Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:2754

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-03-2018
Datum publicatie
21-06-2018
Zaaknummer
200.225.023
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Machtiging beneficiaire aanvaarding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2018-0122
JERF 2018/227
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.225.023

(zaaknummer rechtbank Gelderland 5561143)

beschikking van 22 maart 2018

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de verzoeker,

advocaat: mr. H.C.J. Coumou te Apeldoorn,

en

de naamloze vennootschap Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V.,

gevestigd te Utrecht,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: het zorgkantoor,

advocaat: mr. G.A. van den Berg te Leiden.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[belanghebbende 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

[belanghebbende 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

[belanghebbende 3] ,

wonende te [woonplaats] ,

[belanghebbende 4] ,

wonende te [woonplaats] ,

[belanghebbende 5] ,

wonende te [woonplaats] ,

[belanghebbende 6] ,

met onbekende woon- of verblijfplaats,

[belanghebbende 7] ,

met onbekende woon- of verblijfplaats.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 1 juni 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 31 augustus 2017;

- het verweerschrift.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 22 februari 2018 plaatsgevonden. De verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens het zorgkantoor is mr. Van den Berg verschenen. Ook zijn verschenen [belanghebbende 1] , [belanghebbende 2] en [belanghebbende 5] .

3 De feiten

3.1

Op [overlijdensdatum] is [erflaatster] , op [geboortedatum] geboren te [geboorteplaats] ), (verder te noemen: erflaatster) overleden. Erflaatster woonde laatstelijk te [woonplaats] .

3.2

Erflaatster was ten tijde van haar overlijden ongehuwd en zij had geen geregistreerd partnerschap. Zij heeft niet bij testament over haar nalatenschap beschikt. Erflaatster is overleden met achterlating van acht kinderen. Haar zoon [belanghebbende 3] heeft de nalatenschap verworpen. De andere erfgenamen, met uitzondering van de verzoeker, hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard.

3.3

Tot de nalatenschap van erflaatster behoort een schuld aan het zorgkantoor omdat erflaatster een persoonsgebonden budget heeft ontvangen terwijl zij geen recht daarop had en gehouden was de onverschuldigd betaalde bedragen terug te betalen. Het zorgkantoor heeft in een brief van 31 augustus 2016 aan verzoeker bericht dat erflaatster een betalingsachterstand van € 125.538,92 heeft bij het zorgkantoor.

3.4

De verzoeker heeft op 28 oktober 2016 de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, verzocht hem op grond van artikel 4:194a lid 1 BW te machtigen tot het alsnog beneficiair aanvaarden van de nalatenschap van zijn moeder dan wel hem op grond van artikel 4:194a lid 2 BW te ontheffen van de verplichting de schuld aan het zorgkantoor uit eigen vermogen te voldoen. In het verzoekschrift dat namens verzoeker is ingediend door notaris mr. R.E.J. Bloem te Brummen is onder meer vermeld:

dat ondergetekende (hof: verzoeker) zich nimmer formeel heeft uitgesproken omtrent het al dan niet aanvaarden van vorengemelde nalatenschap;

dat blijkens bijgesloten brief van GGN Incasso & gerechtsdeurwaarders, gedateerd 31 augustus 2016, thans is gebleken dat erflaatster een betalingsachterstand had bij de naamloze vennootschap Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V., in totaal groot € 125.538,92;

dat ondergetekende voordien niet met het bestaand van vorengemelde schuld bekend was.”

De verzoeker heeft op 29 juni 2017 ter griffie van de rechtbank Gelderland (doen) verklaren dat hij de nalatenschap verwerpt.

3.5

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de verzoeken van de verzoeker afgewezen.

3.6

De verzoeker is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland van 1 juni 2017. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De verzoeker verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende de verzoeker alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek ex artikel 4:194a BW, dan wel zijn verzoek ex artikel 4:194a BW om de nalatenschap alsnog beneficiair te mogen aanvaarden af te wijzen bij gebrek aan belang doordat de verzoeker de nalatenschap inmiddels heeft verworpen dan wel reeds kon worden geacht de nalatenschap beneficiair te hebben aanvaard. Subsidiair verzoekt de verzoeker, indien alsnog komt vast te staan dat hij de nalatenschap wel zuiver heeft aanvaard, het verzoek alsnog toe te wijzen.

3.7

Het zorgkantoor voert verweer en verzoekt primair de verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep en subsidiair het verzoek van de verzoeker af te wijzen, met veroordeling van hem in de proceskosten en de wettelijke rente als de proceskosten niet binnen zeven dagen na dagtekening van de te wijzen beschikking zijn voldaan.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Verzoeken op grond van artikel 4:194a BW kunnen slechts worden gedaan door een erfgenaam die de nalatenschap zuiver heeft aanvaard. Verzoeker stelt in hoger beroep dat hij nooit zuiver heeft aanvaard en dat de kantonrechter heeft nagelaten dat te beoordelen. Dat roept de vraag op waarom hij dan verzoeken op de voet van artikel 4:194a BW heeft gedaan. Deze vraag is op de mondelinge behandeling bij het hof aan de orde gesteld. Verzoeker heeft verklaard dat hij met een medewerkster van de notaris heeft gesproken over de brief van het zorgkantoor en heeft gevraagd wat te doen. De medewerkster van de notaris heeft toen gesproken over beneficiaire aanvaarding. De advocaat van verzoeker heeft verklaard dat de medewerkster van de notaris hem heeft gezegd dat het verzoek bij de kantonrechter eigenlijk voorwaardelijk is ingediend, omdat de notaris niet heeft kunnen vaststellen of er wel of geen keuze ten aanzien van de nalatenschap was gemaakt en dat het verzoek zekerheidshalve vanwege de vervaltermijn van drie maanden na de ontdekking van de onverwachte schuld is ingediend.

4.2

Zuivere aanvaarding geschiedt door het afleggen van een verklaring van zuivere aanvaarding (art. 1:191 lid 1 BW), door feitelijk handelen (een daad van zuivere aanvaarding) (art. 192 lid 1 BW) of door na te laten binnen een door de kantonrechter op verzoek van een belanghebbende gestelde termijn een keuze te maken voor verwerping of aanvaarding (art. 4:192 lid 2 BW). Een erfgenaam die nog geen keuze heeft gemaakt, wordt geacht beneficiair te aanvaarden wanneer een of meer van zijn mede-erfgenamen door een verklaring beneficiair aanvaarden, tenzij hij alsnog de nalatenschap zuiver aanvaardt of verwerpt binnen drie maanden nadat hij van die beneficiaire aanvaarding kennis heeft gekregen (art. 4:192 lid 4 BW).

4.3

Vast staat dat de verzoeker geen verklaring van zuivere aanvaarding heeft afgelegd. Vast staat ook dat aan de verzoeker, die nog geen keuze had gemaakt, door de kantonrechter niet een termijn is gegeven waarbinnen hij alsnog een keuze diende te maken. Vast staat voorts dat de mede-erfgenamen (met uitzondering van [belanghebbende 3] die de nalatenschap verworpen heeft) de nalatenschap beneficiair hebben aanvaard, dat verzoeker daar in elk geval ten tijde van het indienen van het verzoek bij de kantonrechter kennis van had, zodat hij op de voet van artikel 4:194 lid 4 BW geacht wordt beneficiair te hebben aanvaard. De verklaring van verwerping is niet tijdig binnen drie maanden nadat verzoeker kennis kreeg van de beneficiaire aanvaarding door zijn broers en zussen afgelegd, zodat in weerwil van deze verklaring geen sprake is van verwerping van de nalatenschap door verzoeker.

4.4

Dat kan alleen nog anders zijn indien verzoeker zich op enig moment ondubbelzinnig en zonder voorbehoud heeft gedragen als een zuiver aanvaard hebbend erfgenaam. Dat dit het geval zou zijn is gesteld noch gebleken. Uit hetgeen de andere erfgenamen op de mondelinge behandeling hebben verklaard kan het hof niet anders afleiden dan dat verzoeker op geen enkele wijze betrokken is geweest bij de afwikkeling van de nalatenschap. Het hof is van oordeel dat uit het indienen van een verzoekschrift op grond van artikel 4:194a BW in de hiervoor onder 4.1 geschetste omstandigheden en gelet op de bewoordingen van het verzoekschrift niet afgeleid kan worden dat er daaraan voorafgaand sprake is geweest van zuivere aanvaarding. Het hof is voorts van oordeel dat het enkele feit van indiening van dit verzoekschrift in de gegeven omstandigheden evenmin gezien kan worden als een daad van zuivere aanvaarding. Dat laat onverlet dat het beter ware geweest dat de notaris niet namens verzoeker de verzoeken bij de kantonrechter had gedaan dan wel in zijn verzoekschrift zorgvuldiger had verwoord dat de verzoeken alleen werden gedaan voor het geval mocht blijken dat verzoeker toch zuiver zou hebben aanvaard. Nu de verzoeker de nalatenschap ten tijde van de indiening van het verzoekschrift niet zuiver had aanvaard, had de verzoeker niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in zijn verzoeken De daarop gerichte grief 1 slaagt.
Nu grief 1 slaagt kunnen de overige grieven onbesproken blijven.

5 De slotsom

5.1

Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

5.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 1 juni 2017 en in zoverre opnieuw beschikkende:

verklaart de verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, R. Feunekes en M.J. Stolwerk, bijgestaan door mr. M. Vodegel als griffier, en is op 22 maart 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.