Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:2345

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
14-03-2018
Zaaknummer
200.198.964/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Eerste huwelijksdomicilie. Toepassing Engels recht. Een periode van maximaal 6 maanden voor het vestigen van de eerste huwelijksdomicilie aanvaardbaar geacht. Hier sprake van bijzondere omstandigheden vanwege problemen met de douane.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2018/51
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.198.964/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/154689/ES RK 14-901)

beschikking van de familiekamer van 6 maart 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. K.M. Kuipers-Ten Voorde, kantoorhoudend te Hengelo,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [A] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.P. van Dijk, kantoorhoudend te Zwolle.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 17 juni 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 13 september 2016, is de vrouw in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 17 juni 2016. De vrouw verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, die beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende,

"primair te bepalen dat de man binnen 3 maanden na de te wijzen beschikking wegens overbedeling aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 514.926,50, althans een zodanig bedrag als uw gerechtshof in goede justitie redelijk en billijk acht en indien en voor zover de man niet meewerkt aan de uitvoering van de te wijzen beschikking aan de vrouw verlof te verlenen om de te wijzen beschikking ten uitvoer te leggen bij lijfsdwang en deswege de man in gijzeling te doen stellen totdat de vordering van € 514.926,50 zal zijn voldaan. Een en ander met veroordeling van de man in de kosten van het onderhavige geding."

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 17 oktober 2016, heeft de man het verzoek in hoger beroep van de vrouw bestreden. Daarbij heeft de man tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. De man verzoekt het hof in incidenteel hoger beroep

"voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, de beschikking van de Rechtbank Overijssel d.d. 17 juni 2016 onder kenmerk C/08/154689/ES RK 14-901 te vernietigen en opnieuw rechtdoende, doende wat de eerste rechter had behoren te doen, de vorderingen van de vrouw in verband met de toepasselijkheid van Pakistaans recht alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze vorderingen aan de vrouw te ontzeggen. Kosten rechtens."

2.3

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof van 12 december 2016 heeft de vrouw het verzoek van de man in het incidenteel hoger beroep bestreden.

2.4

Vervolgens is op 27 januari 2017 ter griffie van het hof binnengekomen een akte tot overlegging producties van de man, met bijlagen.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 14 juni 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden die niet, dan wel onvoldoende zijn weersproken:

- Partijen zijn [in] 1975 te [B] (Pakistan) met elkaar gehuwd.

- De vrouw woonde voor 31 mei 1975 in Pakistan en bezat op 31 mei 1975 de Pakistaanse nationaliteit. De man woonde voor 31 mei 1975 in het Verenigd Koninkrijk en bezat op 31 mei 1975 de Britse nationaliteit.

- De vrouw is in februari 1976 naar het Verenigd Koninkrijk geëmigreerd.

- De man en de vrouw bezitten thans beiden de Britse nationaliteit en zij zijn vanaf 25 mei 1979 woonachtig in Nederland.

- Bij beschikking van 21 mei 2014 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beslissing is door het hof bij beschikking van 16 april 2015 bekrachtigd. Op 24 augustus 2015 is in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand ingeschreven dat tussen partijen de echtscheiding is uitgesproken.

- De man heeft het hof verzocht om de beschikking van 16 april 2015 te herroepen, maar dat verzoek heeft het hof bij beschikking van 16 februari 2016 afgewezen. Daartegen is geen rechtsmiddel aangewend.

- In de beschikking van de rechtbank van 17 juni 2016 is een beslissing gegeven over de wijze waarop de vermogensrechtelijke afwikkeling na echtscheiding tussen partijen dient plaats te vinden. De man heeft tegen deze beschikking het onderhavige hoger beroep ingesteld.

- De man is voorts bij de rechtbank een procedure jegens de vrouw begonnen, waarin hij een verklaring voor recht vordert dat de in de onderhavige procedures overgelegde bescheiden aangaande het huwelijk van partijen, vals zijn en, voorwaardelijk, een verklaring voor recht vordert dat de vrouw daardoor jegens hem schadeplichtig is. De rechtbank heeft die vorderingen bij vonnis van 19 oktober 2016 afgewezen. De man is daartegen in hoger beroep gekomen. Het hof heeft daarop bij arrest van heden het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

4 De omvang van het geschil

4.1

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank partijen, in het kader van de vermogensrechtelijke afwikkeling na echtscheiding, veroordeeld over en weer hun medewerking te verlenen aan levering door de man aan de vrouw van de (verhypothekeerde) onroerende zaak, [a-straat 1] te [A] , onder de ontbindende voorwaarde dat de man uiterlijk op de dag van levering zal zijn ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op voornoemde woning gevestigde hypotheek, zonder nadere verrekening. Tevens heeft de rechtbank aan ieder van partijen toegedeeld, zonder nadere vergoeding/verrekening, alle vermogensbestanddelen waarover ieder van partijen - al dan niet reeds op zijn/haar naam staand - thans feitelijk reeds beschikt.

5 De motivering van de beslissing

Het toepasselijk recht

5.1

De vrouw heeft op 31 december 2013 een verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend. Eén van de nevenvoorzieningen betrof de vermogensrechtelijke afwikkeling na echtscheiding, welk geschil thans in hoger beroep aanhangig is.

5.2

Nu partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, is het hof van oordeel dat ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt op grond van het bepaalde in artikel 3 lid 1 onder a, juncto artikel 6 van de verordening (EG) nr. 2201/2003 (ook te noemen Brussel II-bis). Uit artikel 4 lid 3 Rv vloeit voort dat de Nederlandse rechter tevens rechtsmacht toekomt met betrekking tot de nevenvoorziening inzake huwelijksvermogensrecht.

Het incidenteel hoger beroep

5.3

Grief I in het incidenteel hoger beroep houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat sprake is geweest van een tweevoudig hoger beroep. Het hof is van oordeel dat deze grief slaagt, nu slechts sprake is geweest van een tegen de beschikking van 21 mei 2014 ingesteld hoger beroep waarop het hof bij beschikking van 16 april 2015 heeft beslist. Het verzoek van de man om laatstgenoemde beschikking te herroepen, welk verzoek het hof bij beschikking van 16 februari 2016 heeft afgewezen, betreft, zoals de man stelt, geen beroepsprocedure. Het slagen van de grief kan evenwel niet leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking.

5.4

Grief II in het incidenteel hoger beroep houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat Engeland het land van de eerste huwelijksdomicilie is.

De man stelt dat partijen na de huwelijkssluiting tot 27 september 1975 hebben samengewoond in de woning van de moeder van de man in Pakistan en dat daarom de eerste huwelijksdomicilie was gelegen in Pakistan en niet in Engeland. Volgens de man blijkt uit de data op de stempels in zijn paspoort dat hij tot 27 september 1975 in Pakistan heeft verbleven, alvorens hij terugkeerde naar Engeland.

5.5

De vrouw bestrijdt dat partijen in Pakistan hebben samengewoond. Volgens de vrouw is de man drie dagen na het huwelijk weer vertrokken naar Engeland, omdat de man daar werk had en terug moest keren naar Engeland.

5.6

Het hof gaat er, zoals ook onder de vaststaande feiten is vermeld, vanuit dat partijen op 31 mei 1975 in Pakistan met elkaar zijn gehuwd. In de door de man aangevangen procedures zijn tot heden geen beslissingen gegeven die tot een ander oordeel dienen te leiden en het hof acht ook anderszins onvoldoende aangetoond dat niet sprake is van een rechtsgeldig huwelijk.

5.7

De vraag naar het toepasselijke recht op het huwelijksvermogensregime van partijen dient te worden beslist aan de hand van de conflictregels geformuleerd in HR 10 december 1976, NJ 1977, 275 (Chelouche/Van Leer). Het op 14 maart 1978 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime is niet van toepassing, omdat partijen met elkaar zijn gehuwd vóór de inwerkingtreding van dit verdrag voor Nederland (1 september 1992). Ook het Haagse Huwelijksgoederenverdrag van 1905 is niet van toepassing, nu het Verenigd Koninkrijk noch Pakistan zich daarbij hebben aangesloten. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 7 april 1989 (ECLI:NL:HR:1989:AB9743) dient dan in dit geval te worden uitgegaan van de conflictregels die de Hoge Raad in het arrest van 10 december 1976 heeft geformuleerd, ook al is het huwelijk van partijen voordien gesloten. Partijen hebben geen rechtskeuze gemaakt en zij hebben geen gemeenschappelijke nationaliteit als bedoeld in de conflictregels. Daarom geldt het huwelijksvermogensrecht van het land waar partijen hun eerste huwelijksdomicilie hebben gevestigd.

5.8

Indien er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat de man na de huwelijkssluiting nog tot 27 september 1975 in Pakistan met de vrouw heeft samengewoond, hetgeen niet vaststaat, is het hof van oordeel dat dit verblijf van vier maanden na de huwelijkssluiting onvoldoende is om te oordelen dat partijen hun eerste huwelijksdomicilie in Pakistan hebben gevestigd. De man, die in 1975 zijn gewone verblijfplaats in Engeland had, moest volgens zijn stellingen in september 1975 naar Engeland terugkeren om daar zijn werkzaamheden te kunnen verrichten. De vrouw kon hem toen niet vergezellen, omdat er problemen bij de douane waren, maar zij heeft zich - aldus de man - acht maanden na de huwelijkssluiting bij hem gevoegd. Er behoort weliswaar niet te veel tijd te liggen tussen het moment van de huwelijkssluiting en het tijdstip waarop de echtgenoten geacht moeten worden hun eerste huwelijksdomicilie te hebben gevestigd, maar een periode van maximaal zes maanden, welke periode in bijzondere omstandigheden nog iets kan worden verlengd, wordt in de rechtspraak aanvaardbaar geacht. Het hof is van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden omdat het vertrek van de vrouw naar Engeland slechts door een formaliteit is uitgesteld. Acht maanden na de huwelijkssluiting was de formele belemmering weggenomen en heeft de vrouw zich, vier maanden later dan gepland, in Engeland bij de man gevoegd. In de gegeven omstandigheden moet de eerste huwelijksdomicilie geacht worden in Engeland te zijn gevestigd. Dat brengt, anders dan de man in zijn grief III in het incidenteel hoger beroep betoogt, mee dat de Engelse Common Law op het huwelijksvermogensregime van partijen van toepassing is.

5.9

De grieven II en III in het incidenteel hoger beroep falen.

5.10

Grief IV in het incidenteel hoger beroep bestrijdt de gevolgen die de rechtbank aan het toepassen van het Engelse recht heeft verbonden. De man stelt een nieuwe beoordeling in volle omvang te wensen. Het hof zal deze grief betrekken bij de beoordeling van de grieven in het principaal hoger beroep, nu de man tegen die grieven gemotiveerd verweer heeft gevoerd en hij wenst dat mede met inachtneming daarvan opnieuw wordt geoordeeld.

5.11

De vrouw stelt in de vier grieven in het principaal hoger beroep in essentie dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat partijen vergevorderde schikkingsonderhandelingen hadden getroffen over een vermogensrechtelijke afwikkeling in die zin dat de op naam van de man staande - doch op naam van beide partijen verhypothekeerde - woning aan de [a-straat 1] te [A] , aan de vrouw zou worden toebedeeld, waarbij de man uiterlijk op de dag van levering diende te zijn ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening. De vrouw betoogt voorts dat, anders dan de rechtbank kennelijk heeft geoordeeld, de conform het voorgaande gegeven beslissing niet overeenkomstig de uitgangspunten van de toepasselijke Common Law is.

5.12

Uit de stellingen van partijen blijkt dat zij aan het treffen van een schikking over de vermogensrechtelijke afwikkeling, ieder voor zich voorwaarden ter zake van een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud hadden verbonden, welke voorwaarden niet zijn vervuld. Partijen hebben daarom, zoals ook de rechtbank heeft geconstateerd, geen minnelijke regeling getroffen. Voorts zijn beide partijen het er, ieder om andere redenen, over eens dat de door de rechtbank gegeven beslissing over de vermogensrechtelijke afwikkeling na echtscheiding in strijd is met de uitgangspunten van de toepasselijke Common Law. Het hof zal daarom een oordeel moeten geven en zonodig opnieuw dienen vast te stellen op welke wijze de vermogensrechtelijke afwikkeling behoort plaats te vinden.

5.13

Onder het Engelse huwelijksgoederenregime is er tussen echtelieden sprake van scheiding van goederen. Er ontstaat daarom door het huwelijk als zodanig geen gemeenschappelijk vermogen van echtgenoten. In beginsel zijn er twee onderscheiden vermogens: dat van de man en dat van de vrouw. Ingevolge het Engelse regime komt bij de vermogensrechtelijke afwikkeling na echtscheiding iedere financiële betrekking tussen de gewezen echtelieden aan de orde, waaronder de alimentatie en het huwelijksvermogensrecht, alsmede de pensioenregelingen. Tevens zal de rechter bij het treffen van een maatregel betreffende de vermogens van partijen met alle relevante omstandigheden rekening moeten houden en dienen te beoordelen wat, alle omstandigheden in aanmerking nemend, een redelijke en billijke financiële afwikkeling van het huwelijk is.

5.14

Over de door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw is bij dit hof nog een procedure aanhangig waarin de man om nihilstelling van de eerder vastgestelde alimentatie heeft verzocht. In die procedure dient nog een mondelinge behandeling plaats te vinden. Het hof ziet aanleiding om op de daarvoor te bepalen datum tevens een tweede mondelinge behandeling in de onderhavige zaak te bepalen, als na te melden, zodat alsdan kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Het komt het hof voorts geraden voor om, nu de omvang en waarde van de vermogens van ieder van partijen tevens een relevante omstandigheid is waarmee bij de financiële afhandeling rekening moet worden gehouden, daarover thans al wel een oordeel te geven. Partijen zijn het er over eens dat als peildatum voor de vaststelling van de omvang van de vermogensbestanddelen van partijen en voor de waardering daarvan kan worden genomen de datum waarop het inleidend verzoek tot echtscheiding is ingediend (31 december 2013).

Het vermogen van de man

5.15

Het vermogen van de man bestaat uit:

- de op naam van de man gestelde woning aan de [a-straat 1]

Het hof stelt de waarde van de woning aan de [a-straat 1] per de peildatum vast op

€ 272.000,-. Dit betreft de WOZ-waarde 2014 die de man in de aangifte Inkomstenbelasting 2014 heeft opgevoerd. Een WOZ-waarde is veelal gebaseerd op een waardepeildatum per

1 januari van het jaar daaraan voorafgaand, in dit geval dus de waarde per 1 januari 2013. Partijen hebben de WOZ-waarde 2015 (met waardepeildatum 1 januari 2014) niet overgelegd. Het hof ziet in de stellingen van de man geen aanleiding om rekening te houden met de (hogere) WOZ-waarde 2013, nu de waardepeildatum daarvan te ver verwijderd is van de peildatum 31 december 2013. Voorts blijkt uit de aanslag betreffende de WOZ-waarde 2016, anders dan de man meent, dat slechts één WOZ-waarde voor het volledige pand is vastgesteld en niet dat aan het winkelgedeelte nog een afzonderlijke WOZ-waarde is toegekend. Het hof ziet dan ook geen aanleiding de WOZ-waarde op een hoger bedrag vast te stellen. Verder heeft de vrouw niet aangetoond dat de (slechte) onderhoudstoestand van de woning rechtvaardigt dat de waarde op een lager bedrag wordt vastgesteld.

De woning aan de [a-straat 1] is belast met een hypotheek. Partijen zijn het er over eens dat zij tezamen een hypothecaire lening bij de Bank of Scotland zijn aangegaan voor

€ 200.000,-, onder hoofdelijke aansprakelijkheid. In de aangifte Inkomstenbelasting 2014 van de man staat dat de schuld op 1 januari 2014 nog groot was € 174.955,-. De man stelt dat die schuld lager is en de vrouw dat deze hoger is, maar nu geen van partijen dat met rekeningafschriften of anderszins heeft onderbouwd, gaat het hof uit van de in voornoemde aangifte opgegeven (rest)schuld van € 174.955,-.

De overwaarde in de woning bedraagt dan (€ 272.000,- minus € 174.955,- =) € 97.045,-.

- waarde panden aan de [b-straat 2] en [c-straat 3] (woning en bedrijfspand)

Het hof stelt de waarde van het pand aan [c-straat 3] per de peildatum vast op de waarde in verhuurde staat van € 550.000,-, zoals is vermeld in het door de man overgelegde taxatierapport van makelaar [C] van 18 maart 2014. De vrouw wenst van de (hogere) WOZ-waarde per 1 januari 2014 uit te gaan, maar nu vast staat dat dit pand op de peildatum was verhuurd en daarmee door de taxerend makelaar rekening is gehouden, ziet het hof geen aanleiding om van de WOZ-waarde uit te gaan.

De waarde van de woning aan de [b-straat 2] stelt het hof vast op € 432.000,-, nu partijen het over deze waarde eens zijn.

Uit de aangifte inkomstenbelasting 2014 van de man blijkt dat de man ten behoeve van de financiering van voornoemde panden leningen bij de ABN/Amrobank is aangegaan. Op de peildatum bedroeg het saldo van de leningen volgens genoemde aangifte voor [c-straat 3]

€ 298.833,- en voor de [b-straat 2] € 165.717,-. Dat is in totaal € 464.550,-, wat overeenkomt met het bedrag dat is genoemd in het als productie 16 bij het verweerschrift van de man uit de eerste aanleg overgelegde bankafschrift van de ABN/Amrobank. Het hof acht, anders dan de vrouw, hiermee voldoende komen vast te staan dat op de peildatum sprake was van een vordering van de ABN/Amro bank op de man van laatstgenoemd bedrag.

De woning en het bedrijfspand staan op naam van de man en vertegenwoordigen een overwaarde van in totaal € 517.450,- (€ 432.000,- minus € 165.717,- = € 266.283,- en

€ 550.000,- minus € 298.833,- = € 251.167,-).

- waarde brommer

De man is eigenaar van de brommer en heeft deze onder zich. Hij heeft de waarde daarvan gesteld op € 400,-. De vrouw heeft dat betwist en die waarde aanvankelijk begroot op

€ 3.000,-. Ter zitting heeft zij gesteld dat de waarde van de brommer € 1.650,- bedraagt. Nu de man, ondanks de betwisting door de vrouw, geen nadere gegevens omtrent de waarde van de brommer heeft verstrekt, zal het hof die waarde vaststellen op € 1.650,-.

- waarde auto

De man heeft een auto, merk Mercedes, waarvan hij de waarde stelt op € 13.500,-. Dat is

€ 2.100,- lager dan de waarde die blijkt uit de door hem als productie 1 in hoger beroep overgelegde waardeberekening. Het hof acht, gelet op de betwisting door de vrouw, het door de man gestelde onvoldoende om van de overgelegde waardeberekening af te wijken. Het hof zal daarom uitgaan van een waarde van de auto van € 15.600,-.

- saldi bankrekeningen op naam van de man

De man heeft, onweersproken, gesteld dat de saldi van de op zijn naam gestelde bankrekeningen op de peildatum bedroegen € 74.127,89.

- de (overige) schulden van de man

A. Schuld aan de broer van de man.

De man stelt dat het aandeel van zijn broer in de waarde van de panden aan de [b-straat 2] en [c-straat 3] 50%, ofwel € 258.725,-, bedraagt. De beide panden zijn gebouwd op het perceel bouwgrond aan de [b-straat 2] dat de man in 2000 heeft gekocht.

De man betoogt dat de vrouw in de pleitnota van 3 april 2014 het bestaan van de schuldverplichting jegens de broer heeft erkend. In de visie van de man betreft dit een erkenning in rechte. De vrouw heeft dat bestreden.

Uit de pleitnota, die is overgelegd ter zitting van de rechtbank van 3 april 2014, blijkt het volgende. De vrouw heeft toen verklaard dat uit de overeenkomst van 17 april 2007 blijkt dat de man en zijn broer, behoudens het recht van de echtgenoten, ieder voor de helft gerechtigd zijn tot het pand aan de [b-straat 2] en aansprakelijk zijn voor de helft van de hypothecaire schuld en dat hiermee bij de verdeling rekening moet worden gehouden. In de pleitnota heeft de vrouw zich echter niet uitgelaten over de wijze waarop met de overeenkomst rekening zou moeten worden gehouden. Er kan daarom, anders dan de man meent, niet aan de pleitnota worden ontleend dat de vrouw heeft erkend dat uit de overeenkomst van 2007 voortvloeit dat de broer (op de peildatum) recht had op de helft van de waarde van de beide onroerende zaken. De vrouw heeft zich daarom nadien, zoals zij heeft gedaan, op het standpunt kunnen stellen dat de man niet heeft aangetoond dat zijn broer op de peildatum nog aanspraak kon maken op een deel van de (over)waarde van de onroerende zaken.

Het hof overweegt voorts als volgt.

In de overeenkomst van 17 april 2007 is vastgelegd dat de beide broers de enige economische gerechtigden tot het pand aan de [b-straat 2] zijn, ieder voor de helft (behoudens de rechten van hun echtgenoten), alsmede dat beiden aansprakelijk zijn voor de helft van de toen aanwezige hypothecaire schuld. Echter in de overgelegde aangifte Inkomstenbelasting 2014 van de man wordt geen melding gemaakt van enig aandeel van de broer in de waarde van de panden, nu de volledige waarde daarvan als vermogen van de man wordt opgevoerd. Ook wordt daarin geen melding gemaakt van enige aansprakelijkheid van de broer voor de ter zake van die panden opgevoerde hypothecaire schulden, welke schulden blijkens de stukken op naam van de man staan en waarvoor de man de rente en aflossing betaalt. Uit de aangifte blijkt dat de waarde van de panden op de peildatum volledig aan de man toebehoorde. De man heeft ook erkend dat de [b-straat 2] / [c-straat 3] volledig aan hem zijn toegedeeld en dat zijn broer uit de hypothecaire verplichtingen is ontslagen, maar wel met de verplichting dat de man bij verkoop van de onroerende zaken 50% van de overwaarde aan zijn broer moet betalen. De vrouw heeft dit betwist en gezegd dat zij diverse malen om bewijsstukken hiervan heeft gevraagd. De man heeft geen gegevens verstrekt die zijn stelling onderbouwen, maar hij heeft wel aangeboden te bewijzen dat zijn broer op de peildatum nog recht had op de helft van de overwaarde van de panden. Het hof zal de man toelaten tot dit bewijs als na te melden.

B. De door de vader verstrekte lening.

Uit een notariële akte van 9 november 1990 blijkt dat de vader van de man een bedrag van

ƒ 75.000,- (€ 34.033,52) aan de man heeft geleend, tegen een rente van 6% per jaar. De man stelt dat de lening, hoewel opeisbaar, niet is afgelost en dat er ook geen rente is voldaan, waardoor hij naast het bedrag van de lening nog € 120.200,33 aan rente verschuldigd is. De vrouw betwist dat de vader (nog) een vordering op de man heeft en stelt, voor het geval dat wel zo mocht zijn, dat de vordering al geruime tijd is verjaard. De man heeft niet bestreden dat de vordering is verjaard. Hij heeft echter te kennen gegeven dat hij zich jegens zijn vader niet op verjaring zal beroepen. Het hof is van oordeel dat, in het geval er op de peildatum nog sprake was van een vordering van de vader, hetgeen niet vast staat, de keuze van de man om zich niet op verjaring te beroepen, in redelijkheid en billijkheid niet ten nadele van de vrouw mag komen. Het hof ziet in de door de man genoemde omstandigheden dat hij als moslim gehouden is zijn schulden te voldoen en dat de vordering van de vader na zijn overlijden naar alle waarschijnlijkheid in diens nalatenschap zal vallen, geen aanleiding anders te beslissen, mede nu de man onvoldoende heeft onderbouwd dat dat laatste het geval is wanneer hij een beroep op verjaring zou doen. Het hof zal daarom geen rekening houden met een schuld aan de vader.

C. De door mevrouw [D] verstrekte lening.

De man stelt dat hij uit hoofde van een overeenkomst van geldlening nog een bedrag aan mevrouw [D] verschuldigd is. Ter onderbouwing daarvan heeft hij een brief van 9 juni 2005 van mevrouw [D] overgelegd. Daarin staat dat op 14 mei 2001 een akte van onderhandse lening is opgesteld en ondertekend betreffende een lening van ƒ 50.000,- en dat mevrouw [D] hoopt en verwacht dat de man het geleende bedrag met rente voor eind augustus 2005 op haar bankrekening stort. De vrouw betwist dat sprake is van een geldlening en stelt, voor het geval dat anders mocht zijn, dat een eventuele daaruit voortvloeiende vordering is verjaard. Daargelaten of sprake is van een lening, de man heeft niet betwist dat een eventuele vordering die voortkomt uit de door hem gestelde geldlening op de peildatum was verjaard. De man heeft wel gesteld dat hij zich niet op verjaring zal beroepen. Het hof is evenwel om dezelfde redenen als hiervoor genoemd, van oordeel dat deze keuze van de man niet ten nadele van de vrouw mag strekken. Het hof zal met de gestelde schuld daarom geen rekening houden.

5.16

Het vermogen van de man bedraagt, inclusief de hypothecaire lening ter zake van de woning aan de [a-straat 1] , dan:

- overwaarde woning [a-straat 1] € 97.045, -

- overwaarde [b-straat 2] / [c-straat 3] € 517.450,-

- brommer € 1.650,-

- auto, merk Mercedes € 15.600,-

- saldi bankrekeningen € 74.127,89

totaal activa € 705.872,89

Het vermogen van de vrouw

5.17

Het vermogen op naam van de vrouw bedraagt:

- saldo bankrekening op naam van de vrouw

Het saldo op de bankrekening op naam van de vrouw bedraagt, zo staat tussen partijen als onweersproken vast, op de peildatum € 19,22.

- de inboedel van de winkel van de vrouw (naaiatelier)

De man heeft gesteld dat de waarde van inventaris van de werkplaats van de vrouw in april 2007 is berekend op € 74.385,10. Hij heeft daartoe een ongedateerd overzicht van de inventaris overgelegd waarin de waarde van de inventaris in guldens is weergegeven.

De vrouw heeft daartegen aangevoerd dat het een oud overzicht betreft. Tevens heeft zij ter zitting verklaard dat er door haar rond 2013/2014 geen werkzaamheden zijn verricht in de winkel en dat zij alleen drie machines heeft achtergehouden die ongeveer € 450,- per stuk waard zijn. Het hof is, met de vrouw, van oordeel dat aan een in 2007 gemaakt overzicht van de inventaris niet kan worden ontleend welke inventaris op de peildatum nog aanwezig was en wat de waarde daarvan was. De man heeft aangeboden bewijs te leveren, door middel van het horen van een getuige, [E] , die kan verklaren dat hij een grote hoeveelheid werk heeft gezien. Het hof passeert dat bewijsaanbod, omdat, indien wordt bewezen dat er rond de peildatum een hoeveelheid werk lag, daaraan nog niet kan worden ontleend dat er naast de drie machines, nog inventaris aanwezig was die op de peildatum enige waarde had. De man heeft derhalve onvoldoende onderbouwd dat de inventaris meer waard was dan de door de vrouw gestelde waarde van drie machines, ad € 1.350,- in totaal. Het hof zal daarom van die waarde uitgaan.

- overig vermogen

De man heeft gesteld dat de vrouw van de hypothecaire lening die is aangegaan voor de woning aan de [a-straat 1] een bedrag van € 110.000,- heeft behouden. De man heeft evenwel, ondanks de betwisting door de vrouw, geen gegevens verstrekt waaruit blijkt dat de vrouw de beschikking over het bedrag van € 110.000,- heeft verkregen en evenmin dat de vrouw op de peildatum nog over een dergelijk bedrag beschikte. Het hof gaat daarom aan het gestelde voorbij.

5.18

Het vermogen van de vrouw bedraagt dan in totaal € 1.369,22.

De (gezamenlijke) inboedel

5.19

Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de man de inboedel houdt die zich in de woning aan de [b-straat 2] bevindt en dat de vrouw de inboedel houdt die zich in de woning aan de [a-straat 1] bevindt, zonder verrekening van de waarde.

De slotsom

5.20

Het voorgaande leidt er toe dat het hof de man zal toelaten tot het leveren van bewijs als na te melden. Voor het overige zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden, ook die wat betreft het bepalen van een tweede mondelinge behandeling in de onderhavige zaak, gelijktijdig met de mondelinge behandeling van het hoger beroep van de man ter zake van de door hem verzochte wijziging van de vastgestelde bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met zaaknummer 200.212.272/01.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat de man toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat op de peildatum (31 december 2013) op hem de verplichting rustte om bij verkoop van de onroerende zaken aan de [b-straat 2] / [c-straat 3] , 50% van de overwaarde aan zijn broer te betalen;

bepaalt dat, indien de man uitsluitend bewijs door bewijsstukken wenst te leveren, hij die stukken uiterlijk op 1 mei 2018 in het geding dient brengen;

bepaalt dat, indien de man dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. J.D.S.L. Bosch, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat partijen bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat de man het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen binnen twee weken na heden zal doen toekomen aan de griffie van het hof, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat de man overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

bepaalt dat, in het geval er getuigen worden voorgebracht, partijen samen met hun advocaten bij het verhoor van de getuigen aanwezig zullen zijn om partijen zelf zo nodig nadere inlichtingen te laten geven over de punten waarover de getuigen zullen worden gehoord en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. G. Jonkman en

mr. W.D. Kolkman en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

6 maart 2018.