Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:2213

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
200.197.561/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verbouwing woning. Mondelinge opdracht. Werkzaamheden in regie. Prijsplafond? Bewijslast. Opschortingsrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.197.561/01

(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland 3276064 CV EXPL 14-10757 en
3276095 CV EXPL 14-10760)

arrest van 6 maart 2018

in de zaak van

1 [appellant] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellant],

2. [appellante] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellante],

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in voorwaardelijke reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s.

advocaat: mr. R.W. Lagerwaard, kantoorhoudend te Hilversum,

tegen

1 [geïntimeerde1] h.o.d.n. [geïntimeerde1] Installatiebedrijf,

wonende te [B] ,

hierna: [geïntimeerde1],
2. Aannemersbedrijf De Stellingwerven B.V.,
gevestigd te Haulerwijk,

hierna: De Stellingwerven,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in voorwaardelijke reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] c.s.,

advocaat: mr. A.C. Winter, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 26 september 2017 hier over.

1.2

Ter uitvoering van genoemd tussenarrest heeft op 8 februari 2018 een comparitie van partijen plaatsgehad. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken.

1.3

Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd en heeft het hof arrest bepaald op het comparitiedossier, aangevuld met het proces-verbaal van de comparitie.

2 De vaststaande feiten

2.1

De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 1.1. tot en met 1.11 van zijn vonnis van 23 december 2015 een aantal feiten vastgesteld. Het hof zal ook van die feiten uitgaan, behoudens van de vaststelling in de rechtsoverwegingen 1.2 en 1.4, waartegen de grieven I en II zijn gericht en de vaststelling in r.o. 1.7, nu uit de memorie van antwoord van bezwaar tegen die vaststelling blijkt. Als gesteld en niet weersproken staan de volgende feiten vast.

2.2

Op 6 juni 2013 heeft op verzoek van [appellanten] c.s. aan de [a-straat] in [B] een gesprek plaatsgehad met [geïntimeerde1] . In dat gesprek hebben [appellanten] c.s. aangegeven dat zij van plan waren installatie- en bouwwerkzaamheden te doen uitvoeren aan hun nieuw te betrekken woning aan de [b-straat] 2 te [A] . De broer van [geïntimeerde1] , [C] was ook bij dat gesprek aanwezig.

2.3

[geïntimeerde1] heeft eerder werkzaamheden in opdracht van [appellanten] c.s. uitgevoerd in een woning aan de [a-straat] te [B] . [geïntimeerde1] werd daarbij geassisteerd door zijn broer [C] . Die werkzaamheden zijn op basis van kosten voor materiaal en een arbeidsloon van € 35,- per uur in rekening gebracht.

2.4

Op 8 juli 2013 heeft ME Bouw aan [appellanten] c.s. een offerte uitgebracht voor een aantal in de woning te [A] uit te voeren werkzaamheden aan de bovenste verdieping, wc en badkamer. Deze werkzaamheden werden geoffreerd voor een bedrag van € 32.276,75 aan materiaal en € 20.988,- aan uren aan de hand van “een globale schatting”, derhalve
€ 53.264,75 in totaal.

2.5

Op 13 juli 2013 is (in elk geval) [geïntimeerde1] door [appellant] rondgeleid in de woning aan de [b-straat] 2 te [A] om op te nemen welke werkzaamheden er dienden te worden verricht.

2.6

Na die bezichtiging zijn in opdracht van [appellanten] c.s. installatie- en bouwwerkzaamheden aan de woning aan de [b-straat] 2 te [A] verricht.

2.7

De werkzaamheden zijn feitelijk verricht door [geïntimeerde1] en door (medewerkers van) De Stellenwerven B.V. De Stellingwerven B.V. is een besloten vennootschap waarvan
[D] , de vader van [geïntimeerde1] , directeur is en [C] , de broer van [geïntimeerde1] , medewerker.

2.8

Zowel [geïntimeerde1] als De Stellenwerven heeft facturen voor geleverde materialen en gewerkte uren aan [appellanten] c.s. gezonden. Zes facturen hebben betrekking op materialen.

Het gaat hierbij om drie facturen van De Stellingwerven:
Datum factuur Bedrag incl. btw Voldaan op datum
1 september 2013 € 9.722,12 6 januari 2014
15 september 2013 € 3.456,28 3 oktober 2013
10 december 2013 € 2.617,65 6 januari 2014
en om drie facturen van [geïntimeerde1] :
5 oktober 2013 € 3.344,31 9 oktober 2013
10 december 2013 € 834,75 16 december 2013
10 december 2013 € 5.676,02 16 december 2013
Deze facturen van € 25.651,13 in totaal zijn door [appellanten] c.s. betaald aan
De Stellingwerven en aan [geïntimeerde1] .
Daarnaast heeft zowel De Stellingwerven als [geïntimeerde1] de volgens hen verrichte werkzaamheden op basis van een uurtarief van € 35,- aan Van de Zee c.s. in rekening gebracht.
Het gaat om drie facturen van De Stellingwerven:
Datum factuur Bedrag incl. btw Voldaan op datum
22 augustus 2013 € 11.556,65 3 september 2013
15 september 2013 € 12.855,15 3 oktober 2013
14 oktober 2013 € 10.684,80 -----
en om één factuur van [geïntimeerde1] :
10 december 2013 € 12.521,25 -----
In deze facturen zijn de weken waarin de werkzaamheden zijn uitgevoerd, de namen, de uren van de verschillende medewerkers en het uurtarief vermeld.

Van de facturen die betrekking hebben op de werkzaamheden zijn er derhalve twee voldaan en twee onbetaald gebleven.
[appellanten] c.s. hebben aldus in totaal een bedrag van € 50.062,93 incl. btw voldaan, zoals blijkt uit het door [geïntimeerde1] c.s. als productie 5 bij conclusie van repliek overgelegde overzicht en derhalve € 1.955,- minder dan de kantonrechter op basis van het door [appellanten] c.s. in hun conclusies van antwoord (randnummer 41 respectievelijk 70) gegeven overzicht heeft vastgesteld. [appellanten] c.s. hebben in dit verband verwezen naar productie 12 respectievelijk 13 bij hun conclusies van antwoord, maar uit dat stuk blijkt niet van een betaling aan [geïntimeerde1] of De Stellingwerven van € 1.955,- maar slechts van een kasopname van dat bedrag. Nu er evenmin een factuur ter hoogte van dit bedrag voorligt, zal het hof niet als vaststaand aannemen dat laatstgenoemd bedrag is voldaan.

Een bedrag van € 23.206,05 staat derhalve nog open.

2.9

[geïntimeerde1] en De Stellingwerven hebben in de loop van december 2013 hun werkzaamheden gestaakt. [geïntimeerde1] heeft onder meer aan [appellante] aangegeven dat de sleutels en tekeningen eerst worden overhandigd nadat de gefactureerde bedragen zijn betaald.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[geïntimeerde1] heeft bij dagvaarding van op 22 juli 2014 gevorderd [appellanten] c.s.

hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de openstaande factuur van 10 december 2013 ad € 12.521,25 (zie rov. 2.7) te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten. Die procedure is bij de rechtbank geregistreerd onder zaak/rolnummer 3276064 EXPL 14-10757.
[appellanten] c.s. hebben de vorderingen betwist en hebben in dat verband onder meer aangevoerd dat zij met [geïntimeerde1] zijn overeengekomen dat de in de offerte van ME Bouw omschreven werkzaamheden zouden worden uitgevoerd voor een bedrag van maximaal
€ 50.000,- incl. btw. [appellanten] c.s. hebben in reconventie gevorderd te verklaren voor recht dat [geïntimeerde1] toerekenbaar tekort is geschoten en gehouden is de voor [appellanten] c.s. ontstane schade te vergoeden en hem te veroordelen om aan schadevergoeding te betalen een bedrag van € 26.769,41 inclusief btw alsmede wegens onverschuldigde betaling een bedrag van € 2.017,93 een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente en proceskosten.

3.2

De Stellingwerven hebben bij dagvaarding van dezelfde datum gevorderd [appellanten] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van haar openstaande factuur van (€ 10.684,80, verminderd met het bedrag met een creditfactuur, aldus) pro resto € 10.275,46 te vermeerderen met rente en kosten. Die procedure is bij de rechtbank geregistreerd onder zaak/rolnummer 3276095 EXPL 14-10760.
c.s. hebben verweer gevoerd. Zij hebben betwist dat zij een overeenkomst met De Stellingwerven hebben gesloten en hebben aangevoerd dat De Stellingwerven als hulppersoon dan wel in onderaanneming van [geïntimeerde1] heeft gewerkt. [appellanten] c.s. hebben betoogd dat aan De Stellingwerven daarom geen vorderingsrecht toekomt en dat zij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Voorts hebben [appellanten] c.s. benadrukt dat voor de in de offerte van ME Bouw vermelde werkzaamheden een plafondbedrag van € 50.000,- is overeengekomen.
c.s. hebben in (voorwaardelijke) reconventie – voor het geval geoordeeld wordt dat ook De Stellingwerven als opdrachtnemer van [appellanten] c.s. heeft te gelden – gevorderd te verklaren voor recht dat De Stellingwerven toerekenbaar tekort is geschoten en gehouden is de voor [appellanten] c.s. ontstane schade te vergoeden en De Stellingwerven te veroordelen om aan schadevergoeding te betalen een bedrag van € 26.769,41 inclusief btw alsmede wegens onverschuldigde betaling te betalen een bedrag van € 2.017,93 een en ander vermeerderd met rente en kosten.

3.3

De kantonrechter heeft beide procedures bij vonnis van 29 april 2015 gevoegd.

3.4

Bij vonnis van 23 december 2015 heeft de kantonrechter onder meer het volgende overwogen. Zowel [geïntimeerde1] als De Stellingwerven heeft aan [appellanten] c.s. materialen en werkzaamheden in rekening gebracht voor de uitgevoerde bouw- en verbouwwerkzaamheden. [appellanten] c.s. hebben die facturen, met uitzondering van de twee in geschil zijnde facturen, aan respectievelijk [geïntimeerde1] en De Stellingwerven voldaan zonder daartegen bezwaar te maken. [appellanten] c.s. hebben niet betwist dat zowel [geïntimeerde1] als M. [geïntimeerde1] van De Stellingwerven destijds de woning hebben opgenomen. [appellanten] c.s. hebben tegenover die feiten en omstandigheden onvoldoende feitelijk en voldoende onderbouwd verweer gevoerd. Hun verweer wordt daarom gepasseerd.
Daarmee is uitgangspunt bij de beoordeling dat [appellanten] c.s. met zowel [geïntimeerde1] als met De Stellingwerven een aannemingsovereenkomst zijn aangegaan.

3.5

Bij vonnis van 4 mei 2016 heeft de kantonrechter [appellanten] c.s. toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit blijkt dat met [geïntimeerde1] en De Stellingwerven is overeengekomen dat zij de in de offerte van ME Bouw genoemde werkzaamheden zouden uitvoeren voor een bedrag van maximaal € 50.000,- inclusief btw.

3.6

Bij vonnis van 15 juni 2016 heeft de kantonrechter op verzoek van [appellanten] c.s. bepaald dat tegen het tussenvonnis van 4 mei 2016 tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld.

4 De beoordeling van de grieven

4.1

[appellanten] c.s. hebben twaalf grieven gericht tegen de vonnissen van de kantonrechter van 23 december 2015 en 4 mei 2016. Nu de kantonrechter tussentijds hoger beroep heeft opengesteld van zijn tussenvonnis van 4 mei 2016, mag ook tegen het eerdere tussenvonnis van 23 december 2015 worden geappelleerd (Vgl. Hoge Raad 17 december 2004, ECLI:N:HR:2004:AR3168, NJ 2006, 229).

4.2

De grieven I, II, III en VII komen op tegen het oordeel van de kantonrechter dat bij de beoordeling uitgangspunt is dat [appellanten] c.s. met zowel [geïntimeerde1] als De Stellingwerven een overeenkomst zijn aangegaan. [appellanten] c.s. hebben dat betwist. Zij hebben benadrukt dat zij alleen een overeenkomst van aanneming van werk hebben gesloten met [geïntimeerde1] , dat de broer van [geïntimeerde1] – medewerker van De Stellingwerven – weliswaar aanwezig was bij het gesprek op 6 juni 2013 maar dat dit niet op hun uitnodiging was, dat hij noch enig andere vertegenwoordiger van De Stellingwerven aanwezig bij de opname van het werk op

13 juli 2013 en dat er op die datum dan ook geen overeenkomst met De Stellingwerven tot stand is gekomen. De Stellingwerven is door [geïntimeerde1] als onderaannemer ingeschakeld, aldus [appellanten] c.s.

4.3

[geïntimeerde1] c.s. hebben aangevoerd dat [appellanten] c.s. [geïntimeerde1] opdracht hebben gegeven om de installatiewerkzaamheden te verrichten en [C] – als vertegenwoordiger van
De Stellingwerven – om de bouwkundige werkzaamheden uit te voeren. De Stellingwerven heeft materiaal ingekocht en werkzaamheden verricht en deze rechtstreeks aan [appellanten] c.s. gefactureerd. [appellanten] c.s. hebben zonder protest vijf van de zes facturen van
De Stellingwerven voldaan.

4.4

Het hof overweegt als volgt. Bij de vaststelling van feiten is rekening gehouden met hetgeen in deze grieven is gesteld omtrent de bezoeken op 6 juni en 13 juli 2013.
De vraag is of ook met De Stellingwerven een mondelinge aannemingsovereenkomst tot stand is gekomen. Het antwoord op die vraag hangt af van wat beide partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden; zij kunnen in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in een of meer gedragingen. Vaststaat dat [appellanten] c.s. vijf van de zes facturen van De Stellingwerven zonder protest hebben voldaan. Die omstandigheid levert een nadrukkelijke aanwijzing op dat [appellanten] c.s. hetzij van aanvang af hetzij naderhand ermee hebben ingestemd dat de aannemingsovereenkomst ten aanzien van dat deel van de werkzaamheden dat door De Stellingwerven is uitgevoerd met haar is gesloten. Feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden zijn door [appellanten] c.s. niet gesteld. De enkele omstandigheid dat [C] op 6 juni 2013 wel aanwezig was bij het gesprek over de uit te voeren werkzaamheden maar dat hij niet was uitgenodigd door [appellanten] c.s. is daartoe onvoldoende, evenals de door [appellanten] c.s. gestelde omstandigheid dat [C] tijdens de opname van de werkzaamheden op 13 juli 2013 niet aanwezig zou zijn geweest. Het bewijsaanbod van [appellanten] c.s. ten aanzien van die genoemde feiten (feitelijk een aanbod tot tegenbewijs) wordt dan ook als niet relevant gepasseerd. De, door [geïntimeerden] c.s. betwiste, stelling (mvg 16) dat [geïntimeerde1] aan [appellanten] c.s. gevraagd zou hebben of deze ermee instemde dat De Stellingwerven rechtstreeks zou factureren omdat dit administratief eenvoudiger zou zijn, is niet concreet onderbouwd (tussen wie is wat, waar en wanneer gesproken) en ook niet voorzien van een daarop aansluitend aanbod tot (tegen)bewijs. Het hof zal dan ook als onvoldoende gemotiveerd betwist ervan uitgaan dat de aannemingsovereenkomst ten aanzien van dat deel van de werkzaamheden dat door De Stellingwerven is uitgevoerd met haar is gesloten. Zij kan dan ook jegens [appellanten] c.s. aanspraak maken op (ook) de betaling van haar zesde factuur.

4.5

De grieven I, II, III en VII treffen geen doel.

4.6

De grieven IV en VIII, IX en X zijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat op [appellanten] c.s. de bewijslast rust van hun stelling dat er een prijsplafond van € 50.000,-is overeengekomen.

4.7

Dienaangaande overweegt het hof als volgt. [geïntimeerden] c.s. hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat tussen partijen is overeengekomen dat de werkzaamheden in regie zouden worden verricht, waarbij een uurtarief van € 35,- gold, terwijl de materialen zouden worden geleverd tegen de inkoopprijs vermeerderd met 15%.
[appellanten] c.s. hebben bevestigd dat partijen een uurtarief van € 35,- zijn overeengekomen en een prijs voor de materialen gelijk aan de inkoopprijs plus 15%.
Zij hebben evenwel gesteld dat daarbij de afspraak is gemaakt dat de totale kosten van de in de offerte van ME Bouw genoemde werkzaamheden een bedrag van € 50.000,- niet te boven zouden gaan. Nu [geïntimeerden] c.s. die afspraak hebben betwist, rust de bewijslast daarvan op [appellanten] c.s.
Anders dan zij menen, komt hun verweer niet neer op een betwisting van de grondslag van de vordering van [geïntimeerden] c.s. [appellanten] c.s. bevestigen immers dat de door [geïntimeerden] c.s. genoemde (uur)tarieven zijn overeengekomen maar stellen dat partijen daarnaast zijn overeengekomen dat er een maximum van € 50.000,- gold voor het totale bedrag dat [geïntimeerden] c.s. voor het werk in rekening mochten brengen en dat zij om die reden niet gehouden zijn de twee nog openstaande facturen te voldoen, aangezien daarmee het overeengekomen prijsplafond wordt overschreden. Dit komt naar ’s hofs oordeel neer op een bevrijdend verweer, waarvan de bewijslast op [appellanten] c.s. rust.

4.8

Voor zover [appellanten] c.s. zich op het standpunt hebben gesteld dat de facturen niet opeisbaar zijn omdat het werk niet door [geïntimeerden] c.s. is opgeleverd, stuit hun verweer af op de omstandigheid dat [geïntimeerden] c.s. bevoegd waren hun werkzaamheden op te schorten, zoals hierna uit de bespreking van grief V zal blijken.

4.9

De grieven IV en VIII tot en met X falen.

4.10

Grief V is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerden] c.s. gerechtigd waren hun werkzaamheden in december 2013 op te schorten. [appellanten] c.s. stellen zich op het standpunt dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat aan [geïntimeerden] c.s. de bevoegdheid tot opschorting toekomt voor zover niet zou komen vast te staan dat partijen een prijsplafond zijn overeengekomen.

4.11

Tussen partijen staat vast dat [geïntimeerden] c.s. hun werkzaamheden in de loop van december 2013 hebben neergelegd. [appellanten] c.s. hebben daar bij brief van 25 januari 2014 bezwaar tegen gemaakt. Zowel uit het (betalings)overzicht van [appellanten] (cva randnummer 41 e.v. resp. 70 e.v.) als uit dat van [geïntimeerden] c.s. (productie 5 bij cvr) blijkt dat [appellanten] c.s. de facturen van 1 september 2013 (€ 9.722,12) en 14 oktober 2013
(€ 10.684,80, pro resto € 10.275,46) in december 2013 nog niet hadden voldaan.
Het ging daarbij om een totaal bedrag van € 19.997,58, terwijl de betalingstermijn van die facturen (8 dagen) al ruimschoots was verstreken. De factuur van 1 september 2013 werd uiteindelijk op 6 januari 2014 voldaan, maar [appellanten] c.s. lieten de factuur van De Stellingwerven van 14 oktober 2013 (pro resto € 10.275,46) en de inmiddels eveneens opeisbaar geworden factuur [geïntimeerde1] van 10 december 2013 van € 12.521,25 (betalingstermijn 10 dagen) onbetaald. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden] c.s. in de gegeven omstandigheden gerechtigd waren hun werkzaamheden op te schorten.

4.12

Grief V faalt.

4.13

Grief VI heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft daarom geen afzonderlijke bespreking.

4.14

Grief XI is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellanten] c.s. zich niet op het prijsplafond kunnen beroepen voor wat betreft de werkzaamheden die [geïntimeerden] c.s. naast de in de offerte van ME Bouw vermelde werkzaamheden hebben verricht.
Zo menen [appellanten] c.s. dat rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat zij sloopwerkzaamheden zelf hebben verricht, nu die in de offerte van ME Bouw waren opgenomen en door [geïntimeerden] c.s. zouden worden verricht. Zij betogen dat waar in de offerte van ME Bouw wordt uitgegaan van zo’n € 21.000,- aan te werken uren, de sloopwerkzaamheden op € 5.250,- gewaardeerd zouden moeten worden. Aldus zou er sprake zijn van een prijsplafond van € 44.750,- voor de resterende in de offerte genoemde werkzaamheden en zou het bedrag van € 5.250,- dienen te worden betrokken bij de overige werkzaamheden die [geïntimeerden] c.s. hebben verricht.

4.15

[geïntimeerden] c.s. hebben niet alleen betwist dat er een prijsplafond is overeengekomen, maar ook dat de offerte van ME Bouw met hen is besproken en dat zij sloopwerkzaamheden zouden verrichten.
Zij hebben erop gewezen dat de offerte van ME Bouw alleen ziet op werkzaamheden op de bovenverdieping (fase 1), terwijl [appellanten] c.s. [geïntimeerden] c.s. daarnaast werkzaamheden op de begane grond hebben opgedragen (fase 2).
Voor de totale verbouwing is een bedrag van € 73.268,98 in rekening gebracht. Daarvan had € 41.439,90 betrekking op het verbouwen van de bovenverdieping en € 19.032,02 op de verbouwing van de begane grond. Bovendien was er sprake van onvoorziene, extra werkzaamheden, die ook niet voorkomen in de offerte van ME Bouw, aldus [geïntimeerden] c.s.
Zij hebben een overzicht van die extra werkzaamheden overgelegd, door hen ter vergelijking met de offerte van ME Bouw aangeduid als ‘meerwerk/onvoorzien’. Met die bijkomende werkzaamheden was volgens hen een bedrag van € 12.797,06 gemoeid.

4.16

Het hof overweegt als volgt. Deze grief is pas relevant als [appellanten] c.s. slagen in het bewijs dat zij met [geïntimeerden] c.s. zijn overeengekomen dat [geïntimeerden] c.s. alle in de offerte van ME Bouw genoemde werkzaamheden zouden verrichten voor een maximum bedrag van € 50.000,-.
Dat staat vooralsnog niet vast nu [geïntimeerden] c.s. betwisten dat de offerte met hen is besproken, dat zij sloopwerkzaamheden zouden verrichten en dat een maximum van € 50.000,- is overeengekomen.
Het hof constateert in dit verband dat de offerte van ME Bouw een ‘globale schatting van de uren’ van € 20.988,- incl. 6% btw geeft. De uren zijn in de offerte niet uitgesplitst naar de verschillende werkzaamheden zodat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet kan worden vastgesteld dat voor de in die offerte genoemde sloopwerkzaamheden ‘globaal’ een bedrag van € 5.250,- is begroot, zoals [appellanten] c.s. stellen.

4.17

Tussen partijen staat wel vast dat [geïntimeerden] c.s. niet alleen werkzaamheden op de bovenverdieping heeft verricht, maar tevens werkzaamheden op de begane grond. Die werkzaamheden zijn niet in de offerte van ME Bouw begrepen en vallen – zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen – dus sowieso niet onder het gestelde prijsplafond.

4.18

De grief faalt in die zin dat hieromtrent pas kan worden beslist na bewijslevering waartoe de kantonrechter [appellanten] c.s. heeft toegelaten.

4.19

Grief XII is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellanten] c.s. de in rekening gebrachte uren en materialen onvoldoende gemotiveerd hebben betwist.
c.s. hebben aangevoerd dat het feit dat zij de facturen aanvankelijk zonder protest hebben voldaan, was gelegen in de omstandigheid dat hen al snel duidelijk werd dat het niet goedkoper zou worden dan € 50.000,- en dat zij vanwege die maximum prijs geen belang hadden bij betwisting van de juistheid van de facturen. Dat de kantonrechter hun betwisting bij conclusie van dupliek ‘tardief’ noemt is onbegrijpelijk in het licht van het feit dat de dagvaardingen een ‘obscuur libel’ waren, zodat pas bij conclusie van repliek duidelijk werd waartegen [appellanten] c.s. zich moesten verweren.

4.20

[geïntimeerden] c.s. hebben erop gewezen dat hoewel de dagvaardingen zeer summier waren, daarbij wel de gespecificeerde facturen waren gevoegd.

4.21

Het hof overweegt als volgt.
In eerste aanleg hebben [appellanten] c.s., naast hun algemene verweer dat de facturen het door hen genoemde prijsplafond van € 50.000,- te boven gingen, geen specifiek verweer gevoerd tegen de inhoud van de gespecificeerde facturen. Zij hebben volstaan met een algemene betwisting dat de gefactureerde uren daadwerkelijk zijn gemaakt en de berekende materialen daadwerkelijk zijn gebruikt (conclusies van antwoord randnummers 46 en 40 en conclusie van dupliek randnummers 60 e.v.). Zij stellen zich op het standpunt dat [geïntimeerden] c.s. een en ander dienen te bewijzen. Het hof is evenwel met de kantonrechter van oordeel dat een dergelijk verweer in het licht van de uitvoerig gespecificeerde facturen onvoldoende gemotiveerd is. [appellanten] c.s. geven immers op geen enkele wijze aan welke uren op welke dagen ten onrechte in rekening zijn gebracht. Evenmin zetten zij uiteen welke materialen in rekening zijn gebracht zonder dat ze zijn verwerkt, nog daargelaten dat de in het geding zijnde facturen enkel op gewerkte uren en niet op materialen zien.

4.22

[appellanten] c.s. zijn ook in hun memorie van grieven niet concreet ingegaan op de in het geding zijnde facturen en de bijbehorende specificaties. Zij hebben volstaan met de algemene opmerking dat [geïntimeerden] c.s. geen volledige dagen aanwezig waren, lang pauzeerden en niet aanwezig waren op dagen waarop zij dat volgens opgave wel geweest zouden zijn. Welke dagen dat betrof en in hoeverre aldus met de in het geding zijnde facturen teveel uren in rekening zouden zijn gebracht, hebben zij echter niet duidelijk gemaakt.
Voor zover [appellanten] c.s. hebben aangevoerd dat de wijze van doorberekening van materialen ondoorzichtig was, is dat in dit hoger beroep niet relevant, nu de in het geding zijnde facturen niet zien op materialen en [appellanten] c.s. ook geen vordering uit dien hoofde hebben ingesteld.

4.23

Grief XII volgt het lot van de overige grieven.

5 De slotsom

5.1

De grieven falen, zodat de bestreden vonnissen moeten worden bekrachtigd.

Het hof zal de zaak op grond van art. 355 Rv ter verdere beslissing verwijzen naar de kantonrechter.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellanten] c.s. in de kosten van dit hoger beroep veroordelen. Die kosten worden aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. tot aan deze uitspraak vastgesteld op:

- griffierecht € 718,-

- salaris advocaat € 2.316,- (2 punten x tarief € 1.158,-)

Totaal € 3.034,-

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 23 december 2015 en 4 mei 2016;

verwijst de zaak ter verdere beslissing naar de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen;

veroordeelt [appellanten] c.s. in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. vastgesteld op € 718,- voor verschotten en op € 2.316,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. M.M.A. Wind, mr. L. Janse en mr. G.T. de Jong en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

6 maart 2018.