Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:2444

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
15-03-2018
Zaaknummer
200.229.225/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Hetgeen verzoeker heeft aangevoerd vormt geen grond voor wraking, zodat de wrakingskamer het verzoek daartoe zal afwijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

wrakingskamer

zaaknummer gerechtshof 200.229.225/01

beslissing van 8 maart 2018

op het (schriftelijke) verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [A] , [a-straat 1] ,

verzoeker in het wrakingsincident,

hierna: verzoeker,

dat strekt tot wraking van:

mrs. G. Dam, R. de Groot en M.J. Wasmann,

raadsheren in dit hof, locatie Leeuwarden,

verweerders in het wrakingsincident.

Het verloop van de procedure

In de zaak betreffende de behandeling van het hoger beroep van verzoeker met de parketnummers 21-001381-13 (hoofdzaak) en 21-001400-13 (ontnemingszaak), heeft de meervoudige kamer van het hof op 29 november 2017 ter terechtzitting een tussenbeslissing genomen.

Verzoeker heeft naar aanleiding van deze beslissing ter zitting een verzoek gedaan dat strekt tot wraking van bovengenoemde raadsheren.

Mrs. G. Dam, R. de Groot en M.J. Wasmann hebben niet in de wraking berust en hebben op respectievelijk 4 en 5 januari 2018 schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd.

Het wrakingsverzoek is ter zitting van 22 februari 2018 behandeld door de wrakingskamer. Verzoeker en zijn raadsman zijn niet bij deze behandeling verschenen. De raadsman heeft het wrakingsverzoek schriftelijk toegelicht.

De beoordeling van het verzoek


Ontvankelijkheid

De wrakingskamer acht het verzoek tijdig ingediend en acht verzoeker ook overigens ontvankelijk.


Gronden

Het hoger beroep van verzoeker in voornoemde strafzaak en ontnemingszaal is gericht tegen de juistheid en betrouwbaarheid van getuigen.

De verdachte wil zijn zaken gelijktijdig behandeld zien met die van de medeverdachte [B] en verzoekt aanhouding van de zaken nu de medeverdachte niet ter zitting is verschenen en diens zaak wordt aangehouden.

Het hof wijst het verzoek tot aanhouding af.

De raadsman deelt daarna, zakelijk weergegeven, het volgende mee:

Ik wraak de raadsheren van het hof die hier nu voor mij zitten op de volgende gronden.

1. Gaandeweg de zitting is het duidelijk geworden dat het hof per se de zaak vandaag inhoudelijk wil behandelen, ondanks de argumenten die worden aangedragen om dat niet te doen.

2. Er zijn leenovereenkomsten die allemaal op naam staan van mijn cliënt. Daaruit kan worden verklaard dat mijn cliënt geld tot zijn beschikking had en dat het geen illegale inkomsten betreft. Er zijn getuigen die over deze leenovereenkomsten kunnen verklaren. Deze getuigen zouden worden meegebracht door de medeverdachte. De zaak van de medeverdachte wordt vandaag aangehouden en daardoor zijn de getuigen nu niet aanwezig. Kennelijk staat voor het hof al vast dat het geld een illegale herkomst had, want het hof wil doorgaan met de zaak zonder de getuigen te horen. Daarmee heeft het hof de schijn van vooringenomenheid gewekt.

3. De houding van en de sfeer bij het hof heeft bij mijn cliënt het gevoel opgewekt dat het hof niet geïnteresseerd is in waarheidsvinding.

4. Het hof is voorbij gegaan aan de psychische gesteldheid van mijn cliënt. Hij is niet meer in staat deze zitting vandaag te volgen. Hij kan niet verder en wil nu zijn huisarts bellen. Hij heeft nu hartkloppingen en is bekend met hartklachten. Het hof had moeten nagaan of mijn cliënt nog in staat is de zaak vandaag te vervolgen.

Deze gronden leveren een zwaarwegende aanwijzing op dat de door mijn cliënt geuite vrees dat de raadsheren jegens hem vooringenomen zijn, objectief gerechtvaardigd is.

Standpunt verweerders

Mrs. G. Dam, R. de Groot en G.J. Wasmann hebben op het wrakingsverzoek gereageerd. Zij berusten niet in de wraking en hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid schriftelijk te reageren.

Beoordeling

Bij de beoordeling van het verzoek stelt de wrakingskamer het volgende voorop.

Op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en
artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft een ieder - voor zover hier van belang - recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 512 Sv hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees voor bevooroordeeld zijn van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.

Voorts is van belang dat het middel van wraking niet een verkapt rechtsmiddel kan zijn tegen de verzoeker onwelgevallige (processuele) beslissingen. Het is niet de taak van de wrakingskamer om te beoordelen of deze beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende motiveringen inhoudelijk juist zijn, maar te onderzoeken of deze beslissingen en motiveringen feiten en omstandigheden opleveren waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Slechts indien de genomen beslissingen zo onbegrijpelijk zijn dat redelijkerwijs daarvoor geen andere verklaring dan vooringenomenheid is te geven, bestaat aanleiding om vooringenomenheid te vermoeden.

Hiervan is in de onderhavige zaak geen sprake. De beslissing van mrs. G. Dam, R. de |Groot en M.J. Wasmann getuigt op geen enkele wijze van vooringenomenheid.

Voor zover de raadsman heeft aangevoerd dat de houding van de zittende kamer als onbehoorlijk en agressief door verzoeker werd ervaren, leidt het hof uit het proces-verbaal ter zitting van 29 november 2017 af dat in verband met de psychische gesteldheid van verzoeker het onderzoek ter zitting enige tijd is geschorst om verzoeker tot rust te laten komen.

De conclusie uit het voorgaande is dat hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen grond vormt voor wraking, zodat de wrakingskamer het verzoek daartoe zal afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof (wrakingskamer):


wijst het verzoek tot wraking van mrs. G. Dam, R. de Groot en M.J. Wasmann af.

Deze beslissing is gegeven door mrs. W.P.M. ter Berg, M.W. Zandbergen en J.D.S.L. Bosch, leden van de wrakingskamer, en is in tegenwoordigheid van de griffier Eisma in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2018.