Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:2243

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-03-2018
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
21-000909-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Valsheid in geschrift door het namaken van handtekeningen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000909-17

Uitspraak d.d.: 7 maart 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 3 februari 2017 met parketnummer 05-096649-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1964] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 februari 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof verdachte zal veroordelen tot een taakstraf van 120 uren waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. S.R. van Laar, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 februari 2008 tot en met 03 oktober 2012 te [plaats] , althans in de gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland meermalen, althans eenmaal, (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:

- een onderhandse overeenkomst van vaste geldlening en/of

- een overeenkomst van [naam bank] NV doorlopend krediet en/of

- een overeenkomst [naam bank] doorlopend krediet met hypotheekverklaring (Aflosvrij) en/of

- een wijziging geldleningsvoorwaarden van [naam bank]

valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst door (telkens) op voormelde geschriften/overeenkomsten de handtekening van [aangeefster] (geboren [1963] ) te plaatsen/schrijven/vermelden

met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;


subsidiair

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 februari 2008 tot en met 03 oktober 2012 te [plaats] , althans in de gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valselijk opgemaakte en/of vervalste geschriften, te weten:

- een onderhandse overeenkomst van vaste geldlening en/of

- een overeenkomst van [naam bank] NV doorlopend krediet en/of

- een overeenkomst [naam bank] doorlopend krediet met hypotheekverklaring (Aflosvrij) en/of

- een wijziging geldleningsvoorwaarden van [naam bank]

die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware deze echt en onvervalst, bestaande dat gebruik maken hierin

dat op voormelde geschriften/overeenkomsten de handtekening van [aangeefster] (geboren [1963] ) was geplaatst/vermeld, terwijl hij, verdachte wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat deze geschriften/overeenkomsten voor zodanig gebruik bestemd waren.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat

verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde op de wijze als door de rechtbank bewezen is verklaard.

Het standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat het dossier

onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat. De raadsvrouw heeft in dat kader aangevoerd dat de verklaring van aangeefster [aangeefster] onbetrouwbaar is en dat het NFI-rapport de aangifte onvoldoende ondersteunt.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt hiertoe in het bijzonder het navolgende.

Aangeefster [aangeefster] heeft verklaard dat er op 22 februari 2008 bij de [naam bank] in [plaats] een doorlopend krediet van € 10.000,- is afgesloten. Op dit contract staat “haar” handtekening, maar zij heeft dit stuk niet eerder gezien en zij heeft er niet voor getekend. Op 19 juni 2008 is een kredietlimiet van € 45.000,- aangevraagd bij de [naam bank] . Ook onder dit document staat “haar” handtekening, terwijl zij deze overeenkomst ook niet eerder heeft gezien en ook niet heeft ondertekend.

Aangeefster heeft ook verklaard dat de handtekening bij 1b op de onderhandse overeenkomst van vaste geldlening, overeengekomen op 3 oktober 2012 te [plaats] / [plaats] , van haar zou moeten zijn, maar dat zij deze niet zelf heeft gezet. Daarnaast is zij in de post een akte wijziging geldleningsvoorwaarden van [naam bank] tegengekomen waar ook een vervalste handtekening van haar onder staat.

De verdediging heeft gesteld dat aangeefster mogelijk belang heeft bij het afleggen van een

voor verdachte belastende verklaring, omdat zij hierdoor toegang zou kunnen krijgen tot de schuldhulpverlening.

Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van aangeefsters verklaring, omdat deze feitelijk-beschrijvend, consistent en gedetailleerd is en steunt vindt in de resultaten van het onderzoek door het NFI.

Het NFI heeft de vier handtekeningen die door aangeefster zijn betwist onderzocht en

vergeleken met referentiemateriaal van aangeefster en verdachte. In het rapport wordt met betrekking tot alle vier de betwiste handtekeningen geconcludeerd dat de bevindingen van het onderzoek veel waarschijnlijker zijn als de hypothese dat de handtekeningen een vervalsing zijn, juist is dan als de hypothese dat zij de authentieke handtekening van de aangeefster zijn juist is. De resultaten van het vergelijkend onderzoek met betrekking tot de betwiste handtekeningen onder de onderhandse overeenkomst van geldlening en de wijziging geldleningsvoorwaarden van [naam bank] zijn iets waarschijnlijker als de hypothese dat de handtekeningen door de verdachte is geproduceerd juist is, dan als de hypothese dat zij zijn geproduceerd door een willekeurige andere persoon juist is.

De onderhandse overeenkomst tot geldlening en de wijziging geldleningsvoorwaarden van

[naam bank]

Verdachte heeft bij de politie met betrekking tot de onderhandse overeenkomst tot geldlening onder meer het volgende verklaard:

‘V. Op 3-10-2012 zou je een onderhandse geldlening van je oom en tante hebben afgenomen,

klopt dat?

A. Ja, dat klopt.

V Heeft u voor haar getekend op dat contract?

A: Die moest ik van haar ondertekenen want die moest snel diezelfde dag terug. Ze

zei tegen mij teken hem maar en lever hem snel in.’

Verdachte heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij dit niet op deze wijze bij de politie heeft verklaard.

Het hof is van oordeel dat uit zijn verklaring bij de politie volgt dat verdachte de handtekening van aangeefster onder de overeenkomst van de onderhandse lening heeft gezet. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de weergave van deze verklaring in het daarvan opgemaakte proces‑verbaal, waarbij het hof in aanmerking heeft genomen dat de verdachte het proces‑verbaal heeft getekend en elke pagina heeft geparafeerd en dat de verdachte in hoger beroep ook heeft verklaard dat het proces‑verbaal voor het overige zijn verklaring correct weergeeft. Desgevraagd kon verdachte ook geen plausibele uitleg geven waarom alleen dit onderdeel van zijn verklaring niet correct zou zijn weergegeven.

Gelet op de verklaring van de verdachte tegenover de politie in combinatie met de conclusies van het NFI en de aangifte, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de handtekening van [aangeefster] onder de onderhandse overeenkomst van geldlening heeft gezet en dat hij dat document daarmee valselijk heeft opgemaakt.

Met betrekking tot de wijziging geldleningsvoorwaarden van [naam bank] heeft verdachte

bij de politie onder meer het volgende verklaard:

‘0: Ik laat de verdachte de akte van 315.000 euro van [naam bank] zien, met daarop

de handtekeningen bij de naam [verdachte] en [aangeefster] .

A: (...) Beweert zij dat ik dit voor haar getekend heb? Ik heb in het verleden weleens gehad

dat [naam] aan mij vroeg of ik voor haar kon tekenen.

V. Om wat voor een dingen ging het dan?

A: Ook wel over zulke dingen, van alles. Als iets doorgelezen moest worden dan zei ze oh dat zal wel kloppen, lever maar in.

V Wat bedoelt u met: zulke dingen.

A: Wat voor school voor de kinderen of iets dergelijks.’

Hoewel verdachte heeft verklaard met ‘zulke dingen’ te bedoelen zaken voor school, voor de kinderen of iets dergelijks, leidt het hof uit de context van de verklaring af dat verdachte ook wel eens tekende voor een akte, zoals door de verbalisant aan hem getoond werd.

Op grond van de bevindingen van het NFI met betrekking tot de betwiste handtekeningen onder de onderhandse overeenkomst van geldlening en de wijziging geldleningsvoorwaarden van [naam bank] en de aangifte, en in aanmerking genomen wat de verdachte bij de politie heeft verklaard over het zetten van de handtekening van de aangeefster onder de onderhandse overeenkomst van geldlening, acht het hof ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de handtekening van de aangeefster onder de wijziging geldleningsvoorwaarden van [naam bank] heeft gezet en dat hij daarmee ook dat document valselijk heeft opgemaakt.

Overeenkomst doorlopend krediet met hypotheekverklaring [naam bank] en overeenkomst doorlopend krediet [naam bank] NV

Het NFI heeft met betrekking tot de betwiste handtekeningen onder de overeenkomst

doorlopend krediet met hypotheekverklaring van [naam bank] en de overeenkomst doorlopend

krediet van [naam bank] NV verklaard dat de kopieën van die handtekeningen van onvoldoende kwaliteit zijn om de resultaten van het hiermee verrichte vergelijkend onderzoek adequaat te kunnen beoordelen.

Wel geven de bevindingen van het NFI veel steun aan de hypothese dat ook die handtekeningen vervalsingen zijn van de handtekening van de aangeefster.

Gelet hierop, in samenhang bezien met de aangifte en wat hiervoor al is overwogen over de verklaring van verdachte over het plaatsen van de handtekening van de aangeefster onder de overeenkomst van onderhandse lening, gaat het hof ervan uit dat de verdachte ook degene is geweest die de handtekening van de aangeefster onder de overeenkomst doorlopend krediet met hypotheekverklaring van [naam bank] en de overeenkomst doorlopend krediet van [naam bank] NV heeft gezet en daarmee dus ook die documenten valselijk heeft opgemaakt. Hierbij is ook in ogenschouw genomen dat, gelet op de aard van de overeenkomsten, naast verdachte redelijkerwijs niemand anders belang kan hebben gehad bij het vervalsen van de handtekeningen en dat de gehanteerde handelwijze bij alle vier documenten telkens dezelfde is geweest. Daarnaast is het ook niet aannemelijk geworden dat iemand anders dan verdachte in de gelegenheid is geweest de handtekening van aangeefster te vervalsen zonder dat verdachte daarvan op de hoogte was.

Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ook de

overeenkomst doorlopend krediet met hypotheekverklaring van [naam bank] en de

overeenkomst doorlopend krediet van [naam bank] NV valselijk heeft opgemaakt door

de handtekening van [aangeefster] onder die documenten te zetten.

Nu verdachte van alle vier de geschriften/overeenkomsten ook daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt, is het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 februari 2008 tot en met 03 oktober 2012 te [plaats] , althans in de gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland meermalen, althans eenmaal, (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:

- een onderhandse overeenkomst van vaste geldlening en/of

- een overeenkomst van [naam bank] NV doorlopend krediet en/of

- een overeenkomst [naam bank] doorlopend krediet met hypotheekverklaring (Aflosvrij) en/of

- een wijziging geldleningsvoorwaarden van [naam bank]

valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst door (telkens) op voormelde geschriften/overeenkomsten de handtekening van [aangeefster] (geboren [1963] ) te plaatsen/schrijven/vermelden

met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Verdachte is door de rechtbank veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren waarvan 60 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte veroordeelt tot dezelfde straf als door de rechtbank is opgelegd.

De raadsvrouw heeft, indien het hof het feit bewezen acht, gepleit voor oplegging van een taakstraf.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich over een periode van meer dan vier jaren schuldig gemaakt aan het vervalsen van de handtekening van zijn toenmalige echtgenote op diverse overeenkomsten, waarmee onder meer voor grote bedragen geldleningen zijn afgesloten. Hierbij heeft verdachte ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zijn (ex-)echtgenote in hem had gesteld. Het hof rekent het verdachte zwaar aan dat hij onder valse voorwendselen bedrijven heeft bewogen tot het verstrekken van geldleningen en daarmee zijn ex‑echtgenote (mede) aanzienlijk financieel risico heeft laten lopen: minst genomen heeft hij haar blootgesteld aan de mogelijkheid dat de door hem gemaakte schulden door de schuldeisers op haar worden verhaald.

Het hof zoekt bij de hoogte van de op te leggen straf aansluiting bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting bij fraude. Het hof gaat daarbij voor verdachte uit van een benadelingsbedrag van € 65.000,-. De oriëntatiepunten voor straftoemeting bij fraude houden bij een benadelingsbedrag van tussen de € 10.000,- en € 70.000,- als uitgangspunt in dat een gevangenisstraf tussen twee en vijf maanden of een werkstraf passend en geboden is.

In het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken en de ouderdom van het feit, is het hof van oordeel dat oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, beide van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is. Het hof komt, gelet op de ernst van de feiten, tot een groter aantal uren onvoorwaardelijke taakstraf dan door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat‑generaal is gevorderd

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. R. de Groot, voorzitter,

mr. G. Dam en mr. N.C. van Lookeren Campagne, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. G.W. Jansink, griffier,

en op 7 maart 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. R. de Groot is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 7 maart 2018.

Tegenwoordig:

mr. K.J.C. Geeve, voorzitter,

mr. W. Stienen, advocaat-generaal,

mr. G.W. Jansink, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1964] ,

wonende te [woonplaats]

is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.