Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:2443

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
15-03-2018
Zaaknummer
200.229.215/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De teneur van de vragen van de voorzitter, in combinatie met de weigering getuigen te horen en de daaromtrent gegeven, niet onmiddellijk inzichtelijke, toelichting, de conclusie dat bij verzoeker de gerechtvaardigde vrees heeft kunnen postvatten dat zijn argumenten door de voorzitter hoe dan ook niet gehoord zouden worden, en hij dus in zoverre niet kon rekenen op een faire inhoudelijke behandeling van zijn zaak. Het tegen de voorzitter gerichte wrakingsverzoek is daarom gegrond.

De aangevoerde feiten vormen geen afdoende grond voor wraking van de jongste raadsheer nu deze niet actief betrokken is geweest bij de ondervraging ter zitting en het enkele feit dat de beslissing in het tussenarrest niet onmiddellijk inzichtelijk is, zoals hiervoor al opgemerkt, onvoldoende grond is (schijn van) vooringenomenheid aan te nemen.

De oudste raadsheer is geen raadsheer meer is en daarmee het belang aan het wrakingsverzoek in zoverre ontvallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

wrakingskamer

zaaknummer gerechtshof 200.229.215/01

beslissing van 22 februari 2018

op het (schriftelijke) verzoek van:

[verzoeker] ,

verblijvende in PI [A] ,

verzoeker in het wrakingsincident,

hierna: verzoeker,

dat strekt tot wraking van:

mrs. R. de Groot, T.M.L. Wolters en N.C. van Lookeren Campagne,

raadsheren in dit hof, locatie Leeuwarden,

verweerders in het wrakingsincident.

Het verloop van de procedure

In de zaak betreffende de behandeling van het hoger beroep van verzoeker met het parketnummer 21-001171.17 heeft de meervoudige kamer van het hof in een tussenarrest van 15 november 2017 het verzoek tot het horen van 7 getuigen afgewezen. Dit arrest is op 30 november 2017 door de griffie (per fax) afgegeven aan de raadsman.

Verzoeker heeft naar aanleiding van deze beslissing een, op 5 december 2017 ter griffie ontvangen, verzoek gedaan dat strekt tot wraking van bovengenoemde raadsheren.

Het wrakingsverzoek is ter zitting van 22 februari 2018 behandeld door de wrakingskamer. Verzoeker en zijn raadsman zijn bij deze behandeling verschenen en hebben het wrakingsverzoek toegelicht.

De beoordeling van het verzoek


Ontvankelijkheid

De wrakingskamer acht het verzoek tijdig ingediend en acht verzoeker ook overigens ontvankelijk.


Gronden

Het wrakingsverzoek ziet op de motivering van de beslissing tot afwijzing van het verzoek een zevental getuigen te horen. in het tussenarrest van 15 november 2017 en op door de voorzitter aan verzoeker en diens raadsman ter zitting gestelde vragen.

Kort gezegd komen de wrakingsgronden hierop neer: verzoeker heeft in de strafzaak gemotiveerd verzocht bedoelde zeven getuigen te horen. Met de motivering van zijn beslissing tot afwijzing van het verzoek om die getuigen te (doen) horen heeft het hof laten blijken dat het al enige beslissing als bedoeld in artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering heeft genomen. Door de motivering die het hof voor de afwijzing heeft gegeven, is althans de vrees gerechtvaardigd dat het hof zich al een oordeel heeft gevormd over vragen die pas aan de orde dienen te komen nadat de behandeling van de zaak is afgerond. Daardoor is de rechterlijke onpartijdigheid geschaad of kan die worden geschaad.

Standpunt verweerders

Mrs. R. de Groot, T.M.L. Wolters en N.C. van Lookeren Campagne hebben niet in de wraking berust en hebben schriftelijk meegedeeld dat zij op het wrakingsverzoek niet hoeven te worden gehoord.

Beoordeling

Het verzoek ten aanzien van mr. T.M.L. Wolter zal worden afgewezen, nu deze geen raadsheer meer is en daarmee het belang aan het wrakingsverzoek in zoverre is ontvallen.

Bij de verdere beoordeling van het verzoek stelt de wrakingskamer het volgende voorop.

Op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en
artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft een ieder - voor zover hier van belang - recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 512 Sv hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees voor bevooroordeeld zijn van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.

Voorts is van belang dat het middel van wraking niet een verkapt rechtsmiddel kan zijn tegen de verzoeker onwelgevallige (processuele) beslissingen. Het is niet de taak van de wrakingskamer om te beoordelen of deze beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende motiveringen inhoudelijk juist zijn, maar te onderzoeken of deze beslissingen en motiveringen feiten en omstandigheden opleveren waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Slechts indien de genomen beslissingen zo onbegrijpelijk zijn dat redelijkerwijs daarvoor geen andere verklaring dan vooringenomenheid is te geven, bestaat aanleiding om vooringenomenheid te vermoeden.

In dit geval blijkt omtrent het verhandelde ter terechtzitting en de (toelichting op) de genomen beslissingen uit het proces-verbaal van 1 november 2017 en het tussenarrest van 15 november 2017 het volgende.

Op 1 november 2017 heeft de raadsman een gemotiveerd verzoek gedaan tot het horen van in totaal 9 getuigen, ter onderbouwing van feitelijke stellingen en (of) adstructie van feitelijke verweren van zijn kant. Daarop heeft de voorzitter, mr. De Groot, opgemerkt dat het nogal wat gaat kosten om getuigen te horen. Gelet op de Wet tarieven in strafzaken betekent dat volgens hem dat die kosten voor rekening van verzoeker komen. De voorzitter heeft verzoeker gevraagd of hij dat kan betalen. Diens raadsman heeft hij de vraag gesteld of deze voor de kosten garant stond op grond van de gedragsregels voor advocaten. In het tussenarrest is daarna het verzoek afgewezen ten aanzien van zeven van de door verzoeker genoemde getuigen. De motivering van deze beslissing luidt kort gezegd dat het op de weg van verzoeker ligt om de door hem betrokken stellingen aannemelijk te maken, dat hij daaromtrent op geen enkele wijze duidelijkheid heeft verschaft, en dat er dus geen begin van aannemelijkheid is van het door hem gestelde.

De wrakingskamer stelt vast dat het hof aldus aan het door hem toepasselijk geoordeelde criterium van het verdedigingsbelang een invulling heeft gegeven die niet onmiddellijk inzichtelijk is. Gelet op de hiervoor gegeven uitgangspunten is met die constatering echter nog niet (de schijn van) vooringenomenheid aannemelijk van enige van de gewraakte raadsheren. Die schijn heeft de voorzitter echter wel gewekt door tijdens de behandeling aan verzoeker en zijn raadsman vragen te stellen die zien op de financiële draagkracht van verzoeker. Het antwoord op die vragen kan namelijk voor de te nemen beslissing omtrent het horen van getuigen niet van belang zijn, terwijl er wel de suggestie mee wordt gewekt dat de voorzitter het ongeloofwaardig acht dat verzoeker over enig vermogen beschikt, terwijl de kern van het verzoek tot het horen van getuigen nu juist gelegen was in de stelling dát verzoeker over vermogen beschikt en beschikte. Omdat het strafrechtelijke verwijt (oplichting) is dat verzoeker de valse indruk heeft gewekt een kapitaalkrachtige zakenman te zijn, rechtvaardigen de vragen van de voorzitter, in combinatie met de weigering getuigen te horen en de daaromtrent gegeven, niet onmiddellijk inzichtelijke, toelichting, de conclusie dat bij verzoeker de gerechtvaardigde vrees heeft kunnen postvatten dat zijn argumenten door de voorzitter hoe dan ook niet gehoord zouden worden, en hij dus in zoverre niet kon rekenen op een faire inhoudelijke behandeling van zijn zaak. Het tegen mr. De Groot gerichte wrakingsverzoek is daarom gegrond.

De aangevoerde feiten - noch afzonderlijk, noch in onderling verband en samenhang bezien - vormen geen afdoende grond voor wraking van mr. N.C. van Lookeren Campagne nu deze niet actief betrokken is geweest bij de ondervraging ter zitting en het enkele feit dat de beslissing in het tussenarrest niet onmiddellijk inzichtelijk is, zoals hiervoor al opgemerkt, onvoldoende grond is (schijn van) vooringenomenheid aan te nemen. In zoverre zal het verzoek worden afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof (wrakingskamer):

wijst het verzoek tot wraking van mr. R. de Groot toe;

wijst het verzoek tot wraking van mrs. T.M.L. Wolters en N.C. van Lookeren Campagne af.

Deze beslissing is gegeven door mrs. W.P.M. ter Berg, M.W. Zandbergen en J.D.S.L. Bosch, leden van de wrakingskamer, en is in tegenwoordigheid van de griffier G.G. Eisma in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2018 en door de voorzitter en de griffier ondertekend.