Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:2524

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-03-2018
Datum publicatie
10-04-2018
Zaaknummer
WAHV 200.192.645
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mobiele telefoon vasthouden. De gemachtigde van de betrokkene stelt dat de verbalisant aan zijn waarneming twijfelde en dat aan de betrokkene geen sanctie zou worden opgelegd. Niet duidelijk is geworden waarom het niet mogelijk was om de betrokkene een aankondiging van beschikking uit te reiken. De verbalisant heeft - anders dan algemeenheden - hierover geen

duidelijkheid verschaft. Ook heeft de verbalisant - twee aanvullende processen-verbaal ten spijt - niet aangegeven of hij de betrokkene een sanctie heeft aangezegd. Bij deze stand van zaken acht het hof het verweer van de gemachtigde, dat de verbalisant het gerechtvaardigd vertrouwen heeft

gewekt dat aan hem geen sanctie zou worden opgelegd, onvoldoende weerlegd. Oplegging van een sanctie wordt onder deze omstandigheden niet billijk geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.192.645

16 maart 2018

CJIB 183067173

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag

van 12 februari 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,

advocaat te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 230,- opgelegd ter zake van “als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden”, welke gedraging zou zijn verricht op 21 mei 2014 om 10:48 uur op de Ypenburgse Stationsweg te 's-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [0-YYY-00] .

2. De betrokkene heeft van meet af aan benadrukt, dat de verbalisant had toegezegd het bij een waarschuwing te laten. De verbalisant wist niet zeker of de betrokkene wel had gebeld en besloot daarom geen boete uit te schrijven. De betrokkene belt altijd handsfree via een kabeltje. Omdat dit kabeltje wel eens hapert, adviseerde de verbalisant hem om dit te vervangen. Vervolgens wenste de verbalisant de betrokkene goedendag. Merk en type van het toestel zijn niet genoteerd. Ook is geen aankondiging van beschikking uitgeschreven.

3. In reactie op dit verweer van de betrokkene heeft de officier van justitie de verbalisant gevraagd om een nader proces-verbaal op te maken. De verbalisant heeft op 11 oktober 2014 aan dit verzoek voldaan. Het proces-verbaal luidt, voor zover van belang:

“Naar aanleiding van het beroepschrift van betrokkene [betrokkene] […] verklaar ik, verbalisant, het volgende: Betrokkene [betrokkene] geeft in zijn beroepschrift aan dat ik had besloten om geen boete uit te schrijven; dat het bij een waarschuwing bleef. Voorts geeft hij aan dat ik het merk van zijn telefoon niet had opgeschreven. Ik heb hem niet gezegd dat ik geen boete uit zou schrijven en ik heb wel degelijk het merk van zijn telefoon opgeschreven. Het betrof een telefoon van het merk Nokia.”

4. In de procedure bij de kantonrechter en in hoger beroep heeft de gemachtigde van de betrokkene gereageerd op dit nadere proces-verbaal. De verklaring van de verbalisant wordt stellig betwist. De betrokkene was niet aan het bellen en de verbalisant zegde toe geen boete uit te schrijven omdat hij twijfelde. De betrokkene verkeerde dan ook in de gerechtvaardigde veronderstelling dat hem geen boete zou worden opgelegd. Er is bovendien geen aankondiging van beschikking uitgereikt. Ook beschikt de betrokkene niet over een Nokia, maar heeft hij een telefoon van het merk HTC. De gemachtigde noemt het onbegrijpelijk dat de betrokkene toch is bekeurd.

5. De advocaat-generaal heeft de verbalisant gevraagd om nogmaals een aanvullend proces-verbaal op te maken. Deze heeft op 15 maart 2017 aan dit verzoek voldaan.
Het proces-verbaal luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Het komt wel eens voor dat ik een aankondiging van beschikking aanzeg, snel de gegevens van de betrokkene en zijn voertuig noteer en vervolgens mijn weg [vervolg]. Dit doe ik bijvoorbeeld als ik een gedraging zie als ik onderweg ben naar een afspraak.”

6. Uit artikel 5 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv), zoals dit gold ten tijde van de vermeende gedraging, volgt dat uitgangspunt is dat een betrokkene, wanneer een mogelijke overtreding wordt geconstateerd, wordt staandegehouden en dat hem wordt aangezegd dat een sanctie zal worden opgelegd. Verder bepaalde artikel 4, tweede lid, van de Wahv, zoals dit gold ten tijde van de vermeende gedraging, dat zo mogelijk aanstonds een aankondiging van beschikking wordt uitgereikt of achtergelaten in of aan het motorvoertuig.

7. In de onderhavige zaak is geen aankondiging van beschikking uitgereikt, terwijl niet valt in te zien waarom dat niet mogelijk zou zijn geweest. De verbalisant heeft hieromtrent – anders dan enkele algemeenheden – geen duidelijkheid verschaft. Ook heeft de verbalisant, twee aanvullende processen-verbaal ten spijt, niet aangegeven of hij de betrokkene een sanctie heeft aangezegd. Bij deze stand van zaken acht het hof het verweer van de gemachtigde dat uitlatingen van de verbalisant bij de betrokkene het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt dat aan hem geen sanctie zou worden opgelegd, onvoldoende weerlegd. Dit brengt met zich dat, daargelaten de vraag of de gedraging is verricht, oplegging van een sanctie in dit geval niet billijk is. Daarom wordt als na te melden beslist.

8. Het hof ziet aanleiding om te bepalen dat de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden vergoed. De vergoeding van deze kosten is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de

betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter en het indienen van een hoger beroepschrift. Aan het indienen van een beroepschrift dient telkens één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt per 1 januari 2018 € 501,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 501,- (= 2 x € 501,- x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 4 november 2014, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 183067173 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 501,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.