Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:2172

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
12-03-2018
Zaaknummer
200.216.992
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De omstandigheden dat appellant tot aan zijn echtscheidingsprocedure getrouw aan zijn financiële verplichtingen jegens de Bank had voldaan, ook nog een extra aflossing had gedaan vlak voordat hij in deze echtscheidingsprocedure verwikkeld raakte, een deel van de restschuld heeft afgelost, nog steeds maandelijks een bedrag ter verdere aflossing betaalt en een vast inkomen heeft, kunnen (alhoewel prijzenswaardig) niet de conclusie rechtvaardigen dat de Bank in redelijkheid niet tot de onderhavige gegevensverwerking heeft mogen overgaan, dan wel dat de inbreuk op de belangen van appellant onevenredig zijn in verhouding tot voornoemd met de verwerking te dienen doel. Feit is immers dat de restschuld thans nog steeds een substantieel bedrag vormt, die handhaving van de registratie rechtvaardigt.

Het feit dat appellant als gevolg van deze registratie veel problemen ondervindt bij het verkrijgen van een financiering voor een door hem te kopen woning, maakt – zelfs indien ervan uitgegaan zou worden dat een dergelijke financiering als gevolg van de bijzonderheidscodering A2 in het geheel niet te verkrijgen is, zoals appellant stelt maar de Bank betwist – niet dat daarmee deze registratie en het daarmee te dienen doel disproportioneel zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.216.992

(zaaknummer rechtbank C/16/434745/KG-ZA 17-174)

arrest in kort geding van 6 maart 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. M.B. Chylinska te Haarlem,

tegen:

de naamloze vennootschap
De Volksbank N.V.,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de Bank,

advocaat: mr. M.H. Berrevoets.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 26 april 2017 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 18 mei 2017,

- de memorie van grieven, met producties,

- de memorie van antwoord, met productie,

- het tussenarrest van 19 september 2017, waarbij een meervoudige comparitie van partijen is gelast,

- het proces-verbaal van de op 6 februari 2018 gehouden comparitie van partijen.

2.2

Vervolgens heeft het hof wederom arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten.

3.2

[appellant] heeft bij de SNS Bank, de rechtsvoorgangster van de Bank, een hypothecaire lening gehad in verband met de aan [appellant] in eigendom toebehorende woning aan de [straat] te [woonplaats] (hierna: de woning). Na aankoop van de woning en de afsluiting van de hypothecaire lening is [appellant] in algemene gemeenschap van goederen gehuwd met mevrouw [(ex-) echtgenote appellant] (hierna: [(ex-) echtgenote appellant] ). [appellant] en [(ex-) echtgenote appellant] hebben twee dochters.

3.3

In de loop van 2013 is een echtscheidingsprocedure gestart tussen [appellant] en [(ex-) echtgenote appellant] . In de zomer van 2014 is een achterstand ontstaan in de betaling van de op deze lening verschuldigde termijnen.

3.4

Bij brieven van 14 juli 2014, 22 juli 2014, 28 augustus 2014 en 25 september 2014 heeft de Bank [appellant] gesommeerd het saldo op zijn bankrekening aan te vullen zodat de Bank het verschuldigde bedrag kan afschrijven.

In de brief van 28 augustus 2014 is onder meer vermeld:

“Wat moet u weten?

SNS Bank heeft de verplichting op zich genomen betalingsachterstanden te melden bij Bureau Kredietregistratie. Dit betekent dat wanneer de achterstallige betalingen niet direct alsnog worden voldaan en er ook geen betalingsregeling is getroffen, SNS Bank verplicht is die betalingsachterstand bij Bureau Kredietregistratie te melden. Melding van een betalingsachterstand kan gevolgen hebben voor volgende financieringsaanvragen bij alle financiële instellingen en abonnementsaanvragen voor een mobiele telefoon.

Inmiddels naderen we de datum waarop we verplicht zijn u aan te melden bij het Bureau Kredietregistratie in Tiel.”

In de brief van 25 september 2014 is onder meer vermeld:

Wat moet u verder nog weten?

Wij zijn verplicht uw betalingsachterstand aan te melden bij het Bureau Kredietregistratie in Tiel. De aanmelding bij het Bureau Kredietregistratie kan gevolgen hebben voor volgende krediet- en /of hypotheekaanvragen bij alle financiële instellingen en abonnementsaanvragen voor een mobiele telefoon.”

3.4

Op 4 november 2014 is een achterstandsmelding bij het BKR gedaan (code A).

3.5

Naar aanleiding van een door [appellant] afgegeven volmacht heeft de Bank in juli 2015 de woning verkocht.

3.6

Met de verkoop van de woning is de betalingsachterstand op de hypothecaire lening ingelost. Daarom is bij het BKR op 28 juli 2015 de bijzonderheidscodering H (Herstel achterstand) gemeld.

3.7

Bij brief van 24 augustus 2015 heeft de Bank vermeld dat er na verkoop van de woning een restschuld bestaat van € 52.799,57. [appellant] is in die brief gesommeerd tot betaling van deze restschuld binnen veertien dagen. Daarbij is tevens vermeld:

“Bureau Krediet Registratie

Wij zijn verplicht bij het Bureau Krediet Registratie (BKR) in Tiel te melden dat u uw hypotheek niet volledig heeft afgelost. Dit kan gevolgen voor u hebben bij alle financiële instellingen. Bijvoorbeeld als u een nieuwe rekening wilt openen of een lening wilt aanvragen.”

3.8

Partijen hebben in het najaar van 2015 met elkaar overlegd over een te treffen (betalings)regeling met betrekking tot de restschuld. Een dergelijke regeling is niet tot stand gekomen.

3.9

In een aan [appellant] gerichte brief van 2 december 2015, toen partijen nog aan het overleggen waren over een betalingsregeling, heeft de Bank onder meer aan [appellant] geschreven:

“Op 31-07-2015 is uw woning verkocht. De opbrengst is niet voldoende om de hele hypotheekschuld af te lossen. U heeft een tekort van € 52.799,57. Hiervoor hebben we op uw naam het nieuwe rekeningnummer (…) geopend.

(…)

Wat moet u doen?

Voor de openstaande vordering bent u hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat u aansprakelijk bent voor het hele bedrag. Betaal binnen tien dagen na de datum van deze brief de totale vordering. Kunt u dit niet, neem dan direct contact met ons op voor het treffen van een betalingsregeling. (….)

Bureau Krediet Registratie

Wij zijn verplicht bij het Bureau Krediet Registratie (BKR) in Tiel te melden dat u uw hypotheek niet volledig heeft afgelost. Dit kan gevolgen voor u hebben bij alle financiële instellingen. Bijvoorbeeld als u een nieuwe rekening wilt openen of een lening wilt aanvragen.”

3.10

Op 2 december 2015 is bij het BKR ten aanzien van de vordering van de Bank op [appellant] de bijzonderheidscode 2 (de vordering is opeisbaar) gemeld.

3.11

[appellant] heeft in november 2016, nadat hij had ontdekt dat ten aanzien van hem de bijzonderheidscodering 2 bij het BKR was geregistreerd, bezwaar gemaakt tegen zijn registratie bij het BKR.

3.12

Bij brief van 1 december 2016 heeft de Bank aan de gemachtigde van [appellant] meegedeeld dat sprake is van een terechte registratie bij het BKR en dat de registratie niet zal worden verwijderd, omdat daarmee de regels van het BKR overschreden zouden worden..

3.13

[appellant] heeft op 5 januari 2017 een klacht ingediend bij de Bank. De Bank heeft bij brief van 13 januari 2017 gereageerd en het eerder ingenomen standpunt gehandhaafd.

3.14

De restschuld bedroeg per 27 juni 2017 € 28.851,57. Een deel van de aflossingen (in totaal € 22.018,--) is voldaan door [(ex-) echtgenote appellant] , tegen finale kwijting door de Bank. Op 5 februari 2018 bedroeg de restschuld ongeveer € 22.000,--.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd dat de Bank, op straffe van verbeurte van een dwangsom, wordt veroordeeld de A2-codering bij het BKR te (laten) verwijderen. Een en ander met veroordeling van de Bank in de proceskosten.

4.2

De voorzieningenrechter heeft de vordering van [appellant] bij het bestreden vonnis van 26 april 2017 afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Bank.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

[appellant] is met vier grieven in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis en heeft de vernietiging daarvan gevorderd en de toewijzing van zijn in eerste aanleg ingestelde vordering, met veroordeling van de Bank in de kosten van beide instanties.

5.2

Voordat wordt overgegaan tot een beoordeling van de grieven, stelt het hof voorop dat bij beantwoording van de vraag of een in kort geding verlangde voorziening, hetzij na toewijzing, hetzij na weigering daarvan, in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, zo nodig ambtshalve, mede dient te worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft (HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437). De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. Het hof is van oordeel dat het spoedeisend belang van [appellant] bij toewijzing van de door hem gevorderde voorziening in hoger beroep nog steeds aanwezig is, nu [appellant] genoegzaam heeft onderbouwd dat het voor hem wenselijk is om zo snel mogelijk een woning te kunnen kopen in de buurt van het nieuwe adres van zijn ex-echtgenote en zijn kinderen.

5.3

Het gaat in de onderhavige zaak om de vraag of de registratie van de gegevens van [appellant] bij het BKR in stand dient te worden gelaten. Bij de beantwoording van die vraag dienen de, in hoger beroep niet, althans niet gemotiveerd bestreden, door de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis onder 4.3 tot en met 4.5 vermelde uitgangspunten voorop te worden gesteld.

5.4

[appellant] heeft aangevoerd dat de belangenafweging, die moet plaatsvinden aan de hand van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, er toe moet leiden dat zijn A2-codering in het CKI moet worden verwijderd door de Bank. Hij heeft daarbij gesteld dat hij vanwege de registratie van de bijzonderheidscodering A2 bij het BKR geen nieuwe hypothecaire geldlening kan verkrijgen, hetgeen is gebaseerd op zijn eigen ervaringen en gesprekken met een hypotheekadviseur. Daarnaast heeft [appellant] ook diverse afwijzingen van door hem ingediende aanvragen voor een persoonlijk krediet overgelegd. [appellant] heeft verder aangevoerd dat hij graag een nieuwe woning in de nabijheid van het nieuwe woonadres van zijn ex-echtgenote wenst te kopen, om op die manier de omgangsregeling met zijn kinderen te kunnen nakomen. [appellant] heeft er in dit verband op gewezen dat de reisafstand met het openbaar vervoer vanaf zijn huidige woning naar de woning van zijn ex-echtgenote ruim 50 minuten bedraagt, terwijl hij met de fiets ook ruim 45 minuten onderweg is en hij geen auto heeft.

Volgens [appellant] zou het verkrijgen van een financiering voor een nieuw te kopen woning, indien er geen sprake zou zijn van een A2-codering bij het BKR, geen probleem zijn, ook niet indien daarbij de nog openstaande restschuld aan de Bank zou worden meegefinancierd. Hij heeft daarbij gewezen op zijn solide track-record, zijn vaste inkomen en zijn betalingsmoraal. [appellant] heeft in dit kader betoogd dat hij slechts als gevolg van de echtscheidingsprocedure waarin hij terecht was gekomen en het feit dat zijn ex-echtgenote vanaf dat moment niet meebetaalde aan haar deel van de vaste lasten voor de woning, niet meer in staat was om aan de financiële verplichtingen voor de woning te voldoen, terwijl hij juist in het jaar daarvoor – in april 2013 – nog een extra aflossing op de hypothecaire lening had gedaan ten bedrage van € 12.500,--.

[appellant] heeft ook aangegeven bevreesd te zijn voor disciplinaire sancties door zijn werkgever, indien de Bank loonbeslag zou gaan leggen ter zake de restschuld. Hij heeft in dat kader tevens betoogd dat hij zeker wilde meewerken aan een betalingsregeling, maar dat hij destijds het door de Bank voorgestelde maandelijks te betalen bedrag niet kon betalen, in verband met de korting op zijn salaris vanwege opgenomen ouderschapsverlof. Thans is hij echter in staat om aan de voorgestelde betalingsregeling te voldoen, hetgeen volgens [appellant] mede blijkt uit het door hem ter zitting bij het hof overgelegde recente betalingsoverzicht.

5.5

De door [appellant] genoemde omstandigheden kunnen echter noch afzonderlijk, noch in onderlinge samenhang bezien, tot de conclusie leiden dat de belangen van [appellant] zwaarder dienen te wegen dan het belang van de Bank bij handhaving van de bijzonderheidscodering A2 in het CKI. Uitgangspunt is immers, zoals de Bank ook heeft aangevoerd, dat het doel van de verwerking van persoonsgegevens in het CKI is om informatie aan deelnemers te verstrekken die van belang is voor het bevorderen van verantwoorde dienstverlening op financieel gebied, waarbij onder andere beoogd wordt het beperken van krediet- en betalingsrisico’s voor deelnemers en het voorkomen van overkreditering en andere problematische schuldsituaties bij betrokkenen.

5.6

De omstandigheden dat [appellant] tot aan zijn echtscheidingsprocedure getrouw aan zijn financiële verplichtingen jegens de Bank had voldaan, ook nog een extra aflossing had gedaan vlak voordat hij in deze echtscheidingsprocedure verwikkeld raakte, een deel van de restschuld heeft afgelost, nog steeds maandelijks een bedrag ter verdere aflossing betaalt en een vast inkomen heeft, kunnen (alhoewel prijzenswaardig) niet de conclusie rechtvaardigen dat de Bank in redelijkheid niet tot de onderhavige gegevensverwerking heeft mogen overgaan, dan wel dat de inbreuk op de belangen van [appellant] onevenredig zijn in verhouding tot voornoemd met de verwerking te dienen doel. Feit is immers dat de restschuld thans nog steeds een substantieel bedrag vormt, die handhaving van de registratie rechtvaardigt.

5.7

Het feit dat [appellant] als gevolg van deze registratie veel problemen ondervindt bij het verkrijgen van een financiering voor een door hem te kopen woning, maakt – zelfs indien ervan uitgegaan zou worden dat een dergelijke financiering als gevolg van de bijzonderheidscodering A2 in het geheel niet te verkrijgen is, zoals [appellant] stelt maar de Bank betwist – niet dat daarmee deze registratie en het daarmee te dienen doel disproportioneel zijn. Het hof ziet in dat het voor [appellant] en zijn kinderen prettig zou zijn indien [appellant] in de buurt van zijn ex-echtgenote kan gaan wonen, maar aan dit belang kan, tegen de achtergrond van de waarborgen die registratie in het CKI beogen te bieden, onvoldoende gewicht worden toegekend om deze registratie in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit te achten. In dit verband merkt het hof op dat het huren van een woning in de buurt van zijn ex-echtgenote voor [appellant] weliswaar lastig zal zijn en mogelijk duurder dan de aan een hypothecaire lening verbonden maandelijkse lasten, maar niet onmogelijk. Tijdens de comparitie van partijen bij het hof is immers gebleken dat [appellant] inkomsenssituatie aanzienlijk is verbeterd nadat een deel van zijn ouderschapsverlof is beëindigd, zodat hij in staat moet worden geacht om, naast de door hem gedane maandelijkse aflossingen van € 250,--, een hogere huur te betalen dan hij thans doet.

Verder vormt het recht op het kopen van een woning en het daarmee verkrijgen van de mogelijkheid om aan vermogensopbouw te doen, geen rechtens te respecteren belang dat in het kader van de hier voorliggende vraag naar de legitimiteit van de gegevensverwerking een doorslaggevende rol kan spelen.

5.8

[appellant] behoeft evenmin bevreesd te zijn dat ten laste van hem loonbeslag zal worden gelegd, nu de Bank tijdens de comparitie van partijen bij het hof nogmaals heeft toegezegd dat zij niet zal overgaan tot beslaglegging zolang [appellant] minimaal € 250,-- per maand zal blijven aflossen op de restschuld. Uit de hiervoor vermelde inkomstensstijging van [appellant] volgt dat [appellant] daartoe ook in staat geacht moet worden.
Overigens heeft de Bank destijds in redelijkheid mogen overgaan tot het weigeren van de door [appellant] voorgestelde betalingsregeling, nu haar bij het treffen van dergelijke betalingsregelingen een grote mate van vrijheid toekomt, die niet gereguleerd wordt door bepalingen uit de Wft of het Algemeen Reglement CKI.

5.9

Voor zover [appellant] in hoger beroep nog zijn betoog dat hij niet tijdig was geïnformeerd over de registratie van zijn gegevens bij het BKR wenst te handhaven, verwerpt het hof dit betoog. In haar brieven van 28 augustus 2014 en 25 september 2014 heeft de Bank [appellant] immers reeds gewezen op de door haar te verrichten BKR-melding in verband met de toen aanwezige betalingsachterstand, terwijl de Bank [appellant] al op 24 augustus 2015 heeft gewezen op de door haar te verrichten melding van de restschuld, indien [appellant] niet binnen veertien dagen zou overgaan tot voldoening daarvan. De omstandigheid dat [appellant] ten tijde van de door de Bank verrichte registratie van de bijzonderheidscode A2 nog in gesprek was met de Bank over een betalingsregeling, maakt niet dat de registratie zelf niet terecht was, dan wel in strijd kwam met de hierboven genoemde beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

5.10

Het hiervoor overwogene betekent dat de grieven falen. Het door [appellant] gedane bewijsaanbod wordt verworpen, reeds omdat voor bewijslevering in het kader van de onderhavige kort geding procedure geen plaats is, maar ook omdat het te bewijzen aangebodene, indien bewezen, niet tot een andere conclusie kan leiden.

5.11

Ten overvloede wordt opgemerkt dat het hierboven vermelde onverlet laat dat het partijen vrijstaat om thans wel over te gaan tot het treffen van een betalingsregeling. De Bank heeft in dat verband opgemerkt dat de bijzonderheidscodering A2 in dat geval zal worden gewijzigd in een bijzonderheidscodering A3, waardoor het voor [appellant] wellicht eenvoudiger zal worden om een hypothecaire geldlening te verkrijgen, omdat dan voor geldverstrekkers inzichtelijk is wat de status is van [appellant] financiële situatie. Het hof geeft daarbij ook de Bank in overweging om te bezien of wellicht, tegen de achtergrond van de verbeterde inkomenssituatie van [appellant] en de door hem na het bestreden vonnis gedane (extra) aflossingen op de restschuld, een herfinanciering voor beide partijen gunstiger is dan de thans bestaande situatie.

6 De slotsom

6.1

De grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de Bank zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 716,--

- salaris advocaat € 1.788,-- (2 punten x tarief II)

6.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in kort geding in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 26 april 2017;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Bank vastgesteld op € 716,-- voor verschotten en op € 1.788,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 131,-- met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,-- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.B Boorsma, L.J. de Kerpel-van de Poel en C.J.H.G. Bronzwaer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2018.