Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:2548

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
200.217.054/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek gezamenlijk gezag, dan wel eenhoofdig gezag. De gecertificeerde is leidend in de keuzes die in het belang van de minderjarige gemaakt worden. Daarbij maakt het geen verschil, mede gelet op de leeftijd van de minderjarige, wie het gezag heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2018/69 met annotatie van F.R. Menso
PFR-Updates.nl 2018-0088
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.217.054/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/426139 / FL RK 16-2206)

beschikking van 13 maart 2018

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. Y.M.M. Ooykaas te Rotterdam,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.A. Neslo te Almere.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

de gecertificeerde instelling

Samen Veilig Midden-Nederland,

gevestigd te Almere,

verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 8 maart 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 6 juni 2017;

- een journaalbericht namens mr. Ooykaas van 26 juni 2017 met productie(s);

- een journaalbericht namens mr. Neslo van 4 augustus 2017 met productie(s);

- een faxbericht namens mr. Ooykaas van 31 januari 2018 met productie(s).

2.2

Op 5 februari 2018 is [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren [in]

2000, verschenen, die buiten aanwezigheid van partijen door het hof is gehoord.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 5 februari 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is mevrouw [C] verschenen. De vertegenwoordiger van de GI, de heer [D] , is met instemming van partijen telefonisch en in aanwezigheid van partijen gehoord.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] voornoemd, over wie de moeder alleen het gezag uitoefent. [de minderjarige] heeft altijd haar hoofdverblijfplaats bij de moeder gehad.

3.2

[de minderjarige] staat sinds 19 augustus 2016 (aanvankelijk voorlopig) onder toezicht van de GI.

3.3

[de minderjarige] heeft van begin augustus 2016 tot medio december 2016 (deels) op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader gewoond. Sinds augustus 2017 woont zij op haarzelf.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de vader tot wijziging van het gezag over [de minderjarige] in die zin dat hij samen met de moeder wordt belast met dat gezag afgewezen.

4.2

De vader is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van

8 maart 2017. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De vader verzoekt de beschikking van 8 maart 2017 te vernietigen en opnieuw rechtdoende primair te bepalen dat beide partijen met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] worden belast en subsidiair dat hij alleen met het ouderlijk gezag wordt belast, en de kosten te compenseren.

4.3

Het subsidiaire verzoek betreft een vermeerdering van het verzoek van de vader, omdat hij bij de rechtbank niet heeft gevraagd alleen met het ouderlijk gezag te worden belast. De moeder heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze vermeerdering van het verzoek. Het hof ziet ook geen aanleiding de vermeerdering van het verzoek ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Het hof zal dan ook recht doen op dit gewijzigd verzoek.

4.4

De moeder heeft ter zitting inhoudelijk verweer gevoerd. Zij verzoekt de beschikking van 8 maart 2017 te bekrachtigen en het verzoek van de vader hem alleen met het gezag over [de minderjarige] te belasten af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat wanneer de andere ouder het gezag over het kind uitoefent, het verzoek van de ouder om hem alleen met het gezag te belasten slechts wordt ingewilligd, indien de rechter dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt.

5.2

Ter zitting is gebleken dat zowel de ouders, de GI als de raad het er inmiddels wel over eens zijn dat gezamenlijk gezag niet in het belang is van [de minderjarige] , omdat dit een onaanvaardbaar risico meebrengt dat zij (nog verder) klem of verloren zou raken tussen de ouders. Niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd, laat staan voor haar achttiende verjaardag op 22 december 2018, voldoende verbetering zal komen. Ook [de minderjarige] heeft in het gesprek met de raadsheer-commissaris aangegeven dat zij het niet ziet zitten dat de ouders in gezamenlijkheid beslissingen over haar zouden moeten nemen. Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof daarom van oordeel dat het primaire verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag moet worden afgewezen.

5.3

De vader heeft in hoger beroep zijn verzoek vermeerderd en verzocht hem voortaan alleen met het gezag over [de minderjarige] te belasten. Blijkens artikel 1:253c lid 3 BW wordt dit verzoek slechts ingewilligd indien dit in het belang van [de minderjarige] wenselijk is. Het hof ziet daarvoor onvoldoende aanleiding, mede gelet op de omstandigheid dat de periode waarin [de minderjarige] , gezien haar leeftijd, nog onder het wettelijk gezag van haar ouder(s) staat minder dan tien maanden behelst. Daarbij is in het bijzonder het volgende in ogenschouw genomen.

5.4

Iedereen is het erover eens dat de huidige situatie van [de minderjarige] ronduit zorgelijk is. Het is enkel uit nood dat zij nu als 17-jarige op haarzelf woont zonder enige vorm van begeleiding of voorafgaande zelfstandigheidstraining. Hoewel [de minderjarige] een slim meisje is (zij zit op het gymnasium), bestaan forse zorgen over haar sociaal-emotionele ontwikkeling.

Gebleken is dat [de minderjarige] grotendeels door de moeder alleen is verzorgd en opgevoed. De ouders zijn vrijwel direct na de geboorte van [de minderjarige] uit elkaar gegaan. In wezen zit [de minderjarige] haar hele leven al klem tussen de vechtende ouders. Naar aanleiding van een incident tussen de ouders in 2008, waarbij ook de nieuwe partner van de vader betrokken was, hebben de ouders jarenlang (juridisch) strijd gevoerd over de omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de vader. Eind 2011 respectievelijk begin 2013 hebben de rechtbank en het hof, laatstgenoemde na deskundigenonderzoek door [E] , geoordeeld - kort gezegd - dat omgang met de vader strijdig is met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige] . Sinds eind 2014/begin 2015 is, aanvankelijk met instemming van de moeder, sprake van hernieuwd contact tussen [de minderjarige] en de vader. Sindsdien is [de minderjarige] , destijds 14 jaar, bij de moeder thuis (toenemende) gedragsproblemen gaan vertonen. Na ruim anderhalf jaar was de situatie bij de moeder onhoudbaar geworden waardoor zelfs een voorlopige ondertoezichtstelling en (spoed)uithuisplaatsing bij de vader noodzakelijk zijn gebleken. Al gauw is echter ook bij de vader thuis een conflict ontstaan met [de minderjarige] waarna zij uiteindelijk, ter overbrugging naar een betere oplossing, toch weer bij de moeder is gaan wonen. Zoals gezegd woont zij sinds een half jaar op haarzelf.

5.5

De ouders geven elkaar over en weer de schuld van het feit dat het nu zo slecht gaat met [de minderjarige] . [de minderjarige] kampt echter vooral met een loyaliteitsconflict omdat de ouders niet op één lijn kunnen komen. Zij zit als het ware tussen twee vuren in. Daarbij is zij slim genoeg om de ouders tegen elkaar uit te spelen. [de minderjarige] gaat naar de vader als ze van de moeder niet krijgt wat ze wil en andersom, hetgeen overigens niet ongewoon is in de puberteit. Juist door de aanhoudende strijd van de ouders als ex-partners heeft [de minderjarige] de afgelopen, voor haar ontwikkeling naar volwassenheid vormende, jaren echter de ruimte gekregen en ook genomen voor het vertonen van zeer zelfbepalend gedrag met alle risico's van dien die helaas ook zijn bewaarheid. Aangezien het de ouders niet (is ge)lukt om verantwoord invulling te geven aan de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] is ter bescherming van haar de GI als onafhankelijke derde ingeschakeld. De jeugdbeschermer heeft ter zitting (telefonisch) zijn grote betrokkenheid bij [de minderjarige] getoond. [de minderjarige] is bij hem in goede handen.

5.6

Gegeven de huidige stand van zaken acht het hof het in het belang van [de minderjarige] dat de GI leidend is en blijft bij de over haar tijdens haar minderjarigheid nog te nemen beslissingen. In die zin maakt het dus niet uit wie van de ouders in die relatief korte periode het gezag heeft. Bovendien heeft de jeugdbeschermer goed (genoeg) contact met beide ouders. Zowel de vader als de moeder worden nauw betrokken in de stappen die worden genomen inzake de ontwikkeling van [de minderjarige] . Omdat gebleken is dat gezamenlijk gezag geen reële optie is en niet is komen vast te staan dat het meer in het belang van [de minderjarige] zou zijn als op dit moment de vader in plaats van de moeder met het gezag over haar zou worden belast, dient de (gezag)situatie te blijven zoals deze nu is. Dit past bij de koers die de GI onlangs heeft ingezet om [de minderjarige] in [B] begeleid op kamers te krijgen en na haar eindexamens ook te houden. Vanwege grote zorgen over haar eenzaamheid en gemoedstoestand heeft de GI [de minderjarige] namelijk (weer) aangemeld voor een zelfstandigheidstraject in [B] .

5.7

Ondanks dat [de minderjarige] haar wens dat de vader alleen het gezag over haar krijgt in het gesprek met de raadsheer-commissaris goed heeft kunnen beargumenteren, acht het hof de hierboven genoemde beslissing het meest in haar belang. [de minderjarige] heeft de afgelopen jaren een patroon laten zien van overstappen tussen de ouders naar gelang het haar uitkwam. Zij is wisselend in wat zij wil. Bovendien kan zij alleen al vanwege haar leeftijd nog niet altijd overzien wat het beste voor haar is. Ook voor [de minderjarige] geldt dat de GI leidend is in de keuzes die (in haar belang) gemaakt worden. Daarbij maakt het geen verschil of de vader of de moeder het gezag over haar heeft.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure het uit die relatie geboren kind betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 8 maart 2017;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, G. Jonkman en I.M. Dölle, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 13 maart 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.