Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:2094

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-03-2018
Datum publicatie
09-04-2018
Zaaknummer
WAHV 200.189.838
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De gemachtigde heeft het verzuim de gronden van het beroep op te geven niet binnen de gestelde termijn hersteld. De stelling van de gemachtigde dat hij geen verzoek van de rechtbank heeft ontvangen om de gronden in te dienen en uit eigen beweging gronden heeft aangevoerd, is onmiskenbaar niet geloofwaardig. De kantonrechter heeft het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.189.838

5 maart 2018

CJIB 187532719

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel

van 11 maart 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de gemachtigde zijn verzuim om de gronden van het beroep aan te voeren niet tijdig heeft hersteld.

2. De gemachtigde voert aan dat hij geen verzoek van de rechtbank heeft ontvangen om de beroepsgronden aan te voeren. Hij heeft uit eigen beweging op 29 februari 2016 de beroepsgronden aangevoerd. Deze zijn verzonden op 1 maart 2016 en niet zoals de rechtbank stelt op 2 maart 2016. De kantonrechter heeft volgens de gemachtigde het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

3. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het beroepschrift de gronden van het beroep te bevatten. Indien niet is voldaan aan dit vereiste kan het beroep met toepassing van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

4. Het beroepschrift bevat geen gronden. Uit de processtukken blijkt dat de gemachtigde is opgeroepen voor de behandeling van de zaak ter zitting van 21 januari 2016. De kantonrechter heeft ter zitting van 21 januari 2016 de behandeling van de zaak aangehouden teneinde de gemachtigde in de gelegenheid te stellen om binnen vier weken na verzending van het proces-verbaal de gronden van het beroep aan te voeren. Het proces-verbaal is blijkens een daarop geplaatst stempel op 1 februari 2016 verzonden. Op 2 maart 2016 is bij de rechtbank een brief gedateerd 29 februari 2016 ontvangen, waarin de gemachtigde de gronden van het beroep indient. Bij deze brief heeft de gemachtigde een afschrift gevoegd van het proces-verbaal van de zitting van 21 januari 2016 en van de begeleidende brief van de rechtbank van 1 februari 2016.

5. Gelet op dit laatste is de stelling van de gemachtigde, dat hij van de rechtbank geen verzoek heeft ontvangen om de gronden in te dienen en dat hij de gronden uit eigen beweging heeft aangevoerd, onmiskenbaar niet geloofwaardig. Bovendien, indien de gemachtigde niet op de hoogte was van de aanhouding van de zaak, valt niet in te zien waarom hij op 29 februari 2016 uit eigen beweging nog de gronden van het beroep zou indienen, terwijl de zaak al op 21 januari 2016 ter zitting was behandeld, waarvoor aan de gemachtigde een schriftelijke uitnodiging was verzonden.

6. Door de kantonrechter is een termijn van vier weken na verzending van het proces-verbaal gegeven om de gronden van het beroep in te dienen. Het proces-verbaal is op
1 februari 2016 verzonden. De gronden hadden dus uiterlijk op 29 februari 2016 moeten zijn ingediend. Door de gemachtigde zijn de gronden ingediend per brief gedateerd 29 februari 2016 en uit zijn hoger beroepschrift blijkt dat deze gronden op 1 maart 2016 zijn verzonden. Voornoemde brief is op 2 maart 2016 door de rechtbank ontvangen. De gemachtigde heeft de gronden dus te laat ingediend. Nu de gemachtigde het verzuim niet tijdig heeft hersteld, heeft de kantonrechter het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal die beslissing dan ook bevestigen.

7. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek om proceskostenvergoeding afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.