Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:2546

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
200.230.133/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Van rechtswege vervallen van de machtiging uithuisplaatsing. Tenuitvoerlegging van de machtiging impliceert een daadwerkelijke (24-uurs) verplaatsing van het verblijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0087
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.230.133/01

(zaaknummers rechtbank C/16/444869 / JL RK 17-552 & C/16/444855/JL RK 17-551)

beschikking van 15 maart 2018

inzake

[verzoekster] en [verzoeker],

wonende te [A] ,

verzoekers in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder en de vader / de ouders,

advocaat: mr. B.V. Rafaela te Rotterdam,

en

de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

kantoorhoudend te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 19 september 2017, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 19 december 2017;

  • -

    het verweerschrift van de GI met productie(s);

  • -

    een brief van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) van 11 januari 2018 en

  • -

    journaalberichten van mr. Rafaela van 25 januari 2018 met productie(s).

2.2

Het hof heeft het faxbericht van de GI van 16 februari 2018 buiten beschouwing gelaten omdat het te laat is ingediend, gelet op het bepaalde daaromtrent in het procesreglement.

2.3

De hierna genoemde minderjarigen [de minderjarige3] , [de minderjarige2] , [de minderjarige1] en [de minderjarige4] zijn door het hof in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken maar hebben daarvan geen gebruik gemaakt.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 16 februari 2018 te Zwolle plaatsgevonden. De ouders zijn daarbij verschenen, bijgestaan door hun advocaat en mw. [B] als tolk Papiamento. Voorts zijn namens de GI verschenen mevrouw [C] en mevrouw [D] . De raad is - met bericht - niet verschenen.

3 De feiten

3.1

Verzoekers zijn de ouders van:

  • -

    [de minderjarige1] , geboren [in] 2000 ( [de minderjarige1] );

  • -

    [de minderjarige2] , geboren [in] 2002 ( [de minderjarige2] );

  • -

    [de minderjarige3] , geboren [in] 2004 ( [de minderjarige3] );

  • -

    [de minderjarige4] , geboren [in] 2006 ( [de minderjarige4] ); en

  • -

    [de minderjarige5] , geboren [in] 2016 ( [de minderjarige5] ),

hierna ook: de kinderen.

3.2

De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen. De kinderen staan sinds 22 september 2016 onder toezicht van de GI.

3.3

In de bestreden beschikking is op verzoek van de GI de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 22 september 2018. Daarnaast is alleen voor [de minderjarige4] een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 19 september 2017 tot uiterlijk 19 maart 2018.

4 De omvang van het geschil

4.1

Het geschil in hoger beroep betreft zowel de verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] , [de minderjarige4] en [de minderjarige5] als de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige4] .

4.2

De ouders verzoeken het hof in dit verband om de bestreden beschikking te vernietigen (en, zo begrijpt het hof, de inleidende verzoeken van de GI alsnog af te wijzen).

4.3

De GI verzoekt het hof de ouders niet-ontvankelijk te verklaren in hun hoger beroep dan wel hun verzoek(en) af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

5 De motivering van de beslissing

De verlenging van de ondertoezichtstelling

5.1

Op grond van artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

  1. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

  2. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.2

Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengen telkens met ten hoogste een jaar mits aan de gronden van artikel 1:255, eerste lid, BW is voldaan.

5.3

De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking onder meer overwogen dat de ingezette hulpverlening (IAG) in de thuissituatie bij de ouders niet heeft kunnen werken aan de gestelde doelen van de ondertoezichtstelling. De ouders verzetten zich tegen de hulpverlening en willen alleen de samenwerking aangaan op hun eigen voorwaarden. De ouders hebben volgens de kinderrechter onvoldoende inzicht in de problematiek van de kinderen en gaan voorbij aan de behoeften en belangen van de kinderen. De ontwikkeling van alle kinderen wordt hierdoor bedreigd. Ten aanzien van [de minderjarige4] komt naar voren dat hij door zijn problematiek specifieke zorg behoeft. De huidige opvoedingsomgeving van [de minderjarige4] en de opvoedingsvaardigheden van de ouders komen op dit moment onvoldoende tegemoet aan de structuur, stabiliteit en voorspelbaarheid die [de minderjarige4] nodig heeft. Een plaatsing van [de minderjarige4] bij Stichting [E] is ontoereikend gebleken.

5.4

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting kan het hof zich na eigen onderzoek vinden in voormelde beoordeling en beslissing van de kinderrechter, voor zover het de drie jongste kinderen [de minderjarige3] , [de minderjarige4] en [de minderjarige5] betreft. Het hof deelt de zorgen van de GI over de opvoedingssituatie van deze kinderen bij de ouders, het probleeminzicht van de ouders en hun bereidheid om hulp te aanvaarden. Het jongste kind, [de minderjarige5] , is jong en kwetsbaar. Zij heeft een moeilijke start gehad vanwege complicaties bij de geboorte. Haar behandelaars in het ziekenhuis hebben hun zorgen geuit over mogelijke schade door zuurstofgebrek. Hoewel het nu goed lijkt te gaan met [de minderjarige5] heeft de kinderarts benoemd dat niet te voorspellen valt hoe haar ontwikkeling verder zal verlopen. Het hof kan de GI volgen in het standpunt dat [de minderjarige5] ’s ontwikkeling nauwlettend moet worden gevolgd en dat zulks gelet op de houding van de ouders niet in het vrijwillig kader kan plaatsvinden. Bij [de minderjarige3] en [de minderjarige4] is sprake van kindspecifieke problematiek en bijzondere opvoedingsbehoeften. [de minderjarige3] heeft groep acht van de basisschool inmiddels doorlopen en gaat nu naar het voortgezet onderwijs, hetgeen voor haar een grote overgang is. Vanuit een leerwegonderwijs-indicatie ontvangt zij extra ondersteuning op school. [de minderjarige3] heeft een benedengemiddeld IQ van 89 ( [F] maart 2017). Vanuit het onderzoek, gedaan door [F] , was geadviseerd om [de minderjarige3] aan te melden voor eerstelijns GGZ ruim vóór de start van het nieuwe schooljaar, om de overgang naar het voortgezet onderwijs soepel te laten verlopen. Voorts is al op de basisschool aanmelding bij [G] voor [de minderjarige3] geadviseerd maar de uitvoering heeft door toedoen van de ouders lang op zich laten wachten. [de minderjarige4] heeft ook zijn eigen problematiek waaronder ADHD en een disharmonisch intelligentieprofiel (VIQ 108, PIQ 83, GGZ Centraal Fornhese juni 2015) . Hij heeft in het bijzonder structuur, duidelijkheid en voorspelbaarheid nodig en opvoeders die zijn problematiek erkennen en die weten hoe hiermee om te gaan.

5.5

De ouders erkennen de problematiek en benodigde hulp voor de kinderen onvoldoende. De samenwerking tussen de ouders en de GI (en hulpverlening) verloopt moeizaam, de ouders informeren de GI niet of nauwelijks over zaken die in het kader van de ondertoezichtstelling van belang zijn en trekken veelal hun eigen plan. Daardoor is de hulpverlening vanuit de IAG die sinds januari 2017 is ingezet (in plaats van de ASH) vroegtijdig afgebroken en heeft de [H] geen effect gesorteerd. De ouders lijken slechts in staat om hulpverlening te accepteren op hun eigen voorwaarden. Ter zitting is in dit verband gebleken dat de ouders inmiddels zijn verhuisd (naar [a-straat 1] in [A] ) en dat in hun nieuwe woning ook weer familieleden bij hen zijn ingetrokken. De ouders hebben de GI hierover niet geïnformeerd. Dit bevestigt naar het oordeel van het hof de zorgen over de woonsituatie van de ouders, het probleeminzicht van de ouders en de bereidheid van de ouders om hulp te aanvaarden. De ouders accepteren blijkens de toelichting van de GI wel praktische hulp maar zodra het niet in hun straatje past haken de ouders af (en dienen zij klachten in). De drie jongste kinderen van de ouders worden naar het oordeel van het hof door de combinatie van de voormelde kind- en ouderfactoren ernstig in hun ontwikkeling bedreigd, terwijl hulp in een vrijwillig kader niet toereikend is gebleken.

5.6

Anders ligt dit naar het oordeel van het hof voor de twee oudste kinderen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De GI heeft desgevraagd ter zitting bevestigd dat er op dit moment geen concrete zorgen meer zijn over hun ontwikkeling Zij doen het goed en zijn minder kwetsbaar en/of hulpbehoevend dan de drie jongste kinderen. Het hof vindt dat daarmee voor de oudste twee kinderen onvoldoende gronden resteren voor verlenging van de ondertoezichtstelling. Het hof zal daarom de bestreden beschikking vernietigen voor zover het de verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] betreft.

De verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing voor [de minderjarige4]

5.7

Het is het hof gebleken dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige4] niet binnen drie maanden na het verlenen daarvan, dus niet vóór 19 december 2017, ten uitvoer is gelegd. Gelet op het bepaalde in artikel 1:265c, derde lid, BW is die machtiging daarom van rechtswege vervallen op 19 december 2017. Voor zover namens de GI ter zitting is aangevoerd dat de machtiging deels ten uitvoer is gelegd omdat er gesprekken zijn gevoerd in de periode vóór 19 december 2017 volgt het hof de GI daarin niet. Tenuitvoerlegging van de machtiging impliceert een daadwerkelijke (24-uurs) verplaatsing van het verblijf en niet slechts voorbereidende handelingen.

5.8

Het hof ziet zich hiermee gesteld voor de vraag of de ouders voldoende belang hebben bij een inhoudelijke toetsing van de machtiging. Vaste jurisprudentie is dat het belang bij een inhoudelijke toetsing van de maatregel niet behoort te worden ontzegd op de enkele grond dat de termijn ervan is verstreken (zie HR 14 oktober 2011, NJ 2011/596). De rechtmatigheid van de maatregel kan derhalve, ondanks het verstrijken van de termijn daarvan, worden getoetst. In lijn met die jurisprudentie gaat het hof ervan uit dat ook in een geval als het onderhavige, waarin de machtiging nimmer ten uitvoer is gelegd maar na drie maanden is vervallen, nog voldoende belang bij toetsing van de rechtmatigheid bestaat.

5.9

Artikel 1:265b, eerste lid, BW bepaalt in dit verband dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

5.10

Het is het hof gebleken dat [de minderjarige4] forse belemmeringen had -en heeft- door aandacht- en concentratieproblemen, motorische- en verbale onrust en impulsiviteit. Op school was hij niet te handhaven en ook thuis hadden de ouders grote moeite met zijn gedrag. [de minderjarige4] is in 2017 ter overbrugging en in overleg met de ouders naar dagbesteding geweest bij Stichting [E] , nadat hij lange tijd thuis had gezeten. In [A] waren toen geen geschikte scholen meer voor hem. Ook bij Stichting [E] kon [de minderjarige4] niet blijven vanwege zijn heftige gedrag. Daar speelde mee dat de ouders soms vergaten om hem zijn noodzakelijke medicatie te geven, wat zijn gedrag verergerde. Gelet op de forse kindeigen problematiek van [de minderjarige4] , die door de ouders onvoldoende werd (en wordt) erkend, de behoefte van [de minderjarige4] aan structuur, duidelijkheid en voorspelbaarheid van zijn directe opvoeders, de geconstateerde zorgen daarover bij de ouders en het feit dat de ouders niet voldoende bereid waren om noodzakelijk geachte hulp te aanvaarden, maakt dat het hof van oordeel is dat de uithuisplaatsing door de kinderrechter van [de minderjarige4] op 19 september 2017 op goede gronden is verleend.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de verlenging van de ondertoezichtstelling van de voornoemde minderjarigen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ;

en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarigen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] af;

bekrachtigt de beschikking voor het overige;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. de Groot, A. Smeeïng-van Hees en A.W. Beversluis, bijgestaan door mr. A.T. Harkema als griffier en is op 15 maart 2018 in het openbaar uitgesproken.