Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:2582

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-03-2018
Datum publicatie
10-04-2018
Zaaknummer
WAHV 200.193.097
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu het bedrag van de sanctie is gematigd door de kantonrechter, is de betrokkene (deels) in het gelijk gesteld en bestaat in beginsel aanleiding voor vergoeding van proceskosten. Dat geldt voor de kosten gemaakt in de procedure bij de kantonrechter en ook voor de kosten gemaakt in de procedure bij de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.193.097

19 maart 2018

CJIB 186276957

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag

van 24 mei 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 200,-.Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van de betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 400,- opgelegd ter zake van “voor een motorrijtuig niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”, welke gedraging blijkens een registercontrole van de RDW zou zijn verricht op 30 oktober 2014 met het voertuig met het kenteken [YY-00-YY] .

2. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie d.d. 23 maart 2015 gedeeltelijk gegrond verklaard en, met wijziging van die beslissing, het sanctiebedrag gematigd tot € 200,- in verband met de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht. De kantonrechter heeft de verzochte proceskostenvergoeding afgewezen.

3. In hoger beroep wordt de onderhavige gedraging niet ontkend. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de beslissing van de kantonrechter moet worden vernietigd vanwege het (in het dossier) ontbreken van een proces-verbaal van de zitting. Voorts bepleit de gemachtigde, vanwege de specifieke omstandigheden van het geval, een verdere matiging van de sanctie dan waartoe de kantonrechter is overgegaan.

4. Het hof stelt voorop dat de stelling van de gemachtigde dat het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter ontbreekt, feitelijke grondslag mist. In het dossier bevindt zich namelijk wel degelijk een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden zitting van
24 mei 2016 (tevens houdende beslissing op het beroep).

5. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de gedraging niet wordt ontkend, staat vast dat de gedraging is verricht. Het hof dient vervolgens te beoordelen of er redenen zijn om tot (verdere) matiging van de sanctie over te gaan.

6. Op grond van artikel 2, derde lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) is de hoogte van de sanctie voor elke gedraging vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. Deze in hoge mate tariefmatige afdoening van gedragingen brengt mee dat de omstandigheden van het concrete geval niet licht van invloed zullen zijn op de hoogte van de opgelegde sanctie. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven om van de vastgestelde tarieven af te wijken.

7. De gemachtigde heeft in zijn hoger beroepschrift dergelijke bijzondere omstandigheden niet aangevoerd. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter afdoende rekening heeft gehouden met de eerder in de procedure door de gemachtigde opgeworpen omstandigheden door de sanctie met de helft te matigen. Voor een verdergaande matiging ziet het hof dan ook geen aanleiding.

8. De gemachtigde voert in hoger beroep ten slotte nog aan dat de kantonrechter ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend.

9. Ten aanzien van het verzoek van de gemachtigde om vergoeding van proceskosten heeft de kantonrechter als volgt overwogen: "Volgens het wettelijk kader komt een proceskostenvergoeding alleen in zicht als het bestuursorgaan onrechtmatig heeft gehandeld en dat onrechtmatig handelen de kantonrechter aanleiding heeft gegeven om de beschikking en/of de beslissing van de officier van justitie te vernietigen. Nu de inleidende beschikking niet wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid is herroepen, dient het verzoek om vergoeding van kosten in administratief beroep te worden afgewezen."

10. Artikel 13a, eerste lid, eerste volzin, van de Wahv bepaalt, voor zover hier van belang, dat de kantonrechter bij uitsluiting bevoegd is een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

11. Dit brengt mee dat de kantonrechter een zekere beoordelingsruimte heeft bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre een verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding moet worden ingewilligd. Anderzijds kan niet uit het oog worden verloren dat de regeling van de proceskostenvergoeding is ingegeven door de gedachte dat indien een betrokkene proceskosten heeft moeten maken met het oog op het bij een administratieve beroepsinstantie of rechterlijke instantie aanvechten van een beslissing, en die aangevochten beslissing vervolgens -al dan niet ambtshalve- door die instantie geheel of gedeeltelijk ongedaan wordt gemaakt, het niet redelijk is om de proceskosten voor rekening van de betrokkene te laten blijven.

12. Nu het bedrag van de sanctie is gematigd, is de betrokkene (gedeeltelijk) in het gelijk gesteld door de kantonrechter. Als uitgangspunt heeft te gelden dat in een zodanig geval aanleiding bestaat voor inwilliging van het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding, gemaakt in de procedure bij de kantonrechter. Dat is slechts anders indien geoordeeld zou moeten worden dat er sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Daarvan is in het onderhavige geval niet gebleken.

13. Een en ander brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding is afgewezen, niet in stand kan blijven. Het hof zal, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, bepalen dat aan de betrokkene een proceskostenvergoeding wordt toegekend voor de behandeling van het beroep bij de kantonrechter.

14. Voor de behandeling van het administratief beroep bij de officier van justitie moet eveneens een proceskostenvergoeding worden toegekend, nu de beslissing van de kantonrechter erop neerkomt dat onvoldoende rekening gehouden is met de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden en de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert als bedoeld in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, Wahv. Aldus is de inleidende beschikking herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

15. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een beroepschrift bij de officier van justitie en het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter. Aan het indienen van een beroepschrift dient telkens één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 501,-. Gelet op de aard van de onderhavige zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 501,- (= 2 x
€ 501,- x 0,5).

15. Nu de betrokkene ook in hoger beroep in het gelijk wordt gesteld, komt het verzoek om toekenning van een vergoeding voor de proceskosten gemaakt in hoger beroep eveneens voor vergoeding in aanmerking. De gemachtigde heeft in hoger beroep de volgende proceshandeling verricht: het indienen van een hoger beroepschrift. Aan het indienen van dit beroepschrift moet een punt worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 501,-. Nu de betrokkene op een punt van ondergeschikt belang in het gelijk wordt gesteld (vergelijk artikel 2, tweede lid, van het Besluit), past het hof wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten van het hoger beroep tot een bedrag van € 125,25 (= 1 x € 501,- x 0,25).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van proceskosten is afgewezen;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene ter hoogte van € 626,25, over te maken op rekeningnummer [00000] ten name van [B] te [C] .

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Arends als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.