Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:2786

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
27-03-2018
Zaaknummer
200.222.904/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervallen verklaren schriftelijke aanwijzing. Voldoet niet aan de eisen die de wet daaraan stelt. Niet vast te stellen of de moeder in voldoende mate haar zienswijze op het voorgenomen besluit kenbaar heeft kunnen maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.222.904/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/154755 / FJ RK 17-422)

beschikking van 20 maart 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. W.G. ten Have te Winschoten,

en

de gecertificeerde instelling

Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,

kantoorhoudende te Leeuwarden,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als (overige) belanghebbenden zijn aangemerkt:

[de pleegouders] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 30 juni 2017 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 8 september 2017;

- het verweerschrift met productie(s);

- het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank op 16 juni 2017, ingekomen 14 september 2017;

- een brief van de raad voor de kinderbescherming van 22 september 2017,

- een brief van de GI van 16 februari 2018 met productie(s);

- een brief van mr. Ten Have van 19 februari 2018 met productie(s);

- een brief van mr. Ten Have van 20 februari 2018 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 2 maart 2018 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.A.M. Staal-Olislaegers, een kantoorgenoot van mr. Ten Have. Namens de GI zijn verschenen mevrouw [C] en mevrouw [D] . Tot slot zijn verschenen de pleegouders. Mr. Staal-Olislaegers heeft een pleitnota overgelegd.

3 De feiten

3.1

Uit de moeder is [in] 2011 geboren [de minderjarige] (hierna te noemen: [de minderjarige] ). De biologische vader van [de minderjarige] ( [E] ) is niet bij haar betrokken. De moeder oefent van rechtswege alleen het gezag over [de minderjarige] uit.

3.2

[de minderjarige] staat sinds 22 januari 2016 onder toezicht, laatstelijk verlengd tot 22 juli 2018. Met ingang van 29 april 2016 is [de minderjarige] op basis van een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst. Ook deze maatregel is laatstelijk verlengd tot 22 juli 2018.

3.3

[de minderjarige] woont sinds 3 augustus 2016 bij de pleegouders. Voor zover hier van belang was sinds die tijd tot aan 24 september 2016 sprake van een regeling waarbij tussen de moeder en [de minderjarige] onder begeleiding wekelijks contact was gedurende twee uren. Nadien is (met een schriftelijke aanwijzing van 3 februari 2017) een regeling vastgesteld waarbij tussen de moeder en [de minderjarige] eens per twee weken gedurende drie uren zonder begeleiding contact plaatsvond.

3.4

De GI heeft op 13 april 2017 de beslissing genomen om gedurende de uithuisplaatsing van [de minderjarige] de contacten tussen de moeder en [de minderjarige] (verder) te beperken. Deze beslissing is schriftelijk afgegeven in de vorm van een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:265f Burgerlijk Wetboek (BW). Uit die aanwijzing blijkt dat de contacten tussen de moeder en [de minderjarige] over de periode van 13 april 2017 tot 4 juni 2018 zijn beperkt tot contacten onder begeleiding, eens per acht weken gedurende één uur in het kantoor van de GI.

3.5

De moeder heeft de kinderrechter verzocht de schriftelijke aanwijzing van 13 april 2017 vervallen te verklaren en een regeling vast te stellen als de kinderrechter in het belang van [de minderjarige] wenselijk voorkomt. Ter zitting heeft de moeder haar verzoek aangevuld in die zin dat zij de kinderrechter subsidiair heeft verzocht om een deskundige ex artikel 810a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te benoemen met betrekking tot het te verrichten persoonlijkheidsonderzoek van de moeder.

3.6

De kinderrechter heeft bij de bestreden beschikking de verzoeken van de moeder afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de wijze van tot stand komen van de schriftelijke aanwijzing van 13 april 2017, alsmede de aard, de frequentie en de duur van de beperking van de contacten tussen de moeder en [de minderjarige] zoals in die schriftelijke aanwijzing opgenomen.

4.2

De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen waarbij de moeder zich op het standpunt stelt dat de aanwijzing onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. De moeder verzoekt het hof (na aanvulling van haar verzoek ter zitting) de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de schriftelijke aanwijzing van 13 april 2017 vervallen te verklaren en een regeling vast te stellen waarbij de contacten tussen de moeder en [de minderjarige] onbegeleid plaatsvinden, eenmaal per twee weken gedurende drie uren, dan wel een zodanige regeling vast te stellen als het hof in het belang van [de minderjarige] wenselijk voorkomt.

4.3

De GI heeft verweer gevoerd.

4.4

Het hof zal de grieven gezamenlijk beoordelen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:265f lid 1 BW kan de GI, voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van de minderjarige, de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige voor de duur van de uithuisplaatsing beperken. Ingevolge lid 2 van dat artikel geldt de beslissing van de GI als een schriftelijke aanwijzing. Een aanwijzing moet worden beschouwd als een beschikking in de zin van artikel 1.3 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hieruit volgt dat de algemene bepalingen over besluiten en de bijzondere bepalingen over beschikkingen zoals opgenomen in de Awb van toepassing zijn.

5.2

Het hof is van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing van 13 april 2017, zoals ook de moeder stelt, niet voldoet aan de eisen die daar ingevolge de Awb aan moeten worden gesteld en overweegt daartoe als volgt.

5.3

De beslissing van de GI op 13 april 2017 om de contacten tussen de moeder en [de minderjarige] over de periode van 13 april 2017 tot 4 juni 2018 (verder) te beperken tot eens per acht weken gedurende één uur onder begeleiding in het kantoor van de GI is een zeer ingrijpende maatregel. Dit geldt te meer nu tussen de moeder en [de minderjarige] op basis van een (eerdere) aanwijzing van 3 februari 2017 een veel ruimere regeling gold waarbij sprake was van onbegeleide contacten, eenmaal per twee weken gedurende drie uren. Een dergelijke ingrijpende beslissing moet voldoende zorgvuldig worden voorbereid en deugdelijk worden gemotiveerd.

5.4

Vast is komen te staan dat de GI de moeder per e-mail van 7 april 2018 heeft uitgenodigd voor een gesprek op 13 april 2017. Het doel van dat gesprek was, zoals blijkt uit die e-mail, het bespreken van het perspectief van [de minderjarige] en daarmee samenhangend de omgang. Bij die e-mail is niet aangekondigd dat de GI voornemens was de contacten tussen de moeder en [de minderjarige] (verder) te beperken en op grond waarvan. De GI heeft de moeder voor het eerst tijdens dat gesprek op 13 april 2017 medegedeeld voornemens te zijn de contacten (met onmiddellijke ingang) (verder) te beperken. Voor het hof is niet vast te stellen welke redenen de GI daarvoor tijdens dat gesprek heeft aangedragen, omdat de GI en de moeder over de inhoud van dat gesprek van mening verschillen en het hof niet in het bezit is van bijvoorbeeld een schriftelijk verslag van dat gesprek. Op basis van de stukken is dan ook niet vast te stellen dat de GI de moeder in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld om voorafgaand aan de schriftelijke aanwijzing haar zienswijze op het voorgenomen besluit van de GI en op de argumenten waarop dat voornemen van de GI was gestoeld kenbaar te maken. Een en ander klemt te meer, nu uit de schriftelijke aanwijzing en de mondelinge toelichting van de GI ter zitting blijkt dat de GI op 7 april 2017 een zogenoemde CHOP (Checklist Oudercontacten in de Pleegzorg) heeft ingevuld en de uitkomsten daarvan sterk bepalend zijn geweest voor het vaststellen van de aard, de frequentie en de duur van de contacten zoals verwoord in de schriftelijke aanwijzing, terwijl deze CHOP onbetwist vooraf noch nadien in het bezit is gesteld van de moeder.

5.5

Het feit dat de CHOP een interne tool is en om die reden, zoals de GI stelt, niet aan de moeder ter beschikking hoeft te worden gesteld, deelt het hof niet zonder meer. Zoals blijkt uit de schriftelijke aanwijzing is de beslissing van de GI immers wel mede gegrond op die CHOP terwijl uit de motivering van die aanwijzing noch op een andere manier blijkt welke feiten en/of omstandigheden bij het invullen van die CHOP zijn meegewogen, in hoeverre deze een rol hebben gespeeld en op welke wijze daarin de zienswijze van de moeder is meegewogen.

5.6

Dat het gesprek uit de hand is gelopen en voortijdig door de GI is beëindigd, leidt niet tot een ander oordeel. Het onaangename verloop van dat gesprek laat immers onverlet dat niet is gebleken dat de moeder in voldoende mate in staat is gesteld haar zienswijze te geven op het voornemen van de GI om de contacten tussen de moeder en [de minderjarige] (verder) te beperken en op de argumenten waarop dat voornemen van de GI was gestoeld. In dit kader heeft het hof meegewogen dat ook niet valt uit te sluiten dat dit gesprek uit de hand is gelopen omdat de moeder voorafgaand aan dat gesprek niet op de hoogte was van het voornemen van de GI om de contacten tussen haar en [de minderjarige] (fors) verder te beperken en zich tijdens dat gesprek overvallen heeft gevoeld. Een en ander rechtvaardigt overigens zeker niet de (ernstige) bedreigingen die tijdens dat gesprek op 13 april 2017 door oma moederszijde richting de jeugdzorgwerker (en haar kinderen) zijn geuit.

5.7

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de schriftelijke aanwijzing onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. Het hof zal dan ook de bestreden beschikking vernietigen en opnieuw rechtdoende (alsnog) het verzoek van de moeder om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren toewijzen.

5.8

Ingevolge artikel 1:265f lid 2 BW kan het hof vervolgens, zoals ook door de moeder is verzocht, een regeling bepalen die het in het belang van [de minderjarige] voorkomt. Het hof acht zich op grond van de beschikbare informatie echter onvoldoende voorgelicht om een dergelijke regeling vast te stellen. Uit de stukken is het hof gebleken dat [de minderjarige] een bijzonder kwetsbaar meisje is met een fors belast verleden. [de minderjarige] heeft voorafgaand aan de plaatsing bij haar pleegouders weinig stabiliteit en (emotionele) veiligheid gekend. Er was sprake van veelvuldig huiselijk geweld, bij voortduring sprake van wisselingen in opvoeders (moeder, de vader van haar halfzussen, haar oma, een neutraal pleeggezin), alsook veelvuldige wisselingen in (complexe) gezinssystemen met de (ex-)vriend van haar moeder, haar halfbroer en halfzussen alsmede de drie stiefkinderen van de moeder. Uit psychodiagnostisch onderzoek is in maart 2017 gebleken dat [de minderjarige] overduidelijk kenmerken vertoont van gedesorganiseerde hechtingsproblematiek. De paradoxale emotionele onveiligheid heeft er zorg voor gedragen dat [de minderjarige] overlevingsgedrag is gaan vertonen met een grenzeloze behoefte aan aandacht en bevestiging enerzijds en dwingend alsook uitdagend gedrag anderzijds. De moeder betwist de resultaten van dat onderzoek en de zorgen die er over [de minderjarige] zijn maar haar ontkenning overtuigt het hof niet. Voor het hof staat vast dat er onverkort aanzienlijke zorgen over [de minderjarige] zijn nu deze zorgen door diverse professionals zijn vastgesteld. Het hof stelt voorts vast dat de moeder de uithuisplaatsing van [de minderjarige] niet kan accepteren. Ondanks dat door diverse professionals is aangegeven dat het in het belang van [de minderjarige] is dat de moeder haar emotionele toestemming geeft om in het pleeggezin te verblijven, is de moeder tot op heden niet in staat om [de minderjarige] die (emotionele) toestemming te geven. Ook over het gedrag van de moeder, te weten grilligheid, argwaan, het afstoten en aantrekken en een gering vermogen tot zelfreflectie, zijn zorgen. Daarnaast is het hof gebleken dat de onrust in de verschillende gezinssystemen rondom moeder onverkort aanwezig zijn. Zo zijn [F] en [G] sinds kort onder toezicht geplaatst, zijn zij in de vorm van een tijdelijke maatregel bij de moeder komen wonen en heeft de moeder haar relatie met de heer [H] (weer) voortgezet. Voorts staat vast dat de samenwerking tussen de GI en de moeder zeer moeizaam is verlopen en de werkrelatie zodanig onder druk is komen te staan dat de kinderrechter recent de GI heeft vervangen door een andere gecertificeerde instelling, te weten Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (hierna: het LJ&R).

5.9

Op basis van alle forse zorgen en de ernst daarvan is het voor het hof duidelijk dat het in verband met de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is dat de contacten tussen de moeder en [de minderjarige] in frequentie en duur worden beperkt. Ook zullen deze contacten begeleid moeten worden door een professional. In hoeverre een beperking in de begeleide contacten tussen de moeder en [de minderjarige] in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is, is voor het hof echter op basis van de bij het hof bekende gegevens niet vast te stellen. Het hof sluit niet uit dat een regeling van begeleide contacten gedurende één uur per acht weken het meest passend is, maar het hof is daar onvoldoende van overtuigd. De feiten en omstandigheden die de GI bij het invullen van de CHOP heeft laten meewegen en de visie van de overige belanghebbenden daarop, zijn het hof onbekend. Ook is er inmiddels sprake van diverse nieuwe feiten en omstandigheden die mede van belang zijn voor de beoordeling van de vraag in hoeverre een beperking in de contacten tussen de moeder en [de minderjarige] noodzakelijk is. Zo is er een intensieve therapie voor [de minderjarige] ingezet en laat [de minderjarige] een hele voorzichtige positieve ontwikkeling bij de pleegouders zien.

5.10

Alle belangen afwegend, waarbij de belangen van [de minderjarige] de eerste overweging vormen, is het hof van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] wenselijk is dat het hof één contactmoment bepaalt teneinde de huidige gecertificeerde instelling, te weten het LJ&R, tijd en gelegenheid te geven om - gehoord ook de moeder - een (nieuwe) regeling op te stellen voor de periode daarna, welke regeling desgewenst in de vorm van een (nieuwe) schriftelijke aanwijzing aan de moeder kan worden gegeven en zo nodig weer aan de rechter kan worden voorgelegd. Het hof zal voor dit moment aansluiten bij het eerstvolgende moment zoals dat in de schriftelijke aanwijzing is opgenomen, te weten een begeleid contactmoment op 9 april 2018, van 15.00 tot 16.00 uur. Het hof gaat er daarbij van uit dat de huidige gecertificeerde instelling, het LJ&R, de locatie bepaalt.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 30 juni 2017, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en (in zoverre) opnieuw beschikkende:

verklaart de schriftelijke aanwijzing van 13 april 2017 vervallen;

bepaalt dat tussen de moeder en [de minderjarige] op 9 april 2018 tussen 15.00 en 16.00 uur een begeleid contact plaatsvindt op een locatie nader door het LJ&R te bepalen;

verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en C. Koopman, bijgestaan door mr. J. Robben als griffier en is op 20 maart 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.