Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:2697

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
200.215.406/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering in kort geding tot verwijdering uit incidentenregister en EVR afgewezen. Poging tot verzekeringsfraude in voldoende mate aannemelijk geacht (liegen over gebruik van ART-slot). Maar gezien jeugdige leeftijd, first offender zijn, gevolgen voor baan na studie, ontbreken vooropgezet plan, ontbreken aangifte en beperkt financieel belang beperkt het hof de termijn voor registratie naar de duur van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2018/45
Module Privacy en persoonsgegevens 2019/1254
Module Privacy & AVG 2019/1254
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.215.406/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/199304 / KG ZA 17-73)

arrest in kort geding van 20 maart 2018

in de zaak van

N.V. Univé Schade,

gevestigd te Assen,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Univé,

advocaat: mr. G. Loman, kantoorhoudend te Assen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A. Sarkis, kantoorhoudend te Maastricht.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van de procedure tot 21 november 2017 verwijst het hof naar het arrest dat op die datum is gewezen. Ter uitvoering van dat arrest heeft op 16 februari 2018 een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Daarbij zijn van beide zijden spreeknotities overgelegd.

1.2

Partijen hebben arrest gevraagd op het voorafgaand aan de zitting toegezonden procesdossier, aangevuld met het proces-verbaal van de comparitie.

2 De vaststaande feiten

2.1

In rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.13) van het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter een aantal in deze zaak vaststaande feiten weergegeven. Hieromtrent bestaat geen geschil. Daarmee zal ook het hof uitgaan van die feiten. Aangevuld met een enkel ander gesteld en niet weersproken feit staat het navolgende vast.

2.2

[geïntimeerde] heeft op 3 oktober 2016 een motorverzekering met beperkte cascodekking afgesloten bij Univé, zulks voor zijn motor van het merk BMW en met het kenteken [00-YY-YY] . In de toepasselijke polisvoorwaarden staat onder meer het volgende vermeld:

"Hoofdstuk 6 Beperkt Casco

(..)

Artikel 12 Wat is verzekerd?

(..)

12.2

Schade of verlies door diefstal

Dit geldt voor:

• diefstal of een poging tot diefstal van uw motor (..)

Staat uw motor in een afgesloten ruimte? Dan is de diefstal verzekerd als er inbraaksporen aan de stalling zichtbaar zijn.

Staat uw motor niet in een afgesloten stalling? Dan moet u, naast het standaard slot van uw motor, uw motor met minimaal één ART goedgekeurd slot uit categorie 4 of 5 beveiligen."

2.3

De toepasselijke algemene voorwaarden luiden, voor zover van belang, als volgt:

"3.4 Wanneer kunnen wij de verzekering of het verzekeringspakket stoppen?

(..)

3.4.7

Als u fraude pleegt

Wij kunnen de verzekering direct stopzetten als wij fraude ontdekken. Ook alle andere verzekeringen uit uw verzekeringspakket kunnen wij direct stopzetten. U krijgt geen premie terug.

(..)

4.1

Wat is niet verzekerd?

(..)

4.1.5

U pleegt fraud e

Wij vergoeden geen schade u fraudeert. Als wij al schadevergoedingen hebben betaald, moet u deze aan ons terugbetalen. Ook moet u de kosten van onderzoek naar fraude aan ons terugbetalen. Daarnaast kunnen wij uw persoonsgegevens opnemen in onze eigen database en in landelijke registers. Meer hierover kunt u nalezen in onze privacyverklaring op www, unive.nl/privacy ."

2.4

[geïntimeerde] heeft op 29 november 2016 bij de politie aangifte gedaan van diefstal van zijn motor. In het proces-verbaal van deze aangifte staat voor zover relevant vermeld:

"Ik heb de motor vervolgens op de binnenplaats van het studentencomplex, alwaar ik woonachtig ben, deugdelijk afgesloten namelijk door het verwijderen van de sleutel uit het contact waarna het stuurslot en het (officiële BMW) alarm ook in werking gesteld wordt. Vervolgens heb ik ook een hoes om mijn motorfiets gedaan."

2.5

[geïntimeerde] heeft de diefstal van zijn motor diezelfde dag telefonisch bij Univé gemeld. Uit een geluidsopname van dit telefoongesprek blijkt dat hierbij onder meer het volgende is besproken:

Univé: "(..) In beginsel is er dekking voor diefstal van de motorfiets, maar dan moeten er wel aan een aantal randzaken ook nog zijn voldaan hè, zoals extra slot (..)

[geïntimeerde] : "Maar zoals randvoorwaarden zoals wat "

Univé: "Nou ja, (..) het ART-slot wat gebruikt is, de extra slot op de motorfiets, of stond ie alleen.."

[geïntimeerde] : "Ik heb een alarm. "

Univé: "Nee, niet alleen een alarm."

[geïntimeerde] : "En een ART-slot?"

Univé: "En een art slot".

[geïntimeerde] : "Ja."

Univé: "Da 's niet gebruikt begrijp ik? "

[geïntimeerde] .' "De ART-slot is niet gebruikt, maar alarm wel. "

Univé: "(…) alleen alarm is niet voldoende, staat ook in de voorwaarden. "

[geïntimeerde] : "Een ART-slot is toch niet verplicht? "

Univé: "Vanuit de polisvoorwaarden wel (..)"

[geïntimeerde] : "U gaat mij niet vertellen dat mijn motorfiets niet verzekerd is op diefstal ..? "

(..)

[geïntimeerde] : "Ik heb wel een ART-slot en die zal ik dan ook opsturen."

Univé: "Ja, maar goed, als u hem niet gebruikt heeft ten tijde van de diefstal… Kijk hij moet er wel mee afgesloten zijn."

(…)

2.6

Ongeveer een uur na dit telefoongesprek, heeft [geïntimeerde] telefonisch contact opgenomen met een regiokantoor van Univé. In een notitie die een medewerker van Univé naar aanleiding van dit gesprek heeft gemaakt, staat over de inhoud daarvan het volgende vermeld:

"dhr zij motor is gestolen wilde nog even aangeven dat hij 2 originele bmw contact sleutels heeft 2 sleutel van scm alarm systeem en alle bijbehorende sleutels van zijn sloten

dhr heeft oproep op FB gedaan en beloning van 2000 euro uitgelooft. "

2.7

Op 30 november 2016 heeft [geïntimeerde] telefonisch aan Univé doorgegeven dat hij zijn motor beschadigd teruggevonden had. Uit een geluidsopname van dit gesprek blijkt dat in dit gesprek onder meer het volgende is gezegd:

"Univé: "Had u hem ook op een extern slot staan of alleen op stuurslot?"

[geïntimeerde] : "ART?"

Univé: "ja"

[geïntimeerde] : "4"

Univé: "Oké"

[geïntimeerde] : "En dat heb ik uw collega gister ook verteld"

Univé: "Oké"

[geïntimeerde] : "Plus een schuifslot, maar die hebben ze beide doorgesleept"

(…)"

2.8

Op 8 december 2016 heeft Univé een onderzoek ingesteld naar de diefstal van de motor van [geïntimeerde] . In het kader van dit door [B] , werkzaam bij de afdeling veiligheidszaken van Univé, verrichte onderzoek heeft [geïntimeerde] op 13 december 2016 een verklaring afgelegd. In die verklaring staat onder meer het volgende vermeld:

"Ten tijde van de diefstal stond het voertuig afgesloten op de volgende wijze met een ****-art-goedgekeurd kettingslot van het merk MKX-Lock. Ik toon u de drie sleutels en de factuur.

(..)

U deelt mede dat in het proces-verbaal staat vermeld dat de motorfiets was afgesloten met het stuurslot en dat de motorfiets op het alarm stond. U deelt mede dat er niets staat vermeld over een kettingslot.

Ik deel u mede dat ik bij de aangifte kennelijk wat onnauwkeurig ben geweest.

Mijn motorfiets stond ook afgesloten met een kettingslot.

U deelt tevens mede dat mij bij de melding bij Univé uitdrukkelijk is gevraagd hoe de motorfiets op slot stond. Ik kan u niet exact zeggen wat er aan mij is gevraagd en wat ik heb gezegd.

U heeft een geluidsopname laten horen van de melding van de diefstal.

U deelt mede dat ik heb medegedeeld dat de motorfiets op het alarm stond en op het stuurslot.

U deelt mede dat ik heb gezegd dat er geen extra ART-slot werd gebruikt.

Ik deel u mede dat ik kennelijk een vergissing heb gemaakt. "

2.9

Univé heeft naar aanleiding van voornoemd onderzoek op 29 december 2016 een rapport opgesteld. In de conclusie van dit rapport staat onder meer vermeld:

"Kennelijk is verzekeringnemer negatief betrokken bij de ingediende daim. Hij tracht kennelijk de diefstal onder de dekking van de polis te laten vallen door te verklaren dat de motorfiets ten tijde van de diefstal stond afgesloten met een ****-art-goedgekeurd slot."

2.10

Per brief van 3 januari 2017 heeft Univé [geïntimeerde] van voornoemde conclusie op de hoogte gesteld en hem duidelijk gemaakt dat er om die reden geen schade-uitkering zal plaatsvinden en dat zijn verzekering per 15 januari 2017 zal worden beëindigd. Ook heeft Univé [geïntimeerde] in die brief kenbaar gemaakt dat zijn persoonsgegevens zullen worden geregistreerd in het incidentenregister van Univé, dat het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit van het Verbond van Verzekeraars (hierna CBV) op de hoogte is gebracht van deze registratie en dat zijn persoonsgegevens ook voor een periode van vier jaar in het Extern Verwijzingsregister (hierna EVR) zijn opgenomen. Ten aanzien van de melding aan het CBV wordt in deze brief onder andere opgemerkt;

"De verzekeringsbranche kan via het CBV de registratie ook raadplegen bij sollicitaties en aanstellingen."

2.11

Bij brief van 10 februari 2017 heeft de raadsman van [geïntimeerde] op deze brief gereageerd en Univé onder meer gesommeerd de registraties ongedaan te maken.

2.12

[geïntimeerde] heeft een aankoopbon overgelegd van een ART4-kettingslot en een schijfremslot. Op deze bon staat de datum 4 november 2015 vermeld.

2.13

[geïntimeerde] heeft ook een verklaring van de beheerder van het studentencomplex waar hij woonachtig is, overgelegd. Deze verklaring luidt als volgt:

"Langs deze weg verklaar ik dat [geïntimeerde] zijn motorfiets ten alle tijden op slot heeft met ART 4 slot + remschijfslot, dit weet ik omdat wij dezelfde passie omtrent motorrijden delen en vaak genoeg in contact komen met elkaar. [geïntimeerde] heeft bij mij camera beelden opgevraagd, helaas zijn de camera 's op de Bergwijkdreef sinds een jaar stuk door vandalisme of verwering. "

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[geïntimeerde] heeft Univé gedagvaard en gevorderd dat de voorzieningenrechter, bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Univé zal veroordelen om binnen een week na betekening van het te wijzen vonnis over te gaan tot verwijdering van de persoonsgegevens van [geïntimeerde] uit het interne incidentenregister van Univé, uit het EVR en bij het CBV, dan wel om die medewerking te verlenen die noodzakelijk is ter verwijdering van de bedoelde persoonsgegevens uit de betreffende registers, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom. Voorts is gevorderd veroordeling van Univé om de beëindiging van de verzekering van [geïntimeerde] binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis met terugwerkende kracht ongedaan te maken en die verzekering per 15 januari 2017 voort te zetten, althans een zodanige beslissing te nemen als de voorzieningenrechter in goede justitie meent te behoren, met veroordeling van Univé in de kosten van de procedure.

3.2

Univé heeft verweer gevoerd.

3.3

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis van 12 april 2017 de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen met veroordeling van Univé in de kosten van het geding.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Het hoger beroep strekt tot vernietiging van het vonnis van 12 april 2017 en het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] tot restitutie van hetgeen uit hoofde van het vonnis aan hem is voldaan, alsmede tot betaling van de kosten van beide instanties, een en ander vermeerderd met nakosten en rente.

4.2

Grief I strekt tot bestrijding van het spoedeisend belang bij de vorderingen. Naar het oordeel van het hof ligt in de stellingen van [geïntimeerde] genoegzaam besloten dat hij bij de vordering tot ongedaanmaking van de registratie en CBV-melding een voldoende spoedeisend belang heeft, omdat hij met die registratie en melding te boek staat als fraudeur en belemmerd kan worden bij het aangaan van verzekeringsovereenkomsten, het verwerven van financiële producten of het vinden van een baan in de financiële sector of verzekeringsbranche. Dit geldt niet ten aanzien van de vordering tot ongedaanmaking van de opzegging van de verzekering van zijn motorfiets door Univé, temeer nu [geïntimeerde] ter zitting in hoger beroep heeft gesteld dat hij geen motorfiets meer bezit en dat hij ook niets meer met Univé te maken wenst te hebben. Aldus slaagt de grief ten dele. Dit brengt mee dat de vordering tot ongedaanmaking van de beëindiging van de verzekering reeds om die reden niet voor toewijzing in aanmerking komt. Aldus bestaat geen belang meer bij bespreking van grief V, waarmee de toewijzing van die vordering op inhoudelijke gronden wordt bestreden.

4.3

Met de grieven II, III en IV bestrijdt Univé de gronden op basis waarvan de voorzieningenrechter tot zijn beslissing is gekomen om de vordering tot verwijdering uit de registers en ongedaanmaking van de CBV-melding toe te wijzen. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

4.4

Het hof stelt het volgende voorop.

De Nederlandse Vereniging van Banken en het Verbond van Verzekeraars hebben nadere regels opgesteld ter uitwerking van de Wet bescherming persoonsgegeven (Wbp) die zijn vastgelegd in de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen (hierna: de Gedragscode). De Gedragscode is door het College Bescherming

Persoonsgegevens (hierna: CBP) getoetst en van een goedkeurende verklaring voorzien. In de Gedragscode (artikel 5.5.2) is bepaald dat opname in de na te noemen registers mogelijk is indien wordt voldaan aan de vereisten van het Protocol Incidentenwaarschuwingssystemen financiële instellingen (hierna: het Protocol). Voor zover van belang is in dat Protocol het navolgende bepaald:

2. Begripsbepalingen

In dit protocol wordt verstaan onder:

Incident: een gebeurtenis die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad dat de belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of medewerkers van een Financiële Instelling, de Financiële Instelling zelf of de financiële sector als geheel in het geding zijn of kunnen zijn, zoals het falsificeren van nota’s, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phishing en opzettelijke misleiding.

3.1

Incidentenregister en Extern Verwijzingsregister

3.1.1

Iedere Deelnemer heeft een Incidentenregister, waarin door de betreffende Deelnemer gegevens van (rechts)personen worden vastgelegd ten behoeve van het in artikel 4.1.1 Protocol genoemde doel, naar aanleiding van of betrekking hebbend op een (mogelijk) Incident.

(…)

3.1.2

Aan het Incidentenregister is een Extern Verwijzingsregister gekoppeld.

(…)

4 Incidentenregister

4.1

Doel Incidentenregister

4.1.1

Met het oog op het kunnen deelnemen aan het Waarschuwingssysteem is iedere Deelnemer gehouden de volgende doelstelling voor het vastleggen van gegevens in het Incidentenregister te hanteren:

“Het geheel aan verwerkingen ten aanzien van het Incidentenregister heeft tot doel het ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector, daaronder mede begrepen (het geheel van) activiteiten die gericht zijn:

- op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van gedragingen die kunnen leiden tot benadeling van de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, van de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, van de financiële instelling zelf, alsmede van haar cliënten en medewerkers;

- op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van oneigenlijk gebruik van producten, diensten en voorzieningen en/of (pogingen) tot strafbare of laakbare gedragingen en/of overtreding van (wettelijke) voorschriften, gericht tegen de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, de financiële instelling zelf, alsmede haar cliënten en medewerkers;

- op het gebruik van en de deelname aan waarschuwingssystemen.”

(…)

4.2

Toegang tot het incidentenregister

(…)

4.2.3

De gegevens uit het Incidentenregister van de Deelnemer mogen tevens worden uitgewisseld

met functionarissen werkzaam bij de daartoe ingerichte coördinatiefuncties van de NVB,

Verbond, VFN, ZN en SFH (de fraudeloketten).

5. Extern Verwijzingsregister

(…)

5.2

Vastlegging van gegevens in het Extern Verwijzingsregister

5.2.1

De Deelnemer dient de Verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna onder a en b vermelde criteria voldoen en na toepassing van het onder c genoemde proportionaliteitsbeginsel op te nemen in het Extern Verwijzingsregister.

a. a) De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een Financiële instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector.

b) In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klachten wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar.

c) Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen. Dit houdt in dat Veiligheidszaken vaststelt, dat het belang van opname in het Externe Verwijzingsregister prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen voor de Betrokkene als gevolg van opname van zijn Persoonsgegevens in het Extern Verwijzingsregister.”

4.5

Een opname in het EVR (gekoppeld aan het Incidentenregister) kan verstrekkende gevolgen hebben. Alle deelnemende financiële ondernemingen kunnen immers door toetsing in het EVR vaststellen dat een persoon in het Incidentenregister van een andere deelnemer is opgenomen. Vervolgens kunnen zij nadere informatie over de reden van opname opvragen. Dit kan ertoe leiden dat niet alleen de deelnemer die tot opname in het Incidentenregister is overgegaan, maar ook andere deelnemers hun (financiële) diensten aan de opgenomen persoon zullen weigeren. Gelet hierop dienen hoge eisen te worden gesteld aan de gronden voor opname in het EVR. Opname in het EVR kan slechts plaatsvinden indien zij in overeenstemming is met de Wbp en het Protocol. Voor verwerking in overeenstemming met het Protocol van strafrechtelijke persoonsgegevens in bestanden als de onderhavige registers die onder het regime van de Wbp vallen, is een veroordeling door de strafrechter niet vereist. Blijkens de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel van de Wbp is gedacht aan gegevens in verband met strafbaar of hinderlijk gedrag, die tot de gevoelige gegevens behoren omdat de betrokkenen in verband worden gebracht met verwijtbaar gedrag. Het ziet op veroordelingen en op min of meer gegronde verdenkingen (Kamerstukken II 1997/98, 25892, 3, p. 102 en 118; zie ook, in een verder verwijderd verband, de beantwoording van vraag 26, Kamerstukken II 1998/99, 25892, 13, p. 13/14). Uit een en ander valt op te maken dat de te verwerken gegevens in voldoende mate moeten vaststaan. Onder strafrechtelijke gegevens moeten daarom worden verstaan feiten en omstandigheden die zodanig concreet zijn dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring - in de zin artikel 350 Sv - kunnen dragen. Dit brengt mee dat een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, zoals dat kan blijken uit een aangifte, onvoldoende is. De vastgestelde gedragingen dienen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld op te leveren, in die zin dat de te verwerken strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate moeten vaststaan (vergelijk HR 25 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720). Daarnaast dient nog een belangenafweging overeenkomstig artikel 8 onder f Wbp plaats te vinden. Artikel 5.2.1 van het Protocol voorziet, onder c, ook in een dergelijke afweging. Bij deze afweging komt ook betekenis toe aan de duur van de opname in het EVR.

4.6

Het ligt op de weg van de financiële instelling om de feiten die zij aan haar beroep op fraude ten grondslag legt bij gemotiveerde betwisting te bewijzen. Voor het onderhavige kort geding betekent dit dat het hof dient te beoordelen of voldoende aannemelijk is of Univé in een bodemprocedure dit bewijs zal kunnen leveren. Gelet op het voorlopig karakter van de kort geding procedure past daarbij geen uitgebreid onderzoek naar de feiten en is geen plaats voor nadere bewijsvoering.

4.7

In het, door het hof ten overstaan van partijen beluisterde eerste telefoongesprek antwoordt [geïntimeerde] op de expliciete vraag van de medewerker van Univé of een ART-slot is gebruikt, dat een ART-slot niet is gebruikt, maar een alarm wel. Ook deelt hij mee het ART-slot te zullen opsturen. [geïntimeerde] ontkent, terecht, niet dat Univé uit deze antwoorden mocht opmaken dat [geïntimeerde] het ART-slot niet heeft gebruikt. Dit antwoord is bovendien in lijn met de aangifte bij de politie waar [geïntimeerde] heeft verklaard dat hij de motor heeft afgesloten door het verwijderen van de sleutel uit het contact waarna het stuurslot en het (officiële BMW) alarm in werking zijn gesteld en een hoes om de motorfiets heeft gedaan. Tevens blijkt uit het eerste telefoongesprek dat [geïntimeerde] uit de mededelingen van Univé begrijpt dat zonder gebruik van een ART-slot er geen dekking bestaat voor diefstal uit een niet afgesloten ruimte en dat hij daar ontstemd over is, getuige zijn reactie: "U gaat mij niet vertellen dat mijn motorfiets niet verzekerd is op diefstal ..?". Tijdens het derde telefoongesprek, een dag later, antwoordt [geïntimeerde] dan op de vraag of de motor op een extern slot stond of alleen een stuurslot direct met "ART?" en "4" en voegt hij daaraan toe dat hij dat "gister" ook zou hebben gemeld. [geïntimeerde] doelt daarmee op het tweede telefoongesprek, doch uit het verslag daarvan blijkt niet dat dit is gezegd. Dat had wel voor de hand gelegen, gelet op het opvallende verschil met de uitlatingen tijdens het eerste gesprek. Het hof houdt het er dan ook voor dat [geïntimeerde] eerst tijdens het derde telefoongesprek heeft aangegeven dat wel een ART-slot is gebruikt. Doorslaggevend voor de beslissing is dat overigens niet.

4.8

Hetgeen door [geïntimeerde] ter verklaring voor deze gang van zaken is aangevoerd, komt op het volgende neer:

 Hij heeft bij de aangifte er niet aan gedacht om te zeggen dat een ART-slot was gebruikt, omdat daar niet naar werd gevraagd.

 Hij gebruikt altijd een ART-slot als hij de motor stalt op de bewuste locatie. Hij doet het slot dan om een paal.

 Tijdens het eerste telefoongesprek heeft hij zich vergist. Hij was afgeleid omdat hij het gesprek in de auto voerde en hij was in de war omdat zijn vader in het ziekenhuis was opgenomen vanwege darmkanker.

 Toen hij zei dat hij het ART-slot kon opsturen, bedoelde hij de sleutels.

4.9

Deze argumenten acht het hof om de navolgende redenen ongeloofwaardig. Blijkens de aangifte heeft [geïntimeerde] verklaard over waar hij de motor heeft achtergelaten en hoe hij de motor heeft afgesloten. Waarom hij dan wel verklaart over een stuurslot en een alarm maar niet over een ART-slot (een ketting) acht het hof onverklaarbaar, zeker indien hij de motor, zoals hij stelt, altijd op die manier op de bewuste locatie achterlaat. Dat het eerste telefoongesprek vanuit een auto is gevoerd, heeft Univé ontkend. Het hof heeft daarvan ook niets gemerkt bij het beluisteren van de opname. Wat daar van zij, van enig afgeleid zijn van [geïntimeerde] is het hof niet gebleken. Dat hij mogelijk geëmotioneerd was vanwege de ziekenhuisopname van zijn vader (die, zo is onweersproken gesteld, al op 23/11/2016 was geopereerd en op de dag van het eerste telefoongesprek al bijna naar huis mocht) sluit het hof zeker niet uit. Dat neemt niet weg dat [geïntimeerde] direct en adequaat antwoorden gaf op de gestelde vragen. Op zich is uiteraard mogelijk dat men zich een keer vergist. Maar in dit geval zou [geïntimeerde] zich dan eerst hebben vergist bij de aangifte (vergeten te melden dat de motor ook op de ketting stond). Vervolgens zou hij zich wederom hebben vergist door te zeggen dat hij het ART-slot niet heeft gebruikt. En ten slotte zou hij zich voor de derde maal hebben vergist door te zeggen dat hij het ART-slot zou toesturen, daar waar hij bedoelde de sleutels van het ART-slot. Bovendien zou dat laatste dan betekenen dat hij zijn eerdere vergissingen had ingezien, echter zonder dat hij (tijdens ditzelfde gesprek) tegen de medewerker van Univé heeft gezegd dat hij zich eerst had vergist, waardoor dit onwaarschijnlijk wordt. Een dergelijke opeenvolging van vergissingen en onverklaarbare omstandigheden acht het hof ongeloofwaardig, mede in het licht van het feit dat op de locatie ook geen doorgeknipt ART-slot is aangetroffen.

4.10

Het hof acht op grond van het voorgaande in hoge mate aannemelijk dat [geïntimeerde] de motorfiets niet met een ART-slot had afgesloten, dat hij dit de eerste keer ook conform de waarheid heeft gemeld aan Univé en dat hij, toen hij ontdekte dat de diefstal dan niet verzekerd zou zijn, tijdens het derde telefoongesprek in strijd met de waarheid heeft verklaard dat wel een ART-slot door hem is gebruikt, met het doel Univé tot uitkering onder de polis te bewegen. Dit levert een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van poging tot fraude op. Daarmee is sprake geweest van een gedraging die een bedreiging kan vormen in de zin van artikel 5.2.1. onder a van het Protocol en waarbij [geïntimeerde] betrokken was als bedoeld in artikel 5.2.1 onder b. In zoverre slagen de onderhavige grieven.

4.11

Daarmee komt aan de orde de in eerste aanleg door [geïntimeerde] ingenomen stelling dat Univé niet zorgvuldig heeft gehandeld door geen hoor/wederhoor toe te passen. Het hof verwerpt die stelling omdat [geïntimeerde] tegenover de door Univé ingeschakelde onderzoeker, die hem heeft geconfronteerd met de tegenstrijdige telefoongesprekken, zijn standpunt naar voren heeft kunnen brengen (zie rov. 2.8).

4.12

Voorts dient het hof zich te buigen over de door [geïntimeerde] ingenomen stelling dat de opname in de bewuste registers voor de duur van vier jaar niet proportioneel is te achten (zie ook artikel 5.2.1 onder c van het Protocol).

4.13

Het hof overweegt dienaangaande als volgt:

 [geïntimeerde] was ten tijde van het gepleegde feit 22 jaar oud.

 Nu niet anders is gesteld of gebleken, moet aangenomen worden dat [geïntimeerde] first offender is.

 Dat sprake was van een vooropgezet plan is voorshands niet gesteld of gebleken. Voor zover Univé de diefstal zelf in twijfel heeft getrokken, is dat niet onderbouwd. In het verslag van haar onderzoeker (rov. 2.8) wordt geconcludeerd dat niet de conclusie getrokken kan worden dat de verzekerde "negatief betrokken was bij de diefstal". Het hof acht daarom voldoende aannemelijk dat sprake was van een spontaan opgekomen leugen uit teleurstelling over het feit dat de verzekering geen dekking bleek te bieden voor de diefstal.

 [geïntimeerde] is, naar hij onderbouwd heeft gesteld en niet gemotiveerd is betwist, kort geleden afgestudeerd in Bedrijfseconomie (HBO) en kan door de registratie en de melding worden belemmerd indien hij bij een verzekeraar of financiële instelling zou solliciteren.

 Univé heeft geen aangifte gedaan en op de vraag waarom dat het geval is heeft zij geantwoord dat de omvang van de zaak daarvoor vermoedelijk niet voldoende was.

 Het financieel belang van de zaak is beperkt en de claim onder de polis is (uiteindelijk) ook niet doorgezet door [geïntimeerde] .

 [geïntimeerde] heeft geen spijt betuigd en is zijn poging tot fraude blijven ontkennen.

4.14

Gelet op wat is overwogen in rov. 4.10 en gelet op de feiten en omstandigheden als vermeld in rov. 4.13 is het hof van oordeel dat redenen van proportionaliteit niet in de weg staan aan opname in het EVR (en het incidentenregister waaraan dit EVR is gekoppeld) echter met dien verstande dat een langere opname in de registers dan voor de duur van twee jaar niet proportioneel is te achten. Naar het hof begrijpt, heeft registratie plaatsgevonden in januari 2017 en is die beëindigd na het vonnis van 12 april 2017. Vanwege de door het hof uit te spreken vernietiging van dat vonnis zal Univé de registratie kunnen herstellen, aldus dat in totaal een termijn van twee jaar wordt bereikt, dus inclusief de eerdere periode van vier maanden. Dit betekent dat registratie na dit arrest uiterlijk nog tot 3 december 2019 zal mogen plaatsvinden.

4.15

Op grond van artikel 4.2.3 van het Protocol worden de gegevens in het Incidentenregister uitgewisseld met functionarissen werkzaam bij de daartoe ingerichte coördinatiefuncties van het Verbond van Verzekeraars, te weten het fraudeloket. Dit is het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit. Het hof ziet geen reden om ter zake van de melding bij het CBV anders te beslissen dan ten aanzien van de opname in de registers.

4.16

Grief VI richt zich tegen een overweging ten overvloede van de voorzieningenrechter met betrekking tot de bewijslastverdeling in een bodemprocedure over de vraag of sprake is van een onder de dekking van de verzekering vallend evenement. Bij bespreking van die grief mist Univé belang.

4.17

Grief VII is gericht tegen de proceskostenveroordeling van Univé in eerste aanleg. Het hof is van oordeel dat nu partijen over en weer deels in het (on)gelijk zijn gesteld, de kosten in beide instanties dienen te worden gecompenseerd als na te melden. De vordering tot restitutie van de door Univé uit hoofde van het vonnis in eerste aanleg aan [geïntimeerde] betaalde (vermeerderd met wettelijke rente) is daarom toewijsbaar.

4.18

Grief VIII mist zelfstandige betekenis.

5 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel (Zwolle) van

12 april 2007 en, opnieuw rechtdoende:

gebiedt Univé, indien zij overgaat tot herstel van de registratie en melding bij het CBV, uiterlijk per 3 december 2019 over te gaan tot verwijdering van de persoonsgegevens van [geïntimeerde] uit het Incidentenregister van Univé en het daaraan gekoppelde EVR en tot ongedaanmaking van de melding bij het CBV, dan wel om die medewerking te verlenen die noodzakelijk is ter verwijdering van de bedoelde persoonsgegevens uit de betreffende registers en ongedaanmaking van de melding, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat niet aan deze veroordeling wordt voldaan, tot een maximum van € 50.000,-;

veroordeelt [geïntimeerde] tot restitutie van hetgeen Univé uit hoofde van het vernietigde vonnis aan hem heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van terugbetaling;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van beide instanties aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. B.J.H. Hofstee en mr. P. Roorda en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

20 maart 2018.