Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:2295

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
19-03-2018
Zaaknummer
200.225.601
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2017:3662
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak, Wwz. Ontslag op staande voet van een bedrijfsleider meubelwinkel. Het bij herhaling onjuist invullen van urenlijsten die dienen als basis voor het uit te betalen salaris. Gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW en daarbij in acht te nemen aanzegdag en opzegtermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0372
RAR 2018/90
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.225.601

(zaaknummer rechtbank Overijssel, locatie Almelo, 5992186)

beschikking van 21 februari 2018

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het hoger beroep,

in eerste aanleg: verzoeker, verweerder in het tegenverzoek,

hierna: [verzoeker],

advocaat: mr. S.J.M. Masselink,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Mapal B.V .,

gevestigd te Oldenzaal ,

verweerster in het hoger beroep,

in eerste aanleg: verweerster, verzoekster in het tegenverzoek,

hierna: Mapal,

advocaat: mr. R.C.A.J. Beks.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de beschikking van
18 juli 2017 die de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, heeft gegeven.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift in hoger beroep met producties, binnengekomen bij de griffie van het hof op 16 oktober 2017;
- het verweerschrift van Mapal met een productie;

- de mondelinge behandeling op 24 januari 2018.

2.2

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof beschikking bepaald en vervolgens de uitspraakdatum bepaald op 7 maart 2018.

2.3

[verzoeker] verzoekt in het hoger beroep – samengevat – dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad het op 11 april 2017 gegeven ontslag op staande voet zal vernietigen en aan [verzoeker] een in goede justitie door het hof te bepalen billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:683 lid 3 BW zal toekennen, alsmede Mapal zal veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties en zal bepalen dat Mapal geen recht heeft op de gefixeerde schadevergoeding en dat deze aan [verzoeker] dient te worden terugbetaald.

3
3. De feiten

Het hof gaat uit van de door de kantonrechter vastgestelde feiten en vult deze aan zoals hierna vermeld.

3.1

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1965 , is op 1 mei 1998 bij (de rechtsvoorganger van)

Mapal , een onderneming van [familie X] , in dienst getreden. Mapal heeft een onderneming op de Woonboulevard in Oldenzaal .

De laatste functie die [verzoeker] bij Mapal vervulde, is die van bedrijfsleider van de afdeling

Montel , met een salaris van € 3.090,00 bruto per maand, exclusief 8% vakantiegeld en

overige emolumenten.

3.2

In september 2011 heeft [verzoeker] 2 potten van een tuinmeubelafdeling, die werd gesloten, meegenomen naar huis nadat hij aan een collega, die niet de eigenaar was en niet beslissingsbevoegd was, had gevraagd wat de potten moesten kosten. [verzoeker] zelf verklaart daarover in een e-mail van 13 april 2017, gericht aan [mevrouw X] van de directie van Mapal :

“(…) [medewerker Mapal] stond in die periode op deze afdeling. Ik had hem al eens gevraagd of ik die potten mocht kopen, hij wist niet of dat kon en wat ze kosten. Ik moest nog maar even wachten. De laatste weken waren aangebroken van deze afdeling (…) De poten stonden er nog en ik vroeg nogmaals wat ze nu kosten. Hij wist het nog niet maar zou het vragen (…) Ik zei toen dat ik ze opzicht even mee nam naar huis om te kijken of het wel wat was voor ons. Via de hoofdingang heb ik ze meegenomen en in mijn auto gedaan. (…) Ik had dit natuurlijk beter met [de heer X] [hof: [de heer X] ] kunnen overleggen. De volgende dag toen ik binnenkwam riep [de heer X] mij bij hem en vroeg waar ik de poten had gelaten. Ik zei thuis en dat ik ze wilde kopen. Hij zei, je weet toch niet wat ze kosten, waarop ik hem zei dat het leen bakker poten waren en vastniet zo duur waren. Achteraf bleek [leidinggevende ] ook geïnteresseerd te zijn in deze poten (…) Zo heb ik ze de volgende dag weer terug gebracht. (…)”

[verzoeker] heeft voor het meenemen van de potten een schriftelijke officiële waarschuwing gehad, die is gedateerd op 27 september 2011. Deze brief is uitgereikt in aanvulling op een functioneringsgesprek dat heeft plaatsgevonden op 28 september 2011.

3.3

In een e-mailbericht van 1 juli 2014 van [leidinggevende ] (hierna [leidinggevende ] ), leidinggevende van [verzoeker] , aan [interim manager] , toenmalig interim manager van Mapal , wordt vermeld:

“(…)Vandaag (17.00 uur) was ik verbaasd dat [verzoeker] [hof: [verzoeker] ] zonder aankondiging naar huis ging. Toen ik hem daar mee confronteerde, en hem vroeg of dat in overleg was gegaan (met mij of [de heer X] ) werd dat ontkennend beantwoord! Vervolgens heeft hij [de heer X] gebeld dat hij naar huis ging omdat hij ziek was. (…) Dit lijkt mij niet de manier van communiceren. Aangezien jij nog het gesprek met hem aan gaat betreffende de onterecht gedeclareerde zondagen, lijkt me het raadzaam om dit ZEER ZEKER daar in mee te nemen. (…)”

3.4

In een e-mailbericht van 12 december 2015 van [leidinggevende ] aan [verzoeker] wordt onder meer vermeld:

“(…) Afgelopen zondag heb je mij gevraagd eerder naar huis te kunnen gaan (…) Hier heb ik mee ingestemd, en volgens mijn informatie ben jij rond kwart voor drie inderdaad weggegaan.

Dit heb je echter niet vermeld op de uren-lijst van week 49.

Volgens die lijst, die je zelf hebt ingevuld, heb je die dag gewerkt van 11.00 tot 17.00 uur.

Aangezien we jou er al eerder over aangesproken hebben jouw werk- en verlofuren beter bij te houden zijn wij van mening jou nu schriftelijk een waarschuwing te moeten geven.

Wij tolereren deze werkwijze niet en verzoeken jou in de toekomst hier goed op te letten.

Verder nemen wij de maatregel dat wanneer je eerder weg moet of eerder vrij wil zijn dan de ingeplande werktijd je dit te allen tijde bij mij moet melden. (…)”

[verzoeker] heeft hier per e-mailbericht op dezelfde dag als volgt op gereageerd:

“(…) Ik ben inderdaad zo rond de klok van 15:00 uur weggegaan, maar ben vergeten dit op de lijst te corrigeren. (…) Een fout van mijn kant, maar zonder bewuste opzet. (…) ik zal hier beter op letten zodat dit in de toekomst niet meer gebeurt (…)”

3.5

In de meubelboulevard bevinden zich twee afzonderlijke winkels met een gezamenlijke ingang van externe huurders Hout van Hout en Homedecor . [eigenaar HvH] is eigenaar van Hout van Hout .

3.6

In een e-mailbericht van 8 april 2016 heeft [medewerker HvH] , medewerker van Hout van Hout en partner van [eigenaar HvH] , bij Mapal geklaagd over het ongevraagd en in gebogen houding achter hun balie in de winkel aantreffen van [verzoeker] terwijl er verder niemand aanwezig was. Op haar vraag wat hij aan het zoeken was begon [verzoeker] een algemeen verhaal over een printer.

[verzoeker] zelf verklaart hierover in het e-mailbericht van 13 april 2017, gericht aan [mevrouw X] van Mapal :

“(…) Omdat ik gezien had dat [eigenaar HvH] ook een laser printer had op zijn Balie, dacht ik: even kijken welk merk hij heeft. (…) Dus ik loop naar de afdeling hout van hout via de ingang van home decor maar zie geen printer meer op de balie staan. Ik dacht even kijken of hij hem nu achter de balie heeft staan. Dus ik een blik werpen, maar nee, er stond niks meer. Op dat moment kwam [medewerker HvH] schijnbaar ook binnen, en ik vertelde over de printer. (…) Ik liep weer terug naar mijn afdeling (…) Toen kwam [medewerker HvH] naar mij toe en zij dat ze het toch raar vond dat ik in hun winkel achter de balie had gekeken. Ik vertelde dat ik niet echt er achter was geweest, maar meer een blik had geworpen. (…)”

3.7

Voor dit incident heeft [verzoeker] op 20 mei 2016 een schriftelijke waarschuwing gehad. Onder meer wordt daarin vermeld:

“(…) Daarbij wordt van beide kanten het incident nagenoeg gelijk beschreven, echter met een verschil van inzicht hoe het ervaren is. (…) Een melding van een externe huurder dat een medewerker van ons mogelijk verkeerde bedoelingen heeft bij het ongewenste bezoek aan hun winkel is een serieus incident. In jouw geval zeker aangezien er in september 2011 reeds een officiële waarschuwing aan jou uitgereikt is in verband met het vervreemden van bedrijfsgoederen. (…) Hoewel wij jouw verklaring als vreemd ervaren, kunnen wij niet constateren of je met andere bedoelingen ongevraagd in de winkel van Hout van Hout bent terecht gekomen of niet. (…) Wij zijn ernstig in verlegenheid gebracht door dit incident. Dit mede door het incident uit 2011 [hof: het incident met de van de tuinmeubelafdeling meegenomen potten]. Op basis van deze feiten hebben wij daarom besloten je een officiële waarschuwing te geven voor dit nieuwe incident. Wij willen dat deze situatie zich bij jou nooit meer voordoet bij welke externe winkel binnen de Woonboulevard dan ook. Elke schijn hoort vermeden te worden. Overtreding hiervan zal leiden tot ontslag. (…)”

3.8

In een e-mail van 20 januari 2017 van [financieel manager] , financieel manager van Mapal , aan [verzoeker] wordt onder meer vermeld:

“(…) Om te achterhalen of de order geplaatst is heb je je richting Eijerkamp middels een mail uitgegeven als de klant zelf met het verzoek voor een kopie van de order. Dit gaat veel te ver, is identiteitsfraude en strafrechtelijk strafbaar. Dit kan onze naam als [familie X] , Montel winkel en Boulevard Oldenzaal ernstig schaden mocht klant hier achter komen en media en/of politie opzoeken.

Zoals gezegd wil ik niet dat je daarom verder vervolg geeft aan dit ingezette traject van identiteit aannemen van iemand anders. Tevens geef ik nu aan dat dit instrument ook in de toekomst nooit meer door jou ingezet mag worden. Beide benoemde punten zouden bij niet inachtneming ervan kunnen leiden tot ontslag op staande voet. Niet doen dus. (…)”

3.9

Bij Mapal worden de uren waarop een werknemer werkt, ingevuld op urenlijsten, die de basis vormen voor de loonadministratie.

3.10

Op zondag 5 februari 2017 heeft [verzoeker] meer uren ingevuld op de urenlijst dan dat hij heeft gewerkt die dag. Hij kwam die dag later aan dan 12.00 uur in verband met een badmintontoernooi.

3.11

In een whatsapp-bericht van 23 februari 2017 heeft [verzoeker] aan zijn collega [collega van verzoeker] , een medewerkster van dezelfde afdeling, gevraagd of zij met hem wil ruilen op zondag 19 maart 2017 omdat hij die dag een feestje heeft. [collega van verzoeker] heeft op deze zondag gewerkt in de plaats van [verzoeker] . Op de (originele) urenstaat – waarvan geen kopie is gemaakt – heeft [verzoeker] achter zijn naam de uren van 12.00 tot 17.00 ingevuld. Deze urenlijst is ter verwerking naar de loonadministratie gestuurd.

3.12

In een e-mailbericht van 24 maart 2017 aan onder meer [verzoeker] heeft Mapal onder meer bericht:

“(…) Helaas komt het voor dat op de uren lijst niet alle uren (vrij, ziek, overwerk) op de juiste manier ingevuld worden. (…) Sommige bedrijfsleiders maken al een kopietje voor de afdeling, zodat iedereen die kan inzien en eventueel kan corrigeren.

Anderen doen dat niet.

Vanaf deze week is het VERPLICHT een kopie van de weeklijst te maken en op de afdeling te bewaren, zodat iedereen deze kan inzien. (…) Dus vanaf week 12 hoort de lijst ter inzage te liggen op de afdeling. (…)”

3.13

[verzoeker] heeft de uren voor zondag 9 april 2017 aldus ingevuld, dat hij op de originele urenlijst heeft ingevuld dat hij van 12.00 tot 17.00 uur heeft gewerkt en op de kopie van de urenlijst heeft ingevuld dat hij van 13.20 tot 17.00 uur heeft gewerkt. Op deze dag arriveerde [verzoeker] later op zijn werk. Volgens [financieel manager] , die dit constateerde, arriveerde [verzoeker] om ongeveer kwart voor twee. Volgens [verzoeker] arriveerde hij om 13.20 uur omdat zijn badmintontoernooi uitliep.

3.14

Mapal heeft [verzoeker] op 11 april 2017 op staande voet ontslagen. In de [verzoeker] op die dag overhandigde brief staat vermeld:

“Geachte heer [verzoeker] ,

Helaas hebben wij moeten constateren dat uw gedrag opnieuw indruist tegen de vereiste

integriteit binnen onze organisatie.

Wij hebben geconstateerd dat uw urenstaat over week 14, die bij de administratie

aangeleverd is, afwijkt van de urenstaat die op de afdeling zelf bijgehouden wordt. Het blijkt,

dat op de urenstaat die u naar de administratie gestuurd heeft, uw uren op de zondag

onterecht door u verhoogd zijn, terwijl de urenstaat die op de afdeling ligt het juiste aantal

gewerkte uren aangeeft. Dit is een ernstige constatering.

Na onderzoek is geconstateerd, dat u ook over 5 februari jl. te veel uren voor uzelf heeft

laten verwerken. Daarnaast blijkt dat u voor uzelf op 19 maart jl. de zondag zelfs als

gewerkt heeft laten verwerken, terwijl u helemaal niet gewerkt heeft op die dag. Er is

daarmee sprake van een patroon en daarmee frauduleus handelen.

Wij hebben u reeds enige malen aangesproken op uw ongewenste gedrag bij een aantal

andere zaken en u schriftelijk gewaarschuwd, dat uw gedrag ingaat tegen hetgeen wij van

onze medewerkers (mogen) vereisen. Wij verwijzen u hierbij onder andere naar de officiële

waarschuwingen van 20 mei 2016 en 27 september 2011, alsmede de emailwaarschuwing van 20 januari 2017.

Inmiddels hebben wij nader onderzoek gelast naar uw gedrag. Reden hiervoor zijn meerdere

klachten over uw integriteit. Bovenstaande is echter voor ons reeds zodanig ernstig, dat wij

dit niet kunnen tolereren.

Wij betreuren het dat u niet in staat bent om ondanks diverse waarschuwingen conform

aanvaardbare richtlijnen te functioneren binnen onze organisatie. Op basis hiervan hebben

wij besloten uw dienstverband met onmiddellijke ingang om dringende redenen te

beëindigen.”

3.15

Op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van 15 april 2017 is [verzoeker] met ingang van 17 april 2015 in dienst getreden bij een ander meubelbedrijf, [meubelbedrijf] , tegen een salaris van € 2.000,00 netto per maand, op basis van 37 uur per week. Deze werkgever kent geen wekelijkse zondag-openstelling.

4 Het verzoek aan de kantonrechter en de beoordeling daarvan

4.1

[verzoeker] heeft aan de kantonrechter verzocht om:

- het ontslag op staande voet te vernietigen;

- de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding;

- Mapal te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 6.000,00;

- Mapal te veroordelen tot betaling van gefixeerde schadevergoeding;

- te bepalen dat [verzoeker] recht heeft op de wettelijke transitievergoeding van € 29.479,-;

- Mapal te veroordelen van deze betalingen deugdelijke specificaties te verstrekken, op straffe van een dwangsom;

- Mapal te veroordelen in de kosten van de procedure.

4.2

Mapal heeft verweer gevoerd en verzocht de verzoeken van [verzoeker] af te wijzen. Bij wijze van tegenverzoek heeft Mapal verzocht [verzoeker] te veroordelen tot betaling van gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 1 BW ter hoogte van € 5.302,64.

4.3

De kantonrechter heeft de verzoeken van [verzoeker] afgewezen en hem veroordeeld tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van Mapal op € 600,- ter zake van salaris gemachtigde zijn vastgesteld. Ter zake van het tegenverzoek is [verzoeker] veroordeeld tot betaling aan Mapal van een vergoeding van € 5.302,64 en is hij veroordeeld in de proceskosten, die vastgesteld zijn op nihil.

5 De beoordeling in hoger beroep

5.1

[verzoeker] heeft twee beroepsgronden, door hem aangemerkt als grieven, welke terminologie het hof zal volgen, gericht tegen de bestreden beschikking.

Met grief I stelt [verzoeker] dat bij de beoordeling van het gegeven ontslag op staande voet zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende zijn meegewogen en dat een dringende reden voor Mapal ontbreekt.

Grief II richt zich tegen de toegewezen gefixeerde schadevergoeding.

5.2

Bij beantwoording van de vraag of van Mapal op grond van een dringende reden niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] nog langer te laten voortduren moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang beschouwd, in aanmerking worden genomen, waaronder begrepen de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] .

5.3

Het hof stelt vast dat tussen partijen de feiten inzake het pottenincident in 2011 (zie 3.2), het incident waarbij [verzoeker] zich in de winkel van Hout van Hout heeft bevonden terwijl hij daar niets te zoeken had en daarbij een blik heeft geworpen dan wel heeft gekeken achter de balie van Hout van Hout in 2016 (zie 3.6 e.v.), en het incident waarbij [verzoeker] zich via een e-mailaccount heeft uitgeven voor een (potentiële) klant (zie 3.8), in grote lijnen niet ter discussie staan. Wel geven [verzoeker] en Mapel ieder aan die feiten een andere uitleg.

Uit de e-mail van 13 april 2017 van [verzoeker] aan [familie X] (zie 3.2) leidt het hof af dat [verzoeker] , nadat hij is aangesproken op het zonder overleg meenemen van potten op zicht, heeft ingezien dat hij dit beter had kunnen overleggen met een beslissingsbevoegde. Gelet op dit incident en het voortschrijdende inzicht van [verzoeker] hierover, had hij moeten beseffen dat zijn integriteit een punt van aandacht was en dat zijn werkgever van hem verwachtte dat hij de officiële waarschuwing op dit punt ter harte zou nemen.

5.4

Niettemin hebben de gedragingen van [verzoeker] er toe geleid dat zijn integriteit in 2016 wederom ter discussie is komen te staan. [verzoeker] had moeten beseffen dat hij, door zich dicht in de buurt van de balie van de winkel van een externe huurder op te houden terwijl hij daar niets te zoeken had en de eigenaar van de winkel op dat moment niet aanwezig was, vragen zou oproepen omtrent zijn integriteit. In te zien valt dat Mapal hem daarvoor een schriftelijke waarschuwing heeft gegeven.

5.5

Vervolgens is de integriteit van [verzoeker] bij Mapal blijkens de e-mail van 20 januari 2017 (zie 3.8) verder onder druk komen te staan door het incident in januari 2017 waarbij hij zich bij de concurrent heeft uitgegeven voor een klant om zodoende op een oneigenlijke manier informatie over de handelwijze van die klant ten opzichte van die concurrent te krijgen.

5.6

Uit de feiten als vermeld in 3.3 en 3.4 volgt dat [verzoeker] in 2014 en 2015 is gemaand om zijn werk- en verlofuren-registratie beter bij te houden.

Gebleken is dat [verzoeker] op 5 februari, 19 maart en 9 april 2017 meer uren heeft ingevuld op de urenlijst dan hij heeft gewerkt op die dag.

[verzoeker] heeft voorts geen goede verklaring kunnen geven voor de omstandigheid dat uitsluitend zijn uren (en niet die van zijn collega’s) op de urenlijsten in de geconstateerde gevallen op 5 februari, 19 maart en 9 april 2017 de daadwerkelijk gewerkte tijd overtroffen. Zijn stelling dat dit komt omdat hij de urenlijsten van tevoren invulde vanwege het rooster, gaat in ieder geval niet op in het geval van de urenlijst waarop de gewerkte uren op zondag 19 maart 2017 zijn ingevuld. Immers, uit de overgelegde whatsapp-berichten van 23 februari 2017 (zie 3.11) blijkt dat hij het ruilen van deze werkdag met een collega al ruim van tevoren heeft geregeld. Als [verzoeker] de urenlijst voor 19 maart 2017 toen al had ingevuld, heeft hij in ieder geval ruim de gelegenheid gehad om deze aan te passen.

5.7

Gezien het vorenstaande oordeelt het hof in navolging van de kantonrechter, gelet op de in de ontslagbrief van 11 april 2017 vermelde incidenten, dat de urenkwestie van 9 april 2017 voor Mapal de bekende druppel is geweest die de emmer deed overlopen, waardoor zij alle vertrouwen in (de integriteit van) [verzoeker] heeft verloren.

5.8

Voor zover [verzoeker] bedoeld heeft aan te voeren dat hij nooit de intentie heeft gehad om te frauderen, geldt dat dit in het midden kan blijven. Van een bedrijfsleider mag de zorgvuldigheid worden verwacht die past bij die functie. Eveneens geldt dat sprake is van een voorbeeldfunctie. In het geval van [verzoeker] betekent dit dat van hem mocht worden verwacht dat hij zorgvuldig was bij het invullen van de urenlijsten, met name ook omdat deze de basis vormen voor het uit te betalen loon. Door de urenlijsten niet correct in te vullen, heeft [verzoeker] de verplichtingen uit zijn arbeidsovereenkomst veronachtzaamt. Ter disculpatie van zijn handelen heeft [verzoeker] aangevoerd dat hij tegen wil en dank bedrijfsleider is geworden en dat hij geen administratieve achtergrond heeft, maar dit kan hem niet baten. Met het accepteren van de functie van bedrijfsleider heeft hij verplichtingen op zich genomen waaraan hij zich diende te houden. Het invullen van de urenlijsten en het maken van een kopie daarvan zijn bovendien eenvoudige (administratieve) handelingen, waarvan is gebleken dat [verzoeker] in staat is die te verrichten. Dit blijkt immers uit het wel correct invullen op die lijsten door [verzoeker] van de uren van zijn collega’s en het (tijdig) daarop aanbrengen van correcties van die uren. In zijn functie van bedrijfsleider mocht van [verzoeker] dan ook worden verwacht dat hij zijn eigen uren eveneens op zorgvuldige wijze noteerde op de urenlijst en dat de originele urenlijst correspondeerde met de kopie urenlijst. Dit klemt temeer nu [verzoeker] uitdrukkelijk en meermalen daarop is aangesproken en is gewaarschuwd. Verwezen wordt daartoe naar de in 3.3, 3.4 en 3.12 aangehaalde e-mailberichten.

5.9

In de afweging van de omstandigheden wegen de omstandigheden die vóór [verzoeker] pleiten, te weten dat hij een 52-jarige goede en gedreven verkoper is met een dienstverband van 18 jaar bij Mapal , daar niet voldoende tegen op. Ten tijde van het ontslag was bovendien te voorzien dat [verzoeker] als goede en gedreven verkoper snel weer een baan zou kunnen vinden, hetgeen in de praktijk is bevestigd door het korte tijdsverloop van 6 dagen tussen het ontslag en het in dienst treden bij een andere werkgever tegen een nagenoeg gelijk salaris, zij het dat de nieuwe werkgever geen zondag-openstelling heeft. Het hof oordeelt dan ook dat van Mapal op grond van een dringende reden niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] nog langer te laten voortduren. Dit brengt met zich dat grief I faalt.

5.10

Uit de toelichting op grief II volgt dat [verzoeker] bij gebreke van opzet of schuld de verschuldigdheid van de toegewezen gefixeerde schadevergoeding betwist. Ook betwist [verzoeker] de omvang van deze vergoeding. Daartoe stelt hij dat op grond van jurisprudentie de gefixeerde schadevergoeding dient te worden beperkt tot maximaal 1 maand.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt het hof dat de aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde dringende reden aan [verzoeker] kan worden verweten omdat deze is gelegen in aan hem toe te rekenen gedragingen. Aldus is sprake van de in artikel 7:677 lid 2 BW bedoelde schuld. Uit dit artikel vloeit voort dat Mapal in dat geval aanspraak kan maken op een gefixeerde schadevergoeding, die blijkens lid 3 aanhef en onder a. van dat artikel gelijk is aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Dat [verzoeker] zich hierdoor dubbel gestraft voelt omdat hij naast het ontslag op staande voet ook een vergoeding moet betalen, doet niet af aan de wettelijke mogelijkheid voor Mapal om aanspraak te maken op deze schadevergoeding.

5.11

Uit artikel 7:677 lid 3 aanhef en onder a. BW volgt dat de aanzegdag als bedoeld in artikel 7:672 lid 1 BW in acht dient te worden genomen. Uitgangspunt is voorts de opzegtermijn die de partij die de dringende reden heeft gegeven, in dit geval [verzoeker] , in acht had moeten nemen indien hij op de datum van opzegging wegens een dringende reden, zelf zou hebben opgezegd. Dat uitgangspunt gold al onder het oude recht (artikel 7A:1639r (oud) BW), voor inwerkingtreding van Titel 7.10 BW, en dat is sindsdien niet gewijzigd, ook niet bij inwerkingtreding van de Wet werk en zekerheid. Verwezen wordt naar de uitspraak van dit hof van 14 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2401. Ingevolge artikel 7:672 lid 4 BW bedraagt de door de werknemer in acht te nemen opzegtermijn één maand, waarbij ingevolge lid 1 van dat artikel de opzegging geschiedt tegen het einde van de maand. Gesteld noch gebleken is dat schriftelijk van de in lid 4 vermelde termijn is afgeweken, zoals artikel 7:672 lid 7 BW mogelijk maakt.

5.12

De termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren dient in dit geval als volgt te worden bepaald. Het ontslag op staande voet is op 11 april 2017 gegeven. Dit betekent dat [verzoeker] , als hij zelf zou hebben opgezegd, met inachtneming van een opzegtermijn van één maand, had moeten opzeggen tegen het einde van de maand, te weten 31 mei 2017. Uit randnummer 65 en volgende van het verweerschrift in hoger beroep volgt dat Mapal de juiste termijn in acht heeft genomen voor haar berekening van de gefixeerde schadevergoeding. Zij heeft die termijn immers bepaald op de periode van 12 april 2017 tot 31 mei 2017. De berekening van het bedrag van € 5.302,64 heeft Mapal toegelicht in randnummer 66 van voormeld verweerschrift. Nu [verzoeker] deze berekening niet heeft betwist en de juiste termijn in acht is genomen, stelt het hof vast dat [verzoeker] deze gefixeerde schadevergoeding verschuldigd is aan Mapal .

Het vorenstaande brengt met zich dat grief II faalt.

5.13

Voor de verzochte billijke vergoeding ex artikel 7:683 lid 3 BW is gezien het vorenstaande geen grond omdat niet is opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW.

5.14

Omdat de grieven falen dient het hoger beroep te worden verworpen.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [verzoeker] in de kosten van de procedure worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van Mapal vastgesteld op € 716,- ter zake van griffierecht en op € 1.788,- (tarief II in hoger beroep ad € 894,- x 2 punten) ter zake van het salaris van de advocaat. Tevens zal [verzoeker] worden veroordeeld in de nakosten als verzocht door Mapal .

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verwerpt het hoger beroep;

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze beschikking aan de zijde van Mapal vastgesteld op € 716,- aan griffierecht en op € 1.788,- voor salaris advocaat volgens het liquidatietarief;

veroordeelt [verzoeker] in de nakosten, begroot op € 131,--, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,-- in geval [verzoeker] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C. Hoogland, E.J. van der Poel en P.L.R. Wefers Bettink en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 februari 2018 in aanwezigheid van de griffier.