Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:2676

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
200.196.558/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid Vitens als leidingbeheerder; schade als gevolg van lekkage van niet goed afgesloten, niet meer in gebruik zijnde leiding; beroep op aansprakelijkheidsbeperking in algemene voorwaarden verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/235
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.196.558/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/179134 / HA ZA 15-614)

arrest van 20 maart 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. P. Feenstra, kantoorhoudend te Zoetermeer,

tegen

Vitens N.V.,

gevestigd te Zwolle,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Vitens,

advocaat: mr. M.R.J. Baneke, kantoorhoudend te Arnhem.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 26 september 2017 hier over.

1.2

Ingevolge het vermelde tussenarrest heeft op 30 januari 2018 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken. Bij brief van 28 februari 2018 heeft mr. Baneke namens Vitens een aantal opmerkingen gemaakt bij het proces-verbaal. Het hof overweegt dat de door mr. Baneke genoemde punten voor de beslissing niet relevant zijn geweest, zodat Vitens geen belang heeft bij de bespreking daarvan.

1.3

Vervolgens heeft het hof op verzoek van partijen arrest bepaald.

2 De feiten

2.1

Het hof gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten, die door de rechtbank in het vonnis van 4 mei 2016 zijn vastgesteld in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.12. Tegen die vaststelling zijn geen bezwaren gericht. Aangevuld met enige feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, gaat het in deze zaak om het volgende.

2.2

In 1985 is tussen Vitens en [B] een overeenkomst voor de levering van drinkwater gesloten ten behoeve van de (geheel gelijkvloerse) woning aan het adres [a-straat 1] te [A] (hierna: de woning).

2.3

Op 18 februari 2004 is in verband met een verbouwing van de woning een nieuwe aansluitleiding voor drinkwater in de woning aangelegd. De oude aansluitleiding is niet verwijderd.

2.4

De overeenkomst tussen Vitens en [B] is op 8 augustus 2007 wegens verhuizing van [B] beëindigd. Met ingang van 9 augustus 2007 is tussen Vitens en de heer [C] (hierna: [C] ), de opvolgend bewoner van de woning, een overeenkomst voor de levering van drinkwater ten behoeve van de woning gesloten.

2.5

Op 22 juli 2013 heeft [C] bij Vitens gemeld dat de kruipruimte onder de woning vol water stond, waarna een monteur van Vitens op 29 juli 2013 een onderzoek heeft ingesteld naar de in gebruik zijnde (nieuwe) aansluitleiding. In zijn van dit bezoek opgemaakt rapport maakt de monteur er melding van dat er helder water onder het huis staat. Er zijn geen bijzonderheden ontdekt, waarna die genoemde aansluitleiding in overleg met [C] enkele dagen is dichtgezet. Na het heropenen van die aansluitleiding heeft Vitens van [C] geen nader verzoek aangaande of klacht over een lekkage ontvangen.

2.6

[appellant] heeft op 15 maart 2014 de woning van [C] gekocht. De woning is op 11 juni 2014 aan [appellant] geleverd.

2.7

[appellant] heeft voorafgaand aan de totstandkoming van de koopovereenkomst de woning viermaal bezichtigd. Bij de tweede bezichtiging heeft de makelaar van [C] aan [appellant] een door een bouwkundige van Vereniging Eigen Huis (VEH) opgesteld Rapport Aankoopkeuring d.d. 13 november 2013 (hierna: het keuringsrapport) ter beschikking gesteld. [appellant] heeft dit keuringsrapport met [C] besproken. [appellant] heeft geen nader of ander bouwkundig onderzoek naar de staat van de woning laten verrichten.

2.8

In het 22 pagina’s tellend keuringsrapport is onder meer vermeld:

op pagina 4 daarvan:

Zijn er speciale aandachtspunten voor de opdrachtgever?

vloer woonkamer thv open haard; dak schuur (riet)

Zijn er specifieke bijzonderheden?

geen toegang tot kruipruimte.

op pagina 5 daarvan:

Waarderingsnormen en afkortingen

(…)

2. Goede conditie Geen gebreken, incidentele beginnende veroudering

3. Redelijke conditie Plaatselijke zichtbare veroudering, gebreken kunnen voorkomen

(…)

GC Niet mogelijk om een juiste conditie vast te stellen

(…)

NTC: niet te controleren

(…)

OMR: onderdeel met risico

op pagina 9 daarvan:

Vloerconstructie hout score 2

op pagina 10 daarvan

In detail → begane grond

(…)

Dragende wanden score 3 Geconstateerd:

Zichtbare vochtplekken. Capillair/optrekkend

Opmerkingen:

besproken tijdens rondgang: optrekkend vocht vanuit fundering. Ouderwetse oplossing = lambrisering langs de wanden. wellicht brengt de later in het rapport aan te brengen extra ventilatie kruipruimte ook enige verbetering.

Op pagina 11 daarvan:

Vloerconstructie hout NTC Niet bereikbaar

OMR Geconstateerd:

GC lichte doorbuiging of vering

Maatregelen:

vervangen van het vloerhout incl. de balklaag PM € 3.000 à € 6.000

Opmerking(en):

hal en woonkamer. slaapkamer hoek. Besproken omdat we geen mogelijkheid hebben tot verder onderzoek zonder schade aan parket/vloer. U overlegt met verkoper of extra onderzoek mag. Bedrijf inhuren. Risico is dat u deel balken en vloerhout moet vervangen. De PM post geeft uw risico in deze aan. Zie ook ‘Kruipruimte’.

Op pagina 17 daarvan:

In detail → Daken en gevels

(…)

Fundering NTC Niet bereikbaar

GC Geconstateerd:

Optrekkend vocht in metselwerk

Ventilatie kruipruimte GC Geconstateerd:

Onvoldoende capaciteit

Maatregelen:

Extra kruipruimteventilatiemogelijkheden aanbrengen.

2.9

Op 3 juni 2014 heeft [appellant] door aanmelding via de website van Vitens een overeenkomst met Vitens gesloten voor de levering van drinkwater aan de woning.

2.10

Vitens gebruikt voor haar drinkwaterlevering algemene voorwaarden, zijnde de “Algemene Voorwaarden Drinkwater Vitens 2012”. Deze algemene voorwaarden zijn in maart 2012 in overleg met de Consumentenbond vastgesteld in het kader van de coördinatiegroep zelfreguleringsoverleg van de Sociaal-Economische Raad.

In artikel 19 daarvan aangaande “aansprakelijkheid” is vermeld:

“19.2 Het bedrijf is, met inachtneming van het bepaalde in de overige leden van dit artikel, voorts aansprakelijk voor schade aan personen of zaken ten gevolge van een gebrekkige aansluiting of levering dan wel van een onjuist handelen of nalaten in verband met een aansluiting of een levering - niet zijnde een onderbreking van de levering - doch niet, indien de schade het gevolg is van een tekortkoming die het bedrijf niet kan worden toegerekend.

19.4

Indien en voor zover het bedrijf jegens de aanvrager of de verbruiker in het kader van deze algemene voorwaarden tot schadevergoeding verplicht is, komt schade aan personen en/of zaken en noodzakelijke kosten ter voorkoming van zaakschade slechts voor vergoeding in aanmerking tot een bedrag van ten hoogste € 2.000.000 (twee miljoen) per gebeurtenis voor alle aanvragers en verbruikers tezamen, met dien verstande dat de vergoeding van noodzakelijke kosten ter voorkoming van zaakschade is beperkt tot € 75 (vijfenzeventig) en de vergoeding van schade aan zaken en noodzakelijke kosten ter voorkoming van zaakschade, ongeacht de omvang van het totaal der schade, is beperkt tot ten hoogste € 3.500 (vijfendertighonderd) per aanvrager of verbruiker. Indien het totaal der schaden aan personen en/of zaken meer bedraagt dan € 2.000.000 (twee miljoen), is het bedrijf niet gehouden meer schadevergoeding te betalen dan dit bedrag, waarbij met inachtneming van het eerder in dit lid genoemde maximum voor schade aan zaken van € 3.500 (vijfendertighonderd) de aanspraken van de aanvragers en de verbruikers naar evenredigheid zullen worden voldaan.”

2.11

In januari 2015 heeft [appellant] aan Bouwbedrijf De Jong & De Wal te Grou (hierna: de aannemer) opgedragen onderzoek te doen naar de door hem ervaren beweging in de houten vloer van de begane grond. Op 26 januari 2015 heeft de aannemer bij afwezigheid van een luik het parket en daarna de constructievloer in de gang opengebroken, waarna is geconstateerd dat de kruipruimte vol water stond tot halverwege de draagbalken van de vloer en dat die draagbalken door rot waren aangetast. De aannemer is daarop het water uit de kruipruimte gaan pompen in welk verband is geconstateerd dat water uit een leiding stroomde. [appellant] heeft daarop Vitens verzocht ter plaatse te komen, waarna twee monteurs van Vitens diezelfde dag hebben geconstateerd dat er water vrijkwam uit het einde van de oude aansluitleiding, zoals hiervoor genoemd in rov. 2.3. De monteurs hebben daarop in het einde van die oude aansluitleiding een prop geplaatst. Op 27 januari 2015 hebben de monteurs de dienstkraan van de oude aansluitleiding, nabij de aansluiting van die leiding op de hoofdwaterleiding, onderzocht en geconstateerd dat deze water doorliet.

2.12

In het in opdracht van de opstalverzekeraar van [appellant] opgestelde expertiserapport d.d. 26 juni 2015 van EMN Expertise te Deventer (hierna: EMN) is onder meer vermeld dat door de uitstroom van water de vloerbalken en vloerdelen ernstig zijn aangetast als ook de onder de houten vloer bevindende CV-leidingen zijn beschadigd. EMN heeft daarop de schade begroot op € 58.317,- aan herstelkosten, € 3.000,- aan huurderving, € 1.000,- schade aan items, € 19.250,- aan vloerbedekking en stoffering, met kosten verblijf elders pro memorie, samen € 81.567,-.

2.13

De opstalverzekeraar van [appellant] heeft uitkering op de door [appellant] ingediende schadeclaim geweigerd omdat de polis pas per 26 mei 2014 is ingegaan en het evenement zich al in 2004 heeft voorgedaan. Coulancehalve heeft de opstalverzekeraar aan [appellant] een uitkering gedaan van € 5.000,-.

2.14

[appellant] heeft [C] aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van de lekkage. Tot verdere maatregelen jegens [C] is [appellant] niet gekomen.

2.15

Per brief van 21 september 2015 heeft [appellant] Vitens aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van de uitstroming van water uit de oude aansluitleiding. Per brief van 28 september 2015 heeft het door Vitens ingeschakelde bureau Cunningham Lindsey Nederland B.V. te Hoogeveen (hierna: Cunningham) geantwoord dat haars inziens een eenduidig causaal verband tussen aantasting van de vloer en de lekkende aansluitleiding niet vaststaat, dat haars inziens niet duidelijk is wat de oorzaak is voor het lekken van de aansluitleiding, dat zij de gestelde schade van € 81.000,- nog niet kan beoordelen en dat overeenkomstig artikel 19 van de algemene voorwaarden 2012 een schadevergoeding beperkt is tot ten hoogste van € 3.500,-, ongeacht de omvang van de geleden schade. De brief besluit daarop met de mededeling dat Cunningham Vitens zal adviseren - onverplicht en zonder erkenning van aansprakelijkheid - over te gaan tot vergoeding van een bedrag van
€ 3.500,-.

2.16

In opdracht van [appellant] heeft [D] van de Hanselmangroep een nader onderzoek gedaan naar de schade in de woning. In het rapport van 7 september 2016 dat naar aanleiding van dat onderzoek is opgemaakt heeft de heer [D] de schade begroot op
€ 78.600,43.

3. Het geschil en de beslissing in eerste aanleg en de vorderingen in hoger beroep

3.1

[appellant] heeft Vitens gedagvaard voor de rechtbank Overijssel en gevorderd voor recht te verklaren dat Vitens jegens [appellant] aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden schade als gevolg van de lekkage aan de oude aansluitleiding, veroordeling van Vitens tot betaling van € 119.289,79, vermeerderd met buitengerechtelijke kosten en met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening en tot veroordeling van schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van Vitens in de proceskosten.

3.2

De rechtbank heeft bij vonnis van 4 mei 2016 geoordeeld dat Vitens als leidingbeheerder op grond van artikel 6:174 lid 2 BW risicoaansprakelijk is voor de gevolgen van het uitstromen van water uit de oude aansluitleiding. De rechtbank heeft het beroep van Vitens op de beperking van die aansprakelijkheid (artikel 19 lid 2 en 4 van de algemene voorwaarden) gehonoreerd. De rechtbank heeft het beroep van Vitens op eigen schuld van [appellant] verworpen en geen grond gezien voor een verdergaande beperking van de omvang van de schadevergoedingsplicht van Vitens. De rechtbank heeft vervolgens voor recht verklaard dat Vitens tot een beloop van € 3.500,- aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden en nog te lijden schade aan de woning als gevolg van de lekkage van de in 2004 buiten gebruik gestelde aansluitleiding. De rechtbank heeft Vitens veroordeeld tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 4.035,50 ( € 3.500,- en € 535,50 ter zake van buitengerechtelijke kosten), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2015, onder afwijzing van het meer of anders gevorderde. De rechtbank heeft de proceskosten gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.3

[appellant] heeft in hoger beroep gevorderd het vonnis van de rechtbank van 4 mei 2016 te vernietigen en de vorderingen van [appellant] alsnog toe te wijzen, aldus dat het hof voor recht verklaart dat Vitens jegens [appellant] aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden en nog te lijden schade als gevolg van de lekkage van de waterleiding in het eigendom van [appellant] , Vitens te veroordelen tot betaling van € 92.304,43 uit hoofde van schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, en tot schadevergoeding op maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en tot betaling van € 2.381,15 aan buitengerechtelijke incassokosten.

3.4

Vitens heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld dat er toe strekt dat het vonnis van 4 mei 2016 wordt vernietigd en dat de vorderingen van [appellant] alsnog volledig worden afgewezen, althans de vergoedingsplicht van Vitens te verminderen tot
€ 3.000,-, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep. Bij memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel hoger heeft [appellant] verzocht het incidenteel hoger beroep te verwerpen en Vitens in de kosten van het principaal en het incidenteel hoger beroep te veroordelen.

4. De beoordeling van de grieven in het principaal en het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep en de vordering

4.1

Het hof stelt vast dat [appellant] bij memorie van grieven zijn eis heeft verminderd. Het hof zal recht doen op die verminderde eis.

4.2

Met de grieven 1 tot en met 4 betwist [appellant] dat Vitens met succes een beroep kan doen op de beperking van aansprakelijkheid op grond van artikel 19 lid 2 en lid 4 van de algemene voorwaarden van Vitens. Grief 5 strekt er toe dat van eigen schuld van [appellant] geen sprake is. Grieven 6 en 7 (abusievelijk als grief 13 genummerd) zijn gericht tegen het niet volledig toewijzen van de vorderingen (waaronder de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten) en de compensatie van de proceskosten in eerste aanleg. In het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep stelt Vitens zich op het standpunt dat van eigen schuld van [appellant] (en [C] ) sprake is, wat zou moeten leiden tot integrale afwijzing van de vorderingen van [appellant] dan wel tot een verdergaande beperking van de schadevergoedingsplicht van Vitens.

4.3

De grieven in het principaal en het incidenteel hoger beroep lenen zich voor gezamenlijke beoordeling, waarbij het hof mede acht zal slaan op verweren die bij het slagen van de grieven op grond van devolutieve werking van het hoger beroep opnieuw moeten worden beoordeeld. Dat betreft ook het beroep van Vitens op eigen schuld van [appellant] . In zoverre is het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep overbodig ingesteld.

4.4

Daargelaten of de aansluitleiding al dan niet goed is afgedopt in 2004 of op enig later moment tijdens bouwwerkzaamheden in de woning is doorgezaagd of beschadigd is geraakt, zoals door Vitens is gesuggereerd, vast staat dat de lekkage niet zou zijn opgetreden indien de dienstkraan op de hoofdleiding afgesloten zou zijn gebleven. In januari 2015 (zie 2.11) is naar aanleiding van de klachten van [appellant] bij het onderzoek van de monteurs van Vitens gebleken dat de dienstkraan niet goed (meer) was afgesloten. Dat heeft er toe geleid dat er water door de oude aansluitleiding is kunnen blijven stromen. Of deze leiding destijds in 2004 niet goed is dichtgedraaid of dat deze, zoals ter comparitie in hoger beroep door Vitens is gesuggereerd, spontaan en door de druk van het water in de hoofdleiding op een later moment is losgeraakt, kan daarbij in het midden blijven: Vitens bestrijdt niet dat in beide gevallen sprake is van een gebrekkige leiding die op grond van artikel 6:174 lid 2 BW een risicoaansprakelijkheid voor Vitens als leidingbeheerder vestigt. De dienstkraan bevindt zich buiten de woning: de uitzondering van de laatste zin (‘behalve’) van artikel 6:174 lid 2 BW is daarom niet van toepassing, zoals Vitens ter comparitie in hoger beroep desgevraagd heeft erkend. Terecht heeft Vitens ook niet betoogd dat haar onbekendheid met het gebrek aan aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 lid 2 BW in de weg staat.

4.5

De (risico)aansprakelijkheid van Vitens brengt mee dat zij in beginsel volledig aansprakelijk is voor de schade die [appellant] heeft geleden. De aanspraak van [appellant] op volledige schadevergoeding bestaat slechts in beginsel gezien het beroep van Vitens op artikel 19 lid 2 en 4 van haar algemene voorwaarden. Dat beroep is door de rechtbank gehonoreerd. Ook heeft Vitens een beroep gedaan op eigen schuld van [appellant] en (zijn rechtsvoorganger) [C] .

4.6

Het hof begrijpt de toelichting op de grieven 1 tot en met 4 van [appellant] (bladzijde 8 en 14) in onderling verband en samenhang gelezen, in combinatie met wat ter comparitie in hoger beroep ter toelichting daarop is aangevoerd, aldus dat [appellant] betwist dat de artikelen 19 lid 2 en 4 in de gegeven omstandigheden van toepassing zijn op de aan de orde zijnde risicoaansprakelijkheid. Volgens [appellant] is dat niet het geval, omdat, zo begrijpt het hof zijn standpunt, de regeling van artikel 19.2 en 19.4 alleen van toepassing is voor schade als gevolg van een gebrek aan de aansluiting waarop de overeenkomst tussen hem en Vitens betrekking heeft en niet op schade als gevolg van een gebrekkige andere, oude aansluiting, die zich weliswaar onder zijn woning bevindt maar waar het leveringscontract tussen hem en Vitens geen betrekking op heeft (en waarmee [appellant] niet bekend was bij het aangaan van de overeenkomst en Vitens wel, althans dit behoorde te zijn).

4.7

Dienaangaande wordt als volgt overwogen. Het hof gaat er op grond van de niet voldoende gemotiveerd bestreden stellingen van [appellant] vanuit dat het gebrek aan de oude aansluitleiding reeds voor het sluiten van de overeenkomst in 2014 is ontstaan. Uit de stellingen van Vitens in het kader van het beroep op eigen schuld volgt dat ook zij zich op het standpunt stelt (conclusie van antwoord randnummer 35, memorie van antwoord, randnummer 50) dat het zeer waarschijnlijk is dat de oude aansluiting ook al in 2013 water doorliet. Gelet op het verweer van [appellant] als hiervoor onder 4.6 is weergegeven lag het op de weg van Vitens om nader toe te lichten waarom de artikelen 19.2 en 19.4 zo moeten worden uitgelegd dat deze tevens betrekking hebben op schade als gevolg van andere gebrekkige (oude) aansluitingen dan die waarop de overeenkomst betrekking heeft. Bepalingen in algemene voorwaarden als de onderhavige dienen te worden uitgelegd overeenkomstig de zogenoemde haviltexmaatstaf: het komt aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158). Nu over de inhoud daarvan tussen partijen niet is onderhandeld, zal de uitleg daarvan met name afhankelijk zijn van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepalingen zijn gesteld, gelezen in het licht van de voorwaarden als geheel. Ten slotte is van belang dat [appellant] een consument is. Daarom geldt dat de bedingen duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld en dat bij twijfel over de betekenis van een beding, de voor [appellant] gunstige uitleg prevaleert: artikel 6:238 lid 2 BW.

4.8

Naar het oordeel van het hof leidt de tekst van de artikelen 19.2 en 19.4 van de algemene voorwaarden bepaald niet zonder meer tot de uitleg die Vitens daaraan geeft. Integendeel: in de tekst van de artikelen 19 lid 2 en 19.4 van de algemene voorwaarden worden de woorden 'gebrekkige aansluiting' en 'levering' in één adem genoemd, hetgeen suggereert dat het gaat om de aansluiting via welke de levering plaatsvindt. Vitens heeft volstaan met het citeren van de tekst van de artikelen 19 lid 2 en lid 4 van de algemene voorwaarden en geen exemplaar met de volledige tekst van de algemene voorwaarden in het geding gebracht. Vitens heeft overigens ook niet gesteld dat uit de context van de artikelen binnen de overige bepalingen van de algemene voorwaarden tot een uitleg moet worden gekomen waarbij de exoneratie tevens betrekking heeft op schade door andere aansluitingen dan die via welke de levering plaatsvindt. Het hof komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat Vitens onvoldoende heeft onderbouwd dat en waarom haar risicoaansprakelijkheid in de gegeven omstandigheden, waarin sprake is van schade als gevolg van een andere aansluiting dan die waarop de levering betrekking heeft, door deze artikelen wordt beperkt. Voor zover al over die uitleg zou kunnen worden getwijfeld, dan geeft het bepaalde in artikel 6:238 lid 2 BW de doorslag ten gunste van [appellant] . De grieven 1 tot en met 4 van [appellant] slagen dan ook. Met dat oordeel kan de vraag of de artikelen 19 lid 2 en lid 4 onredelijk bezwarend zijn of dat Vitens naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep daarop kan doen onbeantwoord blijven.

4.9

Wat betreft het beroep van Vitens op eigen schuld van [appellant] heeft Vitens geen feitelijke onderbouwing gegeven aan haar stelling dat aan [appellant] toe te rekenen omstandigheden hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade. Vitens verwijt [appellant] (en diens voorganger [C] ) weliswaar een gebrek aan (nader) onderzoek - [C] in 2013, [appellant] in 2014 bij aankoop van de woning - maar welke invloed een dergelijk onderzoek op het geconstateerde verrottingsproces zou hebben gehad is niet onderbouwd, in die zin dat onvoldoende onderbouwd is gesteld dat de schade bij eerdere ontdekking minder zou zijn geweest dan nu.

4.10

Het verwijt dat Vitens aan [appellant] en [C] maakt is ook overigens onterecht: het rapport van VEH vormde naar het oordeel van het hof voor [appellant] onvoldoende aanleiding om onderzoek te doen naar mogelijke aanwezigheid van water in de kruipruimte als gevolg van een (hem niet bekende) kennelijk lekkende oude aansluitleiding. Bovendien heeft [appellant] onweersproken gesteld dat hij tijdens een bezichtiging via een gat in de vloer van de meterkast in de kruipruimte heeft gevoeld en toen geen water heeft gevoeld. Waarom hij een verdergaand onderzoek had moeten doen, heeft Vitens onvoldoende toegelicht. [C] heeft in 2013 een melding gedaan. Het verwijt dat hij, nadat de nieuwe leiding een week lang was afgesloten, opnieuw onderzoek had moeten doen naar de aanwezigheid van een (hem onbekende) lekkende oude aansluitleiding acht het hof niet onderbouwd. Voorts valt niet in te zien waarom Vitens, die wel bekend was met de oude aansluiting althans dat behoorde te zijn, niet zelf nader onderzoek heeft gedaan naar de herkomst van het - heldere - water in de kruipruimte van de woning. Het beroep van Vitens op eigen schuld van [appellant] en van [C] – daargelaten of eigen schuld van [C] aan [appellant] kan worden toegerekend – faalt daarom. Daarop strandt de grief in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep. Grief 5 van [appellant] slaagt in zoverre op inhoudelijke gronden, ook al heeft [appellant] daarbij op zich geen belang, omdat het beroep op eigen schuld door de rechtbank ook al was verworpen.

4.11

Voor zover Vitens heeft beoogd te bestrijden dat de schade van [appellant] niet een gevolg is van lekkage van de oude aansluitleiding maar bijvoorbeeld van opkomend grondwater, is ook dat verweer onvoldoende onderbouwd. Die stelling is louter speculatief en vindt geen enkele steun in de overgelegde rapporten en andere bescheiden, zodat het hof bij gebrek aan deugdelijke onderbouwing aan dat verweer voorbijgaat.

4.12

Tussenconclusie is dat Vitens ten volle aansprakelijk is voor de schade die [appellant] als gevolg van de lekkage van de oude aansluitleiding heeft geleden en nog zal lijden. Ten aanzien van de omvang van die schade overweegt het hof het volgende.

4.13

Ter onderbouwing van de omvang van de schade heeft [appellant] een beroep gedaan op het bij memorie van grieven in het geding gebrachte rapport van Hanselman. Naast vergoeding van de daarin genoemde ‘bouwkundige herstelkosten’ (€ 46.932,61), ‘overige werkzaamheden’ (€ 21.080.82) en ‘overige kosten ( € 10.587,-) maakt [appellant] aanspraak op vergoeding van extra kosten van gas en elektra in 2015/2016 (€ 3.704,-) en vergoeding van immateriële schade (€ 15.000,-). De totale schade bedraagt volgens [appellant]
€ 97.304,43, waarop het bedrag van € 5.000,- dat zijn opstalverzekeraar aan hem heeft betaald in mindering strekt. Daarnaast stelt [appellant] dat er nog meer schadeposten zijn die verwijzing naar een schadestaatprocedure rechtvaardigen. Ter comparitie in hoger beroep is van de zijde van [appellant] verklaard dat hij een deel van de gebreken heeft laten herstellen en dat hij daarvoor zijn hypothecaire geldlening heeft verhoogd met een bedrag van € 60.000,-.

4.14

Het hof acht op grond van het rapport van Hanselman afdoende aangetoond dat de vloerbalken vervangen moeten worden - met uitzondering van de met carboleum bewerkte balken - en dat het daarvoor nodig is om de daarop bevestigde parketvloer(delen) te verwijderen, en dat deze vloerdelen niet opnieuw gebruikt kunnen worden. Ook de tegelvloer in het toilet dient vervangen te worden. Vitens heeft deze door Hanselman in haar rapport op bladzijde 6 neergelegde bevindingen onvoldoende gemotiveerd betwist met haar enkele stelling dat de kruipruimte is onderverdeeld in compartimenten zodat niet de gehele vloer door water is aangetast. De stelling van Vitens dat niet alle parketvloeren hoeven te worden vervangen maar slechts 16m2 zoals door Cunningham Lindsey op 17 februari 2015 zou zijn vastgesteld, is niet onderbouwd: in de van Cunningham Lindsey afkomstige correspondentie die bij dagvaarding is overgelegd blijkt niet dat zij tijdens haar opname deze constatering heeft gedaan. Cunningham Lindsey heeft in haar brief van 28 september 2015 daarentegen wel aangegeven dat het reëel lijkt om aan te nemen dat door langdurige vochtbelasting de houten vloerconstructie is aangetast (blz 2) en dat de geclaimde/voorgenomen wijze van herstel aannemelijk is. Vitens heeft verder niet voldoende gemotiveerd betwist de bevindingen van de deskundige van Hanselman betreffende de noodzaak om de keuken te demonteren en na vervanging van de vloerdelen opnieuw te plaatsen. De met de bouwkundige werkzaamheden zoals die noodzakelijk worden geacht gemoeide bedragen zijn door Vitens niet betwist.

4.15

Het voorgaande brengt mee dat de met herstel gemoeide kosten – de post ‘bouwkundige kosten’ in het rapport van Hanselman – tot een bedrag van € 46.932,61 toewijsbaar zijn. Ook de post ‘lamellenparket’ onder het kopje ‘Overige werkzaamheden’ , die ziet op vervanging van het parket , waarvoor – door Vitens niet bestreden – een bedrag van € 11.703,50 is begroot, rekening houdend met aftrek wegens ‘nieuw voor oud’, toewijsbaar.

4.16

Het hof acht een comparitie nodig om van [appellant] inlichtingen te krijgen over de geclaimde kosten voor schilderwerkzaamheden, raambekleding, ontvochtigingsapparatuur, opslag inboedel, extra verblijfkosten en reiskosten, huurderving, hypotheekkosten en verhoogde energiekosten/droging en extra schoonmaak en extra kosten gas en elektra voor jaren 2015/2016. De bij dagvaarding in eerste aanleg gegeven omschrijving is als toelichting (vooralsnog) ontoereikend, mede gezien het verweer van Vitens dat deze kosten niet (volledig) aan Vitens kunnen worden toegerekend op grond van artikel 6:98 BW en het niet in alle gevallen gaat om noodzakelijk te maken kosten.

4.17

[appellant] heeft een bedrag van € 15.000,- gevorderd als vergoeding wegens ‘gederfde levensvreugde’. Uit de inleidende dagvaarding (bladzijde 10 ) valt op te maken dat hij met deze vergoeding het oog heeft op een vergoeding wegens ‘uncertainty, inconvenience., stress en suffering’. Vitens heeft de vordering van [appellant] gemotiveerd betwist, waarna [appellant] heeft verzuimd, hoewel dit wel op zijn weg lag, zijn stellingen tegenover de betwisting van Vitens voldoende met feiten en omstandigheden te onderbouwen, zodat niet valt te beoordelen of is voldaan aan de vereisten die door artikel 6:106 BW aan een vordering tot vergoeding van immateriële schade worden gesteld. De vordering tot vergoeding van immateriële schade is daarom niet toewijsbaar.

4.18

De (enkelvoudige) comparitie zal ook worden benut om met partijen over de mogelijkheden voor een minnelijke regeling te spreken. Tijdens eerdere comparities konden partijen het niet met elkaar eens worden over een minnelijke regeling, maar wellicht is dat met de in dit arrest gegeven beslissingen omtrent de (niet bestaande beperking van de) aansprakelijkheid van Vitens anders geworden.

4.19

Het hof zal verdere beslissingen over de vorderingen en de proceskosten aanhouden.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bepaalt dat partijen, [appellant] in persoon en Vitens vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en bevoegd is tot het aangaan van een schikking samen met hun advocaten zullen verschijnen voor het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. J. Smit, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden op een nader door deze te bepalen dag en tijdstip, om inlichtingen te geven als onder 4.16 vermeld en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden juni tot en met oktober 2018 zullen opgeven op de roldatum 3 april 2018, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van de comparitie van partijen nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt verder iedere beslissing aan;

Dit arrest is gewezen door mrs. J. Smit, L. Janse en R.E. Weening en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2018.