Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:2249

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
28-06-2018
Zaaknummer
200.220.780
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijfplaats kinderen. Co-ouderschap, kindgebonden budget.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.220.780

(zaaknummer rechtbank Gelderland 311820)

beschikking van 8 maart 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [plaatsnaam] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.G.W.M. Geurts te Duiven,

en

[verweerder] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J. Welles te Zevenaar.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 9 mei 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 7 augustus 2017;

- het verweerschrift in hoger beroep met producties.

2.2

De hierna te noemen minderjarige [kind 1] heeft bij brief van 30 oktober 2017 aan het hof zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.

De hierna te noemen minderjarige [kind 2] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 18 januari 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de Raad voor de Kinderbescherming is [lid Raad voor de Kinderbescherming] verschenen.

3 De feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is op 6 september 2017 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Gelderland van 9 mei 2017 in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

- [kind 1] , verder te noemen: [kind 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaatsnaam] ;

- [kind 2] , verder te noemen: [kind 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaatsnaam] , en

- [kind 3] , verder te noemen [kind 3] , geboren op

[geboortedatum] te [plaatsnaam] ,

over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen..

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, bepaald dat [kind 1] en [kind 3] hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw, [kind 2] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de man en is voorts de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 3] (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van de datum waarop de vrouw zelfstandige woonruimte betrekt bepaald op € 53,- per kind per maand.

4.2

De vrouw is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van

9 mei 2017. De grieven zien op de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [kind 2] bij de man, en op de draagkracht van de man.

De vrouw verzoekt het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van

9 mei 2017 te vernietigen en opnieuw te bepalen dat het hoofdverblijf van [kind 2] bij haar zal zijn, en dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de kinderen een bijdrage voldoet van € 100,- per maand.

4.3

De man voert verweer. De man verzoekt het hof bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans het ingestelde beroep als ongegrond te verklaren.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De vrouw heeft ter mondelinge behandeling haar verzoek in hoger beroep voor zover dit betrekking heeft op de verzochte alimentatie ingetrokken, zodat daarover niet meer hoeft te worden beslist. In geschil is derhalve nog de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [kind 2] .

5.2

De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;

b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;

c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;

d. de wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 377c, eerste en tweede lid, wordt verschaft.

5.3

De rechter beproeft alvorens te beslissen op voormeld verzoek, een vergelijk tussen de ouders en kan, ook ambtshalve, indien geen vergelijk tot stand komt en het belang van het kind zich daartegen niet verzet, een door de wet toegelaten dwangmiddel opleggen dan wel bepalen dat de beschikking of onderdelen daarvan met toepassing van artikel 812 tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten uitvoer kunnen worden gelegd.

5.4

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in een voorkomend geval toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de afweging van belangen.

5.5

De vrouw stelt dat haar verzoek de hoofdverblijfplaats van [kind 2] bij haar vast te stellen er eigenlijk op neerkomt dat [kind 2] bij haar ingeschreven moet worden vanwege de financiële voordelen. De verdeling van de zorgtaken kan wat haar betreft hetzelfde blijven. Feit is dat zij vanwege haar aanzienlijk lagere inkomen dan de man een hoger kind-gebonden budget kan genieten dan de man, zodat haar voorstel alleszins redelijk en begrijpelijk is. Daar komt bij dat zij doorgaans meer uitgaven doet ten behoeve van de kinderen dan de man en zij om die reden de mening is toegedaan dat zij ook ten behoeve van [kind 2] in aanmerking dient te komen voor het kind-gebonden budget en de kinderbijslag. De vrouw heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat er in de huidige situatie naar haar mening onderscheid gemaakt wordt tussen [kind 2] en de andere kinderen omdat de man de met de inschrijving verbonden financiële voordelen alleen aan [kind 2] ten goede laat komen terwijl zij, als zij de voordelen ontvangt van alle kinderen die bij haar ingeschreven staan, de financiën evenredig over de kinderen kan verdelen.

5.6

De man betwist hetgeen de vrouw aanvoert en stelt dat het gebruikelijk is dat wordt aangesloten bij de feitelijke zorgverdeling door de ouders. Bij co-ouderschap met twee kinderen is het gebruikelijk dat bij elk van de ouders één van de kinderen wordt ingeschreven. Hier is sprake van drie kinderen. Hij heeft in het voordeel van de vrouw ingestemd met het hoofdverblijf van twee kinderen bij de vrouw en één bij hem. Partijen ontvangen in de huidige situatie op deze manier samen meer kind-gebonden budget, hetgeen in het voordeel is van de kinderen.

Indien alle kinderen bij de vrouw ingeschreven worden kan hij minder kinderalimentatie betalen omdat hij dan geen kind-gebonden budget meer ontvangt en geen inkomensafhankelijke combinatie korting. Hij betwist tevens dat de vrouw meer uitgaven voor de kinderen voldoet. Hij voldoet de zorg-overstijgende kosten voor de kinderen. Hij zorgt voor alle kinderen voor kleding en schoeisel, voor [kind 1] betaalt hij daarnaast de sportschool en voor [kind 2] de contributie voor zijn voetbalclub en schoolkosten, aldus de man.

5.7

Het hof overweegt het volgende.

Gebleken is dat partijen het eens zijn over een evenredige verdeling van de zorg voor de kinderen waarbij de kinderen de ene week (even weken) bij de vrouw zijn en de andere week (oneven weken) bij de man. Partijen verschillen alleen van mening bij wie [kind 2] ingeschreven moet worden en dus bij wie [kind 2] zijn hoofdverblijfplaats heeft. De man wil dat [kind 2] bij hem wordt ingeschreven en dat de andere twee kinderen bij de vrouw worden ingeschreven. Op die manier kunnen zowel de vrouw als hijzelf aanspraak maken op het kind-gebonden budget. De vrouw wil graag voor alle kinderen het kind-gebonden budget ontvangen zodat zij de gelden evenredig over de drie kinderen kan verdelen.

Het hof is met de rechtbank en de raad van oordeel dat, nu gebleken is dat partijen de feitelijke zorg voor de kinderen evenredig verdelen, het gebruikelijk is om daarbij aan te sluiten door de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen over beide ouders te verdelen. Niet gebleken is dat het belang van [kind 2] meebrengt dat zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw moet zijn of dat hij bij de vrouw ingeschreven moet worden. Beide partijen hebben ter mondelinge behandeling verklaard dat het goed gaat met [kind 2] en ook met de andere twee kinderen, dat het met alle kinderen goed gaat op school, dat de overdracht goed verloopt en dat [kind 2] altijd vrolijk naar de ander gaat en vrolijk weer terug komt. Voorts is niet aannemelijk geworden dat er bij vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [kind 2] bij de man onderscheid wordt gemaakt tussen de kinderen in de zin zoals de vrouw stelt, nu het aan partijen zelf is om de gelden evenredig over de kinderen te verdelen.

Gelet op het vorenstaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat de hoofdverblijfplaats van [kind 2] bij de man vastgesteld dient te worden.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover het de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [kind 2] bij de man betreft, bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van

9 mei 2017, voor zover daarbij de hoofdverblijfplaats van [kind 2] is vastgesteld bij de man;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, I.G.M.T. Weijers-van der Marck, en J.U.M. van der Werff, bijgestaan door F.E. Knoppert als griffier, en is op 8 maart 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.