aanschafwaarde. Tegen dit oordeel richt zich de derde grief van [appellanten] c.s.

5.13

[appellanten] c.s. zijn van mening dat het in artikel 14 lid 1 sub e van de maatschapsakte opgenomen recht enkel en alleen aan [geïntimeerde] is toegekend met het oog op de continuïteit van de maatschap, zodat [geïntimeerde] bij beëindiging van de maatschap hierop geen beroep toekomt. Ter onderbouwing van dit standpunt stellen [appellanten] c.s. dat deze bepaling is opgenomen onder het kopje "Voortzetting" en dat partijen uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat indien [geïntimeerde] gebruik wenst te maken van het recht om de boerderij te [B] over te nemen, hij verplicht is om deze boerderij in gebruik en genot aan de maatschap ter beschikking te stellen. Achtergrond van de bepaling is dat de inbrengverhoudingen ten tijde van het aangaan van de maatschap behoorlijk scheef waren en men getracht heeft [geïntimeerde] een evenwichtiger positie binnen de maatschap te geven door overeen te komen dat gedurende het bestaan van de maatschap aan [geïntimeerde] het recht werd toegekend om de locatie [B] over te nemen onder de verplichting het gebruik en genot daarvan in te brengen in de maatschap. Nu evenwel sprake is van beëindiging van de maatschap, is vanzelfsprekend geen sprake meer van voortzetting, zodat artikel 14 lid 1 sub e niet meer door [geïntimeerde] kan worden ingeroepen, aldus [appellanten] c.s.. [appellanten] c.s. menen dat [geïntimeerde] het artikel slechts heeft ingeroepen met als enig doel zo snel mogelijk een eigen bedrijf te beginnen en daarmee een breuk in de maatschap te forceren. Daarmee is volgens [appellanten] c.s. sprake van misbruik van recht.

5.14

[geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat de eigenlijke wens van partijen altijd is geweest dat [geïntimeerde] eigenaar zou worden van het bedrijf in [B] en dat de bepaling tegen die achtergrond in de maatschapsakte is opgenomen. Daarbij betoogt [geïntimeerde] dat hij steeds heeft aangegeven de maatschap te willen voortzetten en de locatie [B] na verkrijging daarvan te willen inbrengen in de maatschap. Nu [appellanten] c.s. de ontbinding van de maatschap vorderen, is het aan henzelf te wijten dat inbreng van het bedrijf in de maatschap niet langer mogelijk is, aldus [geïntimeerde] .

5.15

Het hof overweegt als volgt.

5.16

Kern van het geschil betreft de vraag of [geïntimeerde] een beroep toekomt op het bepaalde in artikel 14 lid 1 sub e van de maatschapsakte. Het hof acht bij de beantwoording van die vraag allereerst van belang tegen welke achtergrond de bepaling in deze akte is opgenomen. Tussen partijen is niet in geschil dat zij bij het aangaan van de maatschapsakte voor ogen hadden dat [geïntimeerde] op enig moment de gelegenheid zou moeten krijgen om de locatie [B] in eigendom te verkrijgen, terwijl dat op het moment van aangaan van de maatschapsakte nog niet mogelijk was, omdat [geïntimeerde] daartoe geen financiering kon verkrijgen. Het hof wijst in dat kader op de notitie van het gesprek dat [appellanten] c.s. en [geïntimeerde] voorafgaand aan het aangaan van de maatschapsakte hebben gevoerd bij hun adviseur van AcconAVM accountants van 25 januari 2006. Daarin is opgenomen: "De eigenlijke wens van beide partijen, [appellant] en [geïntimeerde] , is dat [geïntimeerde] de eigenaar van de aan te kopen boerderij en grond [hof: te [B] ] wordt. Op welke wijze kan [geïntimeerde] zekerheid krijgen op deze onroerende zaken met zo min mogelijk belastingkosten, met name overdrachtsbelasting?". Op grond hiervan neemt het hof tot uitgangspunt dat partijen deze wens tot uitdrukking hebben gebracht in artikel 14 lid 1 sub e van de maatschapsakte, waarbij partijen zijn overeengekomen dat het [geïntimeerde] is toegestaan gedurende de looptijd van de maatschap de boerderij, ligboxenstal en landerijen te [B] voor de aanschafwaarde over te nemen, indien hij de wens daartoe te kennen geeft en onder de verplichting deze vervolgens in gebruik en genot aan de maatschap ter beschikking te stellen. De verkrijging van de locatie [B] door [geïntimeerde] zou aldus in het kader van de samenwerking van partijen binnen de maatschap plaatsvinden.

5.17

[appellanten] c.s. stellen zich op het standpunt dat [geïntimeerde] geen beroep toekomt op artikel 14 lid 1 sub e van de maatschapsakte omdat [geïntimeerde] nooit de intentie heeft gehad om de locatie [B] na verkrijging daarvan in gebruik en genot ter beschikking te stellen aan de maatschap, maar de locatie [B] zelfstandig wilde gaan exploiteren. Aldus is geen sprake van voortzetting van de maatschap, en mist artikel 14 lid 1 sub e toepassing.
Het hof volgt [appellanten] c.s. niet in dit betoog en overweegt daartoe het volgende. [geïntimeerde] heeft op enig moment zijn wens om de locatie [B] over te nemen aan [appellanten] c.s. kenbaar gemaakt. Hij heeft daarbij van meet af aan verklaard dat hij de boerderij in gebruik en genot aan de maatschap ter beschikking zou stellen. Ook nadat [appellanten] c.s. bij brief van 3 oktober 2013 te kennen hebben gegeven de maatschap met wederzijds goedvinden te willen beëindigen, omdat zij gewaargeworden waren dat [geïntimeerde] de locatie [B] zelfstandig wenste te gaan exploiteren, bleven de intenties van [geïntimeerde] ongewijzigd. Het hof wijst in dat verband op de ongedateerde brief van de advocaat van [geïntimeerde] waarin deze, in reactie op de al genoemde brief van 3 oktober 2013, schrijft: "Cliënt kan zich niet vinden in de inhoud van uw brief. Hij wenst de maatschap te continueren, zoals hij dat in het verleden ook heeft gedaan. Daarnaast wenst hij gebruik te maken van zijn recht zoals omschreven in de maatschapsakte in artikel 14 lid 1 sub e. Niet meer en niet minder. (…) Geheel ten overvloede, wenst cliënt deze wens nogmaals uitdrukkelijk bij u en uw cliënten schriftelijk onder de aandacht te brengen. Cliënt wenst de boerderij, ligboxenstal en landerijen te [B] bij partijen genoegzaam bekend voor de aanschafwaarde aan te kopen en zal deze vervolgens in gebruik en genot aan de maatschap ter beschikking stellen." Vervolgens heeft [geïntimeerde] zowel bij de conclusie van antwoord, tevens van eis in reconventie d.d. 19 februari 2014 als in zijn pleitaantekeningen ten behoeve van de comparitie d.d. 23 juni 2014 verklaard nog steeds de intentie te hebben de maatschap te continueren. Dat [geïntimeerde] tevens de wens heeft geuit, en daartoe voorbereidingen heeft getroffen, op termijn de locatie in [B] zelfstandig te exploiteren, doet hier niet aan af, omdat de in de maatschapsakte opgenomen afspraken tussen partijen er niet aan in de weg staan dat [geïntimeerde] op termijn [B] zelfstandig gaat exploiteren. In artikel 14 lid 1 sub e van de maatschapsakte is ook geen termijn gegeven gedurende welke partijen na overname van de locatie [B] door [geïntimeerde] de maatschap zouden moeten continueren. Anders gezegd: ook indien het recht van [geïntimeerde] de locatie [B] te verkrijgen was geëffectueerd en het gebruik en genot van de locatie [B] dientengevolge door [geïntimeerde] ter beschikking was gesteld aan de maatschap, stond het bepaalde in artikel 14 lid 1 sub e van de maatschapsakte er niet aan in de weg dat [geïntimeerde] op een later moment zou overgaan tot beëindiging van de maatschap, teneinde locatie [B] zelfstandig te gaan exploiteren.

5.18

Voor zover [appellanten] c.s. voorts hebben gesteld dat uit het feit dat [geïntimeerde] heeft afgezien van een investering in de nieuwe ligboxstal in [A] (zie rechtsoverweging 2.8) kan worden afgeleid dat [geïntimeerde] de intentie had de locatie [B] zelfstandig te exploiteren zonder het gebruik en genot hiervan (eerst) aan de maatschap ter beschikking te willen stellen, volgt het hof hen daarin niet. [geïntimeerde] heeft in dit kader verklaard dat de reden dat hij niet (langer) wilde investeren in de ligboxstal gelegen was in de omstandigheid dat hij de locatie [B] wilde overnemen en het doen van twee investeringen (in de ligboxstal én [B] ) niet haalbaar was. Dat laat onverlet dat [geïntimeerde] het gebruik en genot van de locatie [B] , zoals hij steeds heeft verklaard, conform artikel 14 lid 1 sub e van de maatschapsakte ter beschikking aan de maatschap wenste te stellen. Bepalend is dus in beginsel het antwoord op de vraag of [geïntimeerde] na overname van de locatie [B] de maatschap wenste voort te zetten en de locatie [B] in gebruik en genot aan de maatschap ter beschikking wenste te stellen. Het antwoord op die vraag luidt, gelet op het bovenstaande, bevestigend.

5.19

Het feit dat [geïntimeerde] als gevolg van de ontbinding van de maatschap inmiddels niet langer in staat is de locatie [B] na verkrijging daarvan in gebruik en genot aan de maatschap ter beschikking te stellen, staat er naar het oordeel van het hof niet aan in de weg dat hij zijn recht uitoefent om op grond van artikel 14 lid 1 sub e van de maatschapsakte de locatie [B] over te nemen. Daartoe is redengevend dat het [appellanten] c.s. zijn die hebben aangestuurd op een breuk van partijen, door al op 3 oktober 2013 aan te kondigen een vordering tot ontbinding van de maatschap in te zullen dienen en deze vordering (ook in hoger beroep) te handhaven. Daarmee is het aan [appellanten] c.s. te wijten dat de bepaling dat de locatie [B] na verkrijging daarvan door [geïntimeerde] in gebruik en genot aan de maatschap ter beschikking dient te worden gesteld, inmiddels illusoir is geworden. Die bepaling kan dan ook niet door [appellanten] c.s. aan [geïntimeerde] worden tegengeworpen. Dat zou alleen anders zijn indien [geïntimeerde] de maatschap zelf zou hebben opgezegd of indien hij ontbinding van de maatschap zou hebben gevorderd, maar zoals uit het voorgaande blijkt is daarvan geen sprake.

5.20

Voor zover [appellanten] c.s. zich voorts op het standpunt hebben gesteld dat [geïntimeerde] misbruik van recht maakt, door in een (te) laat stadium kenbaar te maken dat hij een beroep wenste te doen op artikel 14 lid 1 sub e van de maatschapsakte terwijl hij wist dat de investering van [appellanten] c.s. in de nieuwe ligboxstal alleen rendabel kon worden gemaakt wanneer zowel de locatie [A] als de locatie [B] bij de maatschap in gebruik zouden zijn (en blijven), volgt het hof hen hierin evenmin. Het hof overweegt hiertoe dat [appellanten] c.s. zelf in hun inleidende dagvaarding hebben verklaard dat [geïntimeerde] nog voordat de gemeenteraad eind november 2012 akkoord was gegaan met de bouw van de nieuwe ligboxstal, in oktober 2012 had laten doorschemeren dat hij op den duur voor zichzelf zou willen beginnen. Deze wens is ook aan de orde geweest tijdens een bespreking met de accountant van partijen, de heer [G] , op 7 november 2012. [appellanten] c.s. hebben verklaard dat partijen tijdens die bespreking van gedachten hebben gewisseld over een uittreden van [geïntimeerde] op een termijn van vijf tot tien jaar. [geïntimeerde] heeft vervolgens in november 2012 een ondernemingsplan opgesteld, gericht op de zelfstandige exploitatie van de locatie [B] . Vast staat dat [appellanten] c.s. van dit plan op de hoogte waren, getuige de kritische opmerkingen die [appellante] in de kantlijnen van het plan geplaatst heeft. In het ondernemingsplan van [geïntimeerde] staat voorts onder punt 1.4 "Strategie" omschreven dat [geïntimeerde] de samenwerking met [appellanten] c.s. na verkrijging van de locatie [B] geleidelijk wenste af te bouwen tot 2020. Aldus constateert het hof dat [appellanten] c.s. nog voordat de bouw van de ligboxstal in december 2012 aanving, op de hoogte waren van de plannen van [geïntimeerde] om de locatie [B] met een beroep op artikel 14 lid 1 sub e van de maatschapsakte over te nemen, en in de daaropvolgende periode tot 2020 de samenwerking met [appellanten] c.s. af te bouwen. Dat de samenwerking tussen partijen vervolgens sneller is verbroken en de investering van [appellanten] c.s. in de ligboxstal dientengevolge niet rendabel gemaakt kan worden, kan [geïntimeerde] niet worden tegengeworpen, nu zulks het gevolg is van het eigen handelen van [appellanten] c.s., die reeds in oktober 2013 hebben aangekondigd de maatschap te willen ontbinden, ondanks de intenties van [geïntimeerde] de maatschap nog enkele jaren te continueren.

5.21

De conclusie luidt dan ook dat [appellanten] c.s. terecht zijn veroordeeld tot medewerking aan de verkoop en levering tegen aanschafwaarde van de boerderij, de ligboxenstal en de landerijen te [B] .

5.22

Grief 3 faalt.
Begrip aanschafwaarde

5.23

Nu het hof hiervoor heeft overwogen dat de reconventionele vordering van [geïntimeerde] tot toewijzing van de locatie [B] aan hem terecht is toegewezen, komt het toe aan de vierde grief van [appellanten] c.s. Daarin betogen zij dat onder het begrip 'aanschafwaarde', zoals gedefinieerd in artikel 14 lid 1 sub e van de maatschapsakte, dient te worden verstaan het bedrag waarvoor het bedrijf in [B] destijds (door [appellant] ) is aangekocht, zijnde € 810.000,-, te vermeerderen met de kosten van de nadien in [B] aangebrachte verbeteringen en gedane investeringen en de aankoopkosten, alsmede de destijds door [appellant] betaalde overdrachtsbelasting, voor zover deze uitgaven specifiek ten behoeve van de locatie [B] zijn gedaan. Ter zake hiervan maken [appellanten] c.s. aanspraak op een bedrag van € 86.160,-.

5.24

Bij de beoordeling van deze grief stelt het hof voorop dat [geïntimeerde] in zijn memorie van antwoord de verschuldigdheid van een bedrag van € 14.760,- ter zake van overdrachtsbelasting erkent, zodat de vordering van [appellanten] c.s. in ieder geval tot dat bedrag kan worden toegewezen.

5.25

Ten aanzien van de stelling van [appellanten] c.s. dat onder het begrip 'aanschafwaarde' niet alleen de destijds door [appellant] betaalde koopprijs van € 810.000,- moet worden verstaan, maar dat daaronder ook de nadien gedane investeringen en de aankoopkosten dienen te worden begrepen, overweegt het hof als volgt. De vraag hoe in een schriftelijk contract als het onderhavige de verhouding tussen partijen is geregeld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltexnorm). De taalkundige betekenis van de bewoordingen van het geschrift, gelezen in de context ervan als geheel, zullen in praktisch opzicht wel vaak van groot belang zijn bij de uitleg van een geschrift.

5.26

Naar het oordeel van het hof kan de tekst van artikel 14 lid 1 sub e van de maatschapsakte bezwaarlijk anders worden gelezen dan dat het [geïntimeerde] is toegestaan de locatie [B] onder de genoemde voorwaarden voor de aanschafwaarde, derhalve voor € 810.000,-, over te nemen. Zonder onderbouwing - die ontbreekt - valt niet in te zien dat door [geïntimeerde] op grond van de maatschapsovereenkomst ook kosten of investeringen dienen te worden betaald die niet tot waardeverhoging hebben geleid. Ook voor het overige zijn door [appellanten] c.s. onvoldoende feiten gesteld die kunnen leiden tot het oordeel dat het partijen in afwijking van de tekst van de maatschapsakte voor ogen stond in de becijfering van de aanschafwaarde ook andere kosten mee te nemen, zoals gedane investeringen en aankoopkosten.

5.27

Voor zover [appellanten] c.s. subsidiair hebben gesteld dat [geïntimeerde] ongerechtvaardigd is verrijkt met het door hen becijferde bedrag van € 86.160,- ter zake van gedane investeringen en aankoopkosten, volgt het hof hen daarin niet. De omstandigheid dat [geïntimeerde] een voordeel geniet door de locatie [B] tegen de aanschafwaarde over te nemen vindt immers zijn rechtvaardiging in artikel 14 lid 1 sub e van de maatschapsakte, in welk artikel nadere bepalingen omtrent waardeverhogende investeringen ontbreken.

5.28

Voor zover [appellanten] c.s. meer subsidiair (punt 52 memorie van grieven) hebben betoogd dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid meebrengt dat [geïntimeerde] [appellanten] c.s. financieel dient te compenseren, begrijpt het hof dit standpunt aldus dat [appellanten] c.s. een vergoeding van [geïntimeerde] wensen te ontvangen voor de (eventuele) waardevermeerdering die als gevolg van de door hen gedane investeringen is ontstaan. Het hof zal ieder oordeel op dit punt aanhouden, en deze vordering op de hierna te gelasten comparitie met partijen bespreken.
Recht op schadevergoeding?

5.29

[appellanten] c.s. stellen zich met hun vijfde grief op het standpunt dat [geïntimeerde] gehouden is de schade te voldoen die [appellanten] c.s. lijden doordat na afsplitsing van de locatie [B] hun investering in de nieuwe ligboxenstal niet ten volle benut kan worden. [appellanten] c.s. stellen dat deze schade het gevolg is van toerekenbaar tekortschieten van [geïntimeerde] in de nakoming van de uit hoofde van de maatschapsakte op hem rustende verplichtingen, althans dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat [geïntimeerde] deze schade dient te vergoeden.

5.30

Uit hetgeen het hof hiervoor onder rechtsoverweging 5.17 tot en met 5.21 heeft overwogen, volgt dat [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof niet toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van de maatschapsakte, zodat dit geen grondslag kan bieden voor de toekenning van enige schadevergoeding.

5.31

Voor zover [appellanten] c.s. hebben betoogd dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat [geïntimeerde] gehouden is de door [appellanten] c.s. geleden schade te vergoeden, volgt het hof hen daarin evenmin. Het hof overweegt daartoe dat uit het bovenstaande blijkt dat het [geïntimeerde] vrij stond een beroep te doen op het bepaalde in artikel 14 lid 1 sub e van de maatschapsakte, terwijl de omstandigheid dat hij de locatie [B] inmiddels niet meer in gebruik en genot aan de maatschap ter beschikking kan stellen hem niet kan worden tegengeworpen, nu het [appellanten] c.s. zijn die ontbinding van de maatschap hebben gevorderd en daarmee verhinderen dat [geïntimeerde] het gebruik en genot van de locatie [B] in kan brengen.

5.32

Op grond van het vorenstaande dient grief vijf te falen.
Verdeling van de maatschap

5.33

Het hof constateert dat de grieven 6 tot en met 12 in principaal appel en de grieven 1 tot en met 3 in incidenteel appel zien op verschillende onderdelen van de (financiële) afwikkeling van de maatschap, terwijl partijen in artikel 13 van de maatschapsakte overeen zijn gekomen op welke wijze het vermogen van de maatschap bij beëindiging daarvan verdeeld dient te worden. Het bepaalde in artikel 13 van de maatschapsakte heeft dan ook, behoudens indien partijen daar eenstemmig van af wensen te wijken, tot uitgangspunt te gelden bij de afwikkeling van de maatschap.

5.34

Het hof overweegt om één of meer deskundigen te benoemen teneinde zich te laten voorlichten over de in artikel 13 van de maatschapsakte voorgeschreven waardering van verschillende bestanddelen van het maatschapsvermogen. Het hof zal een comparitie van partijen gelasten om van partijen inlichtingen te verkrijgen over de in 5.33 genoemde afwikkeling van de maatschap en in dat verband het benoemen van de deskundige(n), en de aan de deskundige(n) te stellen vragen met partijen te bespreken. Beide partijen dienen voorafgaand aan de comparitie, zo mogelijk eenparig, per brief aan het hof voorstellen over het aantal en de persoon van de deskundige(n) en de te stellen vragen te formuleren.

5.35

De te gelasten comparitie van partijen zal tevens dienen voor het beproeven van een minnelijke regeling.

5.36

In verband met het bevorderen van een vruchtbaar verloop van de comparitie wenst het hof tevens te beschikken over de balans per 1 mei 2006 (zoals genoemd in artikel 3 van de wijziging maatschapsakte) alsmede over de drie laatst vastgestelde jaarrekeningen. Het hof zal [appellanten] c.s. opdragen deze stukken in het geding te brengen.

5.37

Tot slot wenst het hof van [geïntimeerde] een nadere toelichting met betrekking tot zijn standpunt over het ten laste van de maatschap brengen van de rente en afschrijving van de nieuwe ligboxenstal, gelet op de tegenstrijdige standpunten die hij op dit punt heeft ingenomen. Het hof doelt daarmee op de stelling van [geïntimeerde] in zijn memorie van antwoord (onder punt 28) dat de rente en jaarlijkse afschrijvingen van de ligboxenstal conform artikel 8 lid 2 van de maatschapsakte ten laste van de maatschap dienen te komen, terwijl hij in incidenteel appel onder punt II van het petitum tevens schadevergoeding vordert vanwege (onder andere) het ten onrechte door [appellanten] c.s. ten laste van de maatschap brengen van de rente en afschrijvingen van de nieuwe ligboxenstal.

5.38

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

6 De beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

alvorens verder te beslissen:

beveelt partijen tezamen met hun advocaten te verschijnen voor het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling;

bepaalt dat deze verschijning van partijen zal worden gehouden in het Paleis van Justitie, Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden, op een nog nader te bepalen dag en uur voor de meervoudige kamer van dit hof;

verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 24 april 2018 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en van hun raadslieden voor de periode van drie maanden na bovengenoemde rolzitting, waarna de voorzitter van de meervoudige kamer dag en uur van de verschijning zal vaststellen;

bepaalt dat [appellanten] c.s. bij akte de onder rechtsoverweging 5.33 en 5.35 vermelde bescheiden in het geding dienen te brengen en dat een kopie van die akte uiterlijk veertien dagen voor de datum van de comparitie moet worden gezonden aan de griffie van het hof en aan de wederpartij;

bepaalt dat [geïntimeerde] bij akte de onder rechtsoverweging 5.33 en 5.36 vermelde bescheiden in het geding dient te brengen en dat een kopie van die akte uiterlijk veertien dagen voor de datum van de comparitie moet worden gezonden aan de griffie van het hof en aan de wederpartij;

verstaat, voor het geval één van partijen zich tijdens vorenbedoelde comparitie wenst te beroepen op de inhoud van schriftelijke bescheiden, dat deze bescheiden ter comparitie bij akte in het geding moeten worden gebracht, alsmede dat een kopie van die akte uiterlijk veertien dagen voor de datum van de comparitie moeten worden gezonden aan de griffie van het hof en aan de wederpartij;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. J.D.S.L. Bosch, voorzitter, mr. M.W. Zandbergen en mr. J. Smit en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 27 maart 2018.