Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:2219

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
28-03-2018
Zaaknummer
200.203.349/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:1240, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep op valsheid Pakistaanse huwelijksakte verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.203.349/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/186144/HA ZA 16-199)

arrest van 6 maart 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.P. van Dijk, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

[geïntimeerde] ,

ook genaamd: [geïntimeerde],

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. K.M. Kuipers-Ten Voorde, kantoorhoudend te Hengelo.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 27 juni 2017 hier over, met dien verstande dat daarin als derde raadsheer mr. J.G. Knot is vermeld; dat moet zijn

mr. W.D. Kolkman.

1.2

De stukken zijn overgelegd voor het wijzen van arrest en het hof heeft arrest bepaald.

2 De vordering in hoger beroep.

2.1

[appellant] vordert in hoger beroep dat het hof, onder vernietiging van het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 19 oktober 2016, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, alsnog voor recht verklaart:

"- Dat productie 9 bij dagvaarding in eerste aanleg geen huwelijksakte betreft, doch een vals document.

- Dat productie 9 bij dagvaarding in eerste aanleg geen huwelijksovereenkomst betreft, doch een vals document.

- Dat productie 9 bij dagvaarding in eerste aanleg een vals document is, teneinde valselijk een huwelijk te doen veronderstellen.

- Dat, voor zover zou blijken, dat op productie 9 in eerste aanleg de handtekeningen van de vrouw en de man zijn gesteld, deze handtekeningen niet van de man en de vrouw zijn en valselijk zijn vermeld, evenals de vermelding van de handtekening van de broer van de man.

- Dat productie 12 bij dagvaarding in eerste aanleg geen huwelijksdocument betreft en geen vertaling kan zijn van productie 9 en dat uit deze productie niet blijkt van legalisatie door een Pakistaanse autoriteit.

- Dat productie 13 een vals c.q. vervalst document is, vanwege de vele afwijkingen met de overige geproduceerde documenten en dat deze productie geen origineel afschrift van een Pakistaanse huwelijksakte kan betreffen.

- Voorts met benoeming van een deskundige, voor zover noodzakelijk geacht, teneinde de valsheid van bovengenoemde documenten vast te stellen en de valsheid van opgenomen handtekeningen van de man, de vrouw en de niet aanwezige getuige.

- Voorts voorwaardelijk, als hierboven geformuleerd, te verklaren voor recht dat de gedaagde in eerste aanleg, thans geïntimeerde jegens eiser onrechtmatig heeft gehandeld (door overlegging van valse documenten c.q. gebruikmaking van valse documenten) en met beslissing, dat deze schade dient te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet.

Voorts met veroordeling van de geïntimeerde in de kosten van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep."

2.2

[appellant] heeft hiermee zijn eis uit eerste aanleg op enige punten aangevuld en derhalve zijn eis gewijzigd. [geïntimeerde] heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. Het hof ziet geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Ter zake van de vordering van [appellant] zal derhalve recht worden gedaan op de gewijzigde eis.

3 De vaststaande feiten

3.1

Tussen partijen staan de volgende feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken, vast:

- Bij (eind)beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 21 mei 2014 is, onder meer, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en heeft de rechtbank een door [appellant] aan [geïntimeerde] te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van [geïntimeerde] vastgesteld. Het hof heeft deze beslissingen bij beschikking van 16 april 2015 bekrachtigd. [appellant] heeft daartegen geen rechtsmiddel aangewend.

- Bij beschikking van 16 februari 2016 heeft het hof het verzoek van [appellant]

tot herroeping van ‘s hofs beschikking van 16 april 2015, dat was gegrond op het bepaalde in artikel 390 jo 382 lid a Rv (bedrog), afgewezen. [appellant] heeft geen rechtsmiddel tegen deze beslissing aangewend.

- Bij beschikking van 17 juni 2016 heeft de rechtbank beslist inzake de

vermogensrechtelijke afwikkeling na de echtscheiding van partijen. [appellant] heeft daartegen hoger beroep ingesteld en die procedure loopt nog.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

4.1

Grief 1 houdt in dat de rechtbank in het bestreden vonnis ten onrechte heeft overwogen als is gedaan in rechtsoverweging 2.1 en dat met name ten onrechte is overwogen dat het gerechtshof (in de beschikking van 16 april 2015) heeft geoordeeld dat partijen rechtsgeldig gehuwd zijn geweest. Het hof neemt in aanmerking dat het laatstbedoelde deel van de overweging van de rechtbank luidt: 'het door het hof bekrachtigde oordeel dat partijen - anders dan de man betoogde - rechtsgeldig zijn gehuwd geweest'. [appellant] heeft onvoldoende gesteld om te concluderen dat deze overweging, die niet anders beoogt dan een eerdere procedurele gang van zaken weer te geven - in essentie - onjuist is, zodat de grief faalt.

4.2

Grief 2 is gericht tegen de weergave van de rechtbank van de vorderingen van [appellant] in rechtsoverweging 2.5. Het hof heeft hiervoor de inhoud van de vorderingen in hoger beroep van [appellant] weergegeven. Nu het hof daarvan zal uitgaan is het belang aan de grief komen te ontvallen, wat er van de inhoud daarvan ook zij. Het hof zal die grief verder onbesproken laten.

4.3

De grieven 3 en 4 houden in essentie in dat de rechtbank in de rechtsoverwegingen 3.1. en 3.2. van het bestreden vonnis de vorderingen van [appellant] ten onrechte heeft afgewezen op grond van - onder meer - de overwegingen:

- dat niet doorslaggevend is of [geïntimeerde] (eventueel) valse stukken heeft overgelegd aangaande het huwelijk met [appellant] , maar of [geïntimeerde] wist van de valsheid van die stukken en of haar opzet was gericht op het overleggen van bescheiden, waarvan zij wist dat die stukken vals waren, en

- dat een eventuele nadere onderbouwing door [appellant] , dat in het geding gebrachte stukken (inderdaad) vals zijn, respectievelijk dat de valsheid hiervan alsnog kan worden bewezen, geen onderbouwing vormt van de stelling van [appellant] , dat [geïntimeerde] met opzet bedrog heeft gepleegd.

4.4

[appellant] stelt dat de motivering die de rechtbank voor de afwijzing van zijn vorderingen heeft gegeven, niet is gestoeld op de grondslagen die hij voor zijn vorderingen heeft aangevoerd.

4.5

Uit de overgelegde bescheiden, waaronder de inleidende dagvaarding onder 2, blijkt dat de, ook in eerste aanleg, gevorderde verklaringen voor recht dat de producties 9 en 13 vals zijn en dat productie 12 geen huwelijksdocument betreft en geen vertaling kan zijn van productie 9, door [appellant] zijn gegrond op de stellingen dat partijen niet rechtsgeldig zijn gehuwd en dat de in de echtscheidingsprocedure overgelegde bescheiden waaruit anders zou blijken vals zijn. Hij heeft daarbij te kennen gegeven dat hij met de verklaringen voor recht een uitspraak wenst te krijgen waarin bij gewijsde is vastgesteld dat de bedoelde bescheiden vals of vervalst zijn, als bedoeld in artikel 382 aanhef en onder b Rv., met als doel een op dat artikel gegrond verzoek tot herroeping van de in de echtscheidingsprocedure gegeven beschikking(en) te kunnen indienen. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de (onvoorwaardelijke) vorderingen van [appellant] om voor recht te verklaren dat de bedoelde bescheiden vals zijn, in essentie, afgewezen op grond van de onder 4.3 weergegeven overwegingen. De rechtbank heeft daarbij de vraag of de door [appellant] in zijn vorderingen genoemde stukken vals waren onbeantwoord gelaten. Nu de (onvoorwaardelijke) vorderingen van [appellant] op de door hem gestelde valsheid van die stukken zijn gegrond, heeft de rechtbank de afwijzing van die vorderingen niet toereikend gemotiveerd en zal daarom het antwoord op genoemde vraag alsnog moeten worden beoordeeld.

4.6

De bescheiden waarvan [appellant] stelt dat deze vals zijn betreffen:

- een kopie van een handgeschreven, in de Urdu taal, gesteld document (productie 9);

- een kopie van een door notaris mr. E. Linde, gevestigd in de gemeente Hardenberg, kantoorhoudend te Dedemsvaart op 10 januari 2014 voor afschrift uitgegeven onderhands stuk. Dit betreft een vertaling die is gedateerd 30 juli 1979 en bevat twee stempels waarin (onder meer) staat "Embassy of Pakistan The Hague' (productie 12).

- een kopie van een V8 formulier met twee bijlagen, dat de advocaat van [geïntimeerde] in een van de tussen partijen gevoerde procedures heeft ingediend op 21 januari 2015 (productie 13).

De producties 9, 12 en 13 heeft [appellant] overgelegd bij de inleidende dagvaarding.

4.7

Het hof stelt voorop dat sprake is van valse stukken, indien het gaat om vervalste stukken of authentieke stukken, waarvan de inhoud niet waar is.

Het handgeschreven document (productie 9)

4.8

[appellant] heeft als productie 14 overgelegd een door een beëdigd vertaler in de Nederlandse taal opgestelde vertaling van het handgeschreven, in de Urdu-taal, gestelde document. Het hof neemt voor de beoordeling van de geschilpunten deze vertaling tot uitgangspunt, mede nu [appellant] er, in de stukken van uitgaat dat dit een correcte vertaling betreft en [geïntimeerde] dat niet heeft bestreden. In de vertaling staat dat partijen [in] 1975 in [B] (Pakistan) met elkaar zijn gehuwd. De vertaling vermeldt dat in het handgeschreven document twee handtekeningen staan "die als volgt kan worden gelezen: (links) [appellant] zelf; (rechts) [geïntimeerde] , met een pijl naar beneden verwijzend naar Handtekening van de bruid." Verder staat in de vertaling onder meer dat het document de handtekening bevat van degene die het huwelijk voltrok, alsmede van degene het huwelijk registreerde en zijn stempel.

4.9

Het hof neemt in aanmerking dat uit de door [appellant] als productie 17 overgelegde informatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, waarvan de inhoud niet door [geïntimeerde] is bestreden, het volgende blijkt. In Pakistan moeten per huwelijk op vier bladen alle velden worden ingevuld, of indien van toepassing worden doorgehaald. Onmiddellijk na de huwelijkssluiting moeten alle vereiste handtekeningen worden geplaatst door de echtelieden, de getuigen en de naaste familieleden, van wie de 'Nikah Registrar' de identiteit verifieert aan de hand van identiteitskaarten. Vervolgens ondertekent de 'Nikah Registrar' de vier bladen, waarvan het origineel in het 'Nikah-register' blijft, het tweede en derde exemplaar voor de bruid en bruidegom zijn en het vierde blad is bestemd voor de Union Council ten behoeve van registratie. Na deze handelingen is het huwelijk rechtsgeldig. Bij de Union Council kan, wanneer een recent exemplaar nodig is, een 'mariage registration certificate' 'worden opgevraagd. Overigens vermeldt een advies van het Internationaal Juridisch Instituut, dat zich bij de stukken bevindt, dat deze registratie geen constructief vereiste is voor een rechtsgeldig huwelijk.

4.10

[appellant] stelt dat het handgeschreven document vals is en geen door een bevoegde Pakistaanse autoriteit afgegeven huwelijksverklaring betreft. [geïntimeerde] heeft het door [appellant] gestelde gemotiveerd bestreden. Op [appellant] rust ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht voor het rechtsgevolg waarop hij zijn vorderingen baseert en, zonodig, de bewijslast. Het hof is van oordeel dat [appellant] niet heeft aangetoond dat het handgeschreven document vals is en licht dat als volgt toe.

De handtekening van [appellant] en [geïntimeerde]

4.11

[appellant] stelt dat hij de handtekening in het handgeschreven document, die aan hem wordt toegeschreven, niet heeft gezet en dat ook [geïntimeerde] het handgeschreven document niet heeft ondertekend. Hij betoogt dat hij op 31 mei 1975 in Risalpur een maaltijd met een oom en zijn grootvader heeft genoten, waarbij [geïntimeerde] niet aanwezig was, en dat van een huwelijk geen sprake was. [geïntimeerde] heeft dat bestreden. Zij stelt dat een huwelijk tussen partijen is gesloten en dat zowel [appellant] als zijzelf daarbij aanwezig waren en hebben getekend.

4.12

Het hof acht niet aannemelijk dat op 31 mei 1975 in het geheel geen sprake van een huwelijksplechtigheid is geweest. [appellant] heeft in november 1975 een verklaring ondertekend waarin hij zich garant heeft gesteld voor de kosten van onderhoud van [geïntimeerde] , waarna [geïntimeerde] van Pakistan naar Engeland is verhuisd en bij [appellant] is gaan wonen. In de daarop volgende decennia hebben [appellant] en [geïntimeerde] zich, ook jegens officiële instanties, als wettig gehuwd gedragen en zich als wettig gehuwd laten inschrijven. Dat dit alles heeft plaatsgevonden zonder dat sprake zou zijn geweest van een huwelijksplechtigheid acht het hof zeer onwaarschijnlijk. De omstandigheid dat [appellant] tijdens de echtscheidingsprocedure de overtuiging heeft bekomen dat partijen geen (rechtsgeldig) huwelijk hebben gesloten - hetgeen de reden is waarom hij onder meer de onderhavige procedure is aangevangen - maakt dat niet anders.

[appellant] zal, gezien het vorenoverwogene, dienen te bewijzen dat de in het handgeschreven document aan partijen toegerekende handtekeningen, niet van hen afkomstig zijn. Hij heeft daartoe wat betreft de aan hem toegerekende handtekening met name verwezen naar bladzijden uit het Engelse paspoort dat hij in de periode rond 31 mei 1975 bezat. Het hof is, mede gelet op de betwisting door [geïntimeerde] , van oordeel dat de in dat paspoort aanwezige handtekening onvoldoende is om te concluderen dat de handtekening in het handgeschreven document niet van [appellant] afkomstig is. Andere gegevens - zoals een verklaring van een deskundige - waaruit blijkt dat de handtekening niet van hem afkomstig is heeft [appellant] niet verstrekt. Ook wat betreft de handtekening in het handgeschreven document die aan [geïntimeerde] is toegeschreven, zijn geen gegevens verstrekt waaruit zou kunnen blijken dat de handtekening niet van haar afkomstig is.

[appellant] stelt onderaan punt 34 in de appeldagvaarding dat op diverse plaatsen geconcretiseerd bewijs is aangeboden, alsmede "Voorts is bewijs door een deskundige aangeboden. De man en de broer kunnen worden gehoord. Een deskundige zal kunnen verklaren, dat de handtekeningen van de man, de vrouw en de genoemde getuige niet op het document in de Urdu-taal vermeld zijn." In punt 34 van de appeldagvaarding heeft [appellant] evenwel diverse, op verschillende onderdelen van het geschil betrekking hebbende, stellingen ingenomen, waardoor aan het voorgaande niet kan worden ontleend op welke wijze [appellant] specifiek met betrekking tot de onderhavige handtekeningen bewijs wenst te leveren. [appellant] heeft ook niet nader aangegeven op welke plaatsen in de gedingstukken geconcretiseerd bewijs is aangeboden. Gelet op de stukken uit eerste aanleg (waaronder: de inleidende dagvaarding onder aan bladzijde 6, de conclusie van repliek onder 13 en 66 en de akte tot uitlating onder 6) gaat het hof ervan uit dat [appellant] bewijs wenst te leveren door het laten verrichten van een deskundigenonderzoek. Het hof ziet evenwel, mede nu [appellant] ook zelf een deskundige had kunnen aanzoeken om een onderzoek te verrichten en hij dat kennelijk heeft nagelaten, geen aanleiding om een deskundigenonderzoek te bevelen. Voor zover [appellant] beoogt bewijs te leveren door een deskundige als partij-deskundige te doen horen, wordt dit aanbod gepasseerd omdat uit dat aanbod en de daarop gegeven toelichting niet blijkt dat er een deskundige is die uit eigen wetenschap kan verklaren dat de handtekeningen die aan [appellant] en [geïntimeerde] worden toegeschreven niet van hen afkomstig zijn. Het hof zal geen gebruik maken van zijn discretionaire bevoegdheid om zich door een deskundige te laten voorlichten.

De broer als getuige

4.13

[appellant] betoogt dat de in productie 14 genoemde getuige ' [C] , zoon van [D] ', zijn broer [E] is en dat [D] de vader van hen beiden is. Volgens [appellant] kan zijn broer echter niet als getuige aanwezig zijn geweest, nu deze broer in 1975 niet in Pakistan heeft verbleven, zodat het handgeschreven document op dat punt niet waar is. [geïntimeerde] heeft bestreden dat de getuige de broer is van [appellant] en dat met [D] diens vader wordt bedoeld, en wijst erop dat het hier om namen gaat die veel voorkomen. Het hof is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat de namen in het document, afgezien van een mogelijk door de vertaling uit de Urdu-taal ontstane afwijkende spelling, overeenkomen met de namen van de vader en de broer van [appellant] , onvoldoende is om te concluderen dat in het handgeschreven document de broer van [appellant] als getuige wordt vermeld. Andere gegevens die de stelling van [appellant] onderbouwen zijn niet overgelegd. Nu [appellant] niet heeft aangetoond dat zijn broer in het handgeschreven document als getuige wordt genoemd, is niet van belang dat zijn broer ten tijde van de huwelijkssluiting niet in Pakistan verbleef, zodat het hof aan het daarop gerichte bewijsaanbod voorbij gaat.

De overige door [appellant] genoemde valse elementen in het handgeschreven document.

4.14

De door [appellant] gestelde, maar niet onderbouwde, omstandigheid dat de bevoegde autoriteiten in Pakistan in het weekend van 31 mei 1975 gesloten zijn geweest, kan - anders dan hij meent - niet leiden tot de conclusie dat daardoor ook geen Nikah Registrar (door [appellant] in de inleidende dagvaarding ook aangeduid als Ambtenaar van de Burgerlijke Stand) beschikbaar was om het huwelijk te registreren. [appellant] heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat het handgeschreven document niet door een daartoe bevoegd persoon is geregistreerd.

Ook de omstandigheid dat in het handgeschreven document de leeftijd van partijen en de woonplaats van [appellant] onjuist zijn vermeld, zijn onvoldoende om te concluderen dat het handgeschreven document vals is. Weliswaar moet volgens de door [appellant] verstrekte gegevens een Nikah Registrar de identiteit van de echtelieden verifiëren aan de hand van identiteitskaarten, maar het voorkomen van enige misslagen in de weergave van de persoonsgegevens van partijen is onvoldoende om te oordelen dat geen rechtsgeldige huwelijkssluiting tussen partijen heeft plaatsgevonden op de wijze als beschreven in het handgeschreven document. Dat volgt ook niet uit de door [appellant] gestelde omstandigheid dat het handgeschreven document uit minder dan vier bladzijden bestaat, nu [appellant] niet heeft gesteld en ook niet is gebleken dat vereiste delen in het document niet bestaan hebben. Daarbij komt dat uit de informatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, waarnaar [appellant] verwijst, niet blijkt dat een huwelijksakte uit vier bladzijden moet bestaan. Daarin is slechts vermeld dat per huwelijk vier bladen (exemplaren) worden opgemaakt, waarvan vier verschillende personen/instanties een blad (exemplaar) krijgen.

[appellant] heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat het op het handgeschreven document aanwezige stempel niet afkomstig is van de in dat stempel genoemde instantie, de Union Committee no.2, welke instantie, naar het hof begrijpt, de Union Council betreft. Immers, wanneer het zo is dat een substantieel deel van de akten afkomstig uit Pakistan vals is, zoals [appellant] stelt, dan vloeit daaruit niet voort dat ook het handgeschreven document vals is en/of een vals stempel draagt.

4.15

Het voorgaande leidt ertoe dat [appellant] niet heeft aangetoond dat het handgeschreven document, dat de kenmerken heeft van een door een Pakistaanse autoriteit afgegeven huwelijksakte als bedoeld in overweging 4.9, vals is, zodat de desbetreffende vorderingen behoren te worden afgewezen.

4.16

Het hof ziet geen aanleiding om een deskundige te benoemen ten einde de valsheid van het handgeschreven document te onderzoeken, zoals door [appellant] gevorderd.

Productie 12

4.17

De als productie 12 overgelegde Engelse vertaling komt wat betreft de essentiële delen, zoals de namen van partijen en de huwelijksdatum, overeen met productie 14. Het hof acht de verschillen onvoldoende om te oordelen dat de vertaling van productie 12 geen vertaling van het handgeschreven document betreft. In productie 12 wordt weliswaar op plaatsen waar ingevolge de vertaling van productie 14 handtekeningen staan, vermeld 'sd/-', wat volgens [appellant] 'self-declared ' betekent, in die zin dat is verklaard en niet getekend, maar dat sluit, zoals [appellant] zelf op bladzijde 20 van de inleidende dagvaarding aangeeft, niet uit dat 'sd/-'in de vertaling ook kan zijn gebezigd om aan te geven dat een betreffende persoon heeft getekend. De gevorderde verklaring voor recht behoort dan ook te worden afgewezen.

Productie 13

4.18.

[appellant] heeft een verklaring voor recht gevraagd dat 'productie 13 een vals c.q. vervalst document is, vanwege de vele afwijkingen met de overige geproduceerde documenten en dat deze productie geen origineel afschrift van een Pakistaanse huwelijksakte kan betreffen.' [appellant] heeft in de inleidende dagvaarding onder 2. te kennen gegeven dat hij daarmee wil bereiken dat wordt vastgesteld dat zowel het als productie 13 overlegde V8 formulier als de twee daaraan gehechte bijlagen, een in de Engelse taal gestelde huwelijksakte en een brief van [F] , vals zijn. In hoger beroep heeft hij niet anders gesteld. De vordering betreft derhalve al de als productie 13 overgelegde bescheiden, zonder differentiatie naar de drie afzonderlijke bescheiden waaruit deze productie bestaat. Deze vordering kan niet worden toegewezen nu in ieder geval het V8 formulier niet als vals kan worden aangemerkt. In dat formulier staan slechts stellingen en meningen van [geïntimeerde] met betrekking tot bij dat formulier gevoegde bescheiden en over het geschil dat tussen partijen aanhangig was in de gerechtelijke procedure waarin het V8 formulier is overgelegd. Ook indien deze stellingen en meningen (deels) onjuistheden bevatten, wat niet vast staat, maakt dat het V8 formulier niet vals.

De conclusie

4.19.

Het voorgaande brengt mee dat de grieven 3 en 4 slagen voor zover dat betreft de motivering die de rechtbank aan de afwijzing van de onvoorwaardelijke vorderingen van [appellant] ten grondslag heeft gelegd, maar dat dat niet kan leiden tot toewijzing van de onvoorwaardelijke vorderingen. De onvoorwaardelijke vorderingen van [appellant] behoren dan ook te worden afgewezen. Daardoor is de voorwaarde verbonden aan de voorwaardelijke vorderingen niet vervuld. Alleen al om die reden dient de beslissing van de rechtbank om deze vorderingen af te wijzen, in stand te blijven.

4.20.

Grief 6 houdt in dat de rechtbank in het bestreden vonnis onder 3.4. ten onrechte heeft overwogen als daarin is gedaan. Het betreft een door de rechtbank ten overvloede gegeven overweging. Deze grief faalt, nu [appellant] geen feiten of omstandigheden heeft aangedragen waaruit blijkt dat deze overweging onjuistheden bevat.

4.21.

De grieven 5, 7 en 8 hebben - voor zover nog van belang - betrekking op de overweging van de rechtbank dat [appellant] de onderhavige procedure nodeloos heeft gevoerd en de veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

4.22.

Het hof is van oordeel dat [appellant] - ongeacht of hij de procedure nodeloos heeft

gevoerd - als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in eerste aanleg dient te worden veroordeeld. Hetgeen [appellant] heeft gesteld geeft het hof geen aanleiding anders te beslissen.

4.23

De grieven 5, 7 en 8 falen.

4.24

Gelet op het voorgaande, waaronder het in overweging 4.19 overwogene, dient het vonnis waarvan beroep, onder verbetering van de gronden, te worden bekrachtigd. Het hof zal, om de hiervoor genoemde redenen, [appellant] veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep (tarief II, 1,5 punt).

5 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van

19 oktober 2016;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 314,- voor verschotten en op € 1.341,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. G. Jonkman en mr. W.D. Kolkman en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 6 maart 2018.