Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:2702

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
30-03-2018
Zaaknummer
16/01444
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:5927, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Aftrek specifieke zorgkosten. Woningaanpassingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/729
V-N 2018/32.18.1
Viditax (FutD), 03-04-2018
FutD 2018-0987
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer: 16/01444

uitspraakdatum: 20 maart 2018

Uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 november 2016, nummer AWB 16/3040, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV). Daarbij is het verzamelinkomen vastgesteld op € 19.288.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het verzamelinkomen verlaagd naar € 19.215

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2017. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is met haar echtgenoot woonachtig in een huurwoning. In verband met een lichamelijke en visuele handicap van belanghebbende is de woning in 2012 op medisch voorschrift aangepast.

2.2.

De kosten van de verbouwing (exclusief inrichtingskosten) bedragen € 12.846. Belanghebbende heeft in verband met de verbouwingen de volgende vergoedingen ontvangen tot een bedrag van € 8.500:

Stichting [A] € 4.000, waarvan € 2.000 een lening betreft;

Stichting [B] € 5.000;

Stichting [C] € 1.500.

2.3.

De WOZ-waarde van de woning op 1 januari 2013 (waardepeildatum 1 januari 2012) bedraagt € 155.000 en op 1 januari 2014 (waardepeildatum 1 januari 2013) € 159.000.

2.4.

Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur de door belanghebbende geclaimde specifieke zorgkosten in het geheel niet in aftrek toegelaten. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur slechts een deel van deze kosten als aftrekpost geaccepteerd (bedragen in €):

Kosten die drukken op belanghebbende en echtgenoot

4.346

Bedrag van de waardestijging (159.000 -/- 155.000)

4.000

Af: 10% van de kosten die voor rekening van belastingplichtige komen

434 -/-

Waardestijging

3.566

In aanmerking te nemen specifieke zorgkosten woningaanpassing

780

2.5.

Vermeerderd met uitgaven voor hulpmiddelen en uitgaven voor vervoer bedraagt de totale aftrek voor specifieke zorgkosten, na toepassing van een drempel, € 1.180, waarvan € 73 aan belanghebbende is toegerekend.

3 Geschil

3.1.

In geschil is tot welk bedrag specifieke zorgkosten in verband met woningaanpassingen in aanmerking kunnen worden genomen.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Artikel 6.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB, tekst 2012) luidt, voor zover van belang, als volgt:

“1. Uitgaven voor specifieke zorgkosten zijn de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor:

(…)

d. andere hulpmiddelen, met uitzondering van brillen, contactlenzen en overige hulpmiddelen ter ondersteuning van het gezichtsvermogen;

(…)

2. Als ander hulpmiddel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt mede aangemerkt een middel dat de persoon in staat stelt tot het verrichten van een normale lichaamsfunctie waartoe hij zonder dat middel niet in staat zou zijn.

Hiertoe worden gerekend:

a. aanpassingen van een woning, woonboot, woonwagen of aanhorigheid daarvan, die vanwege een functiebeperking op medisch voorschrift zijn aangebracht, voor zover de aanpassingen niet leiden tot een waardevermeerdering van de woning, woonboot of aanhorigheid daarvan welke uitgaat boven tien procent van de op de belastingplichtige drukkende aanpassingskosten;

b. (…).”

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat ter bepaling van de in aanmerking te nemen specifieke zorgkosten vanwege woningaanpassingen, voor de vaststelling van de waardestijging van de woning als gevolg van de verbouwing, wordt aangesloten bij de stijging van de WOZ-waarde. Het Hof ziet geen aanleiding van dit standpunt af te wijken.

4.3.

De Rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat op grond van artikel 6.1, eerste lid, onder a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) persoonsgebonden aftrekposten in aanmerking komen voor zover zij op de belastingplichtige drukken, dat wil zeggen voor rekening komen en blijven van de belastingplichtige. Op grond van artikel 6.1, vierde lid, van de Wet IB kunnen bij algemene maatregel van bestuur aanspraken op vergoedingen of tegemoetkomingen alsmede genoten of te genieten vergoedingen of tegemoetkomingen worden aangewezen die buiten beschouwing blijven bij de bepaling van de omvang van hetgeen op een belastingplichtige aan uitgaven drukt. In artikel 19a van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 zijn de door belanghebbende ontvangen vergoedingen niet aangewezen als vergoedingen of tegemoetkomingen die buiten beschouwing blijven bij de bepaling van de omvang van hetgeen op hem aan uitgaven drukt. De kosten die op belanghebbende en haar echtgenoot drukken zijn daarom door de Inspecteur dan ook terecht becijferd op € 4.346.

4.4.

Anders dan belanghebbende heeft gesteld brengt de omstandigheid dat de verbouwing heeft plaatsgevonden vanwege medische noodzaak – iets dat tussen partijen niet in geschil is – geen verandering in het bovenstaande. Hetzelfde heeft te gelden voor hetgeen belanghebbende heeft gesteld met betrekking tot de waardevermeerdering van de woning als gevolg van de verbouwing. Ook als onduidelijk is of, en zo ja wanneer of in welke mate de verhuurder belanghebbende compenseert voor de waardestijging, dient met deze waardestijging rekening te worden gehouden op de wijze zoals de Inspecteur heeft gedaan.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, lid van de tweede enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.

De beslissing is op 20 maart 2018 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, Het lid van de enkelvoudige kamer,

(J.H. Riethorst) (R.A.V. Boxem)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 21 maart 2018

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.