Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:2092

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-03-2018
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
200.231.006
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling. Niet-ontvankelijk. Geen aanbod aan crediteuren in het kader van een buitengerechtelijke schuldenregeling.

Overweging ten overvloede ten aanzien van de goede trouw bij het onbetaald laten van de schulden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.231.006

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 209261)

arrest van 5 maart 2018

inzake

[appellante] ,

wonende te Enschede,

appellante, hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. B.J.P. Toonen.

1 Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 2 januari 2018 is het verzoek van [appellante] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (ter afwending van een door één van haar schuldeisers, [schuldeiser A] , ingediend faillissementsverzoek) afgewezen. Het hof verwijst naar dat vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 9 januari 2018 ingekomen verzoekschrift is [appellante] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft zij het hof verzocht op haar (alsnog) de schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, de brief met bijlagen van 19 februari 2018 van mr. Toonen en de met de op 20 februari 2018 en
21 februari 2018 door mr. Toonen ingediende V6-formulieren meegezonden producties.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 februari 2018, waarbij [appellante] in persoon is verschenen, vergezeld van haar vader, en bijgestaan door mr. Toonen.

2.4

Ter mondelinge behandeling in hoger beroep is namens [appellante] een aantal aanvullende stukken overgelegd.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

[appellante] , geboren op [geboortedag] , woont met haar op [geboortedag] geboren zoon in bij haar zus. Hiervoor betaalt [appellante] een maandelijkse vergoeding van € 250,-.
In het verleden heeft [appellante] - naar eigen zeggen samen met haar broer - in de vorm van een eenmanszaak een (voormalige) onderneming van haar vader geëxploiteerd. Op 7 april 2010 is zij met deze onderneming in staat van faillissement verklaard en op 2 april 2013 is dit faillissement bij gebrek aan baten opgeheven. Sinds het faillissement ontvangt [appellante] een bijstandsuitkering. In 2013 heeft zij, met behoud van uitkering, voor het laatst gedurende twee maanden parttime werkzaamheden verricht in de horeca.

3.2

De schuldenlast van [appellante] bedraagt volgens het door mr. Toonen op 20 februari 2018 bij het hof ingediende schuldenoverzicht in totaal € 294.708,27. Tot deze schuldenlast behoren een schuld aan Hoist/Nederlandse Voorschot Bank van € 124.972,26, een schuld aan ABN AMRO Bank van € 25.038,09, een schuld aan ING Bank van € 64.232,99 en een schuld aan Vesting Finance/ING Bank van € 78.964,93 welke schulden alle verband houden met de in 2010 gefailleerde onderneming. Daarnaast is [appellante] in 2014 in privé een schuld aangegaan bij [schuldeiser A] , die op dit moment nog € 1.500,- bedraagt.

3.3

De rechtbank heeft het verzoek van [appellante] tot toepassing van de wettelijke schuld-saneringsregeling afgewezen op grond van artikel 288 lid 1, aanhef en onder b en c van de Faillissementswet (hierna: Fw). Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.
Omdat er drie schuldenlijsten zijn met daarop verschillende schuldeisers en verschillende schuldenlasten en ter zitting niet duidelijk is geworden welke schuldenlijst de juiste is, is [appellante] er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden te goeder trouw is geweest.
Gelet op haar verklaring dat zij in verband met opvang van haar zoontje thans niet in staat is te solliciteren en te werken, is [appellante] voorts in het geval zij thans zou worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling niet beschikbaar voor de arbeidsmarkt en is niet aannemelijk dat zij, nu dit niet is gesteld of gebleken, in aanmerking komt voor een door de rechter-commissaris te verlenen vrijstelling van de sollicitatieverplichting. Daarom is onvoldoende aannemelijk dat [appellante] zich voldoende zal (kunnen) inspannen om, door fulltime te werken, zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven, aldus de rechtbank.

3.4

Het hof zal eerst de ontvankelijkheid van het verzoek van [appellante] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling bespreken.
Op grond van artikel 285 lid 1, aanhef en onder f Fw moet het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling voorzien zijn van onder meer een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Deze verklaring moet zijn afgegeven door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van de woon- of verblijfplaats van de schuldenaar. Het college kan deze bevoegdheid mandateren aan een gemeentelijke kredietbank als bedoeld in de Wet financiële dienstverlening of aan krachtens artikel 48, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op het consumentenkrediet aangewezen natuurlijke personen of rechtspersonen, dan wel categorieën daarvan.

3.5

De ‘open verklaring’ die de Stadsbank Oost Nederland namens [appellante] op
17 november 2017 heeft opgesteld houdt in: “De schuldbemiddelingsinstantie, te weten Stadsbank Oost Nederland, heeft de crediteuren namens de verzoeker geen aanbod gedaan, omdat … Betreft een ‘open verklaring’.” en verder: “Er is hier geen sprake geweest van een minnelijk traject. Mevrouw is bij ons gekomen om een ‘open verklaring’ te laten opstellen voor de WSNP i.v.m. een aanvraag persoonlijk faillissement.”

Dit kan niet worden aangemerkt als een door de wetgever vereiste met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden voor [appellante] bestonden om tot een buitengerechtelijke schuldenregeling te komen en dat zij geen reëel aanbod behoefde te doen aan haar schuldeisers.

Dat, naar ter zitting in hoger beroep door [appellante] is aangevoerd, ten tijde van de afwikkeling van haar in 2010 uitgesproken faillissement in die richting wel inspanningen zijn verricht door schulden af te betalen en betalingsregelingen te treffen (volgens [appellante] kon op de financiële instellingen na met elke schuldeiser een oplossing worden bereikt en is in totaal meer dan € 200.000,- door familieleden betaald), maakt dit niet anders. Nog daargelaten dat [appellante] geen door documentatie ondersteund inzicht heeft gegeven in de in het verleden gestelde inspanningen, lag het immers alleen al gelet op het aanzienlijke tijdsverloop tussen die inspanningen en haar huidige situatie op haar weg om voorafgaand aan de indiening van het onderhavige verzoekschrift een nieuw/aangepast voorstel tot een buitengerechtelijke schuldregeling aan haar (huidige) crediteuren te doen.
Nu hiervan geen sprake is geweest en [appellante] daartoe volgens de wet wel gehouden was, moet zij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

3.6

Het hof overweegt ten overvloede dat, indien [appellante] had kunnen worden ontvangen in haar verzoek, haar verzoek op basis van de gedingstukken in hoger beroep en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen zou zijn afgewezen. Daartoe geldt het volgende.

Op grond van het bepaalde in artikel 288 lid 1, aanhef en onder b Fw is het aan [appellante] om aannemelijk te maken dat zij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

3.7

Bij de beoordeling van de goede trouw ter zake het onbetaald laten van haar schulden staat voorop dat op [appellante] de verplichting rustte om haar schuldenlast zoveel mogelijk te beperken en waar mogelijk af te lossen op bestaande schulden.
heeft hiertoe verklaard dat zij voor het laatst gedurende twee maanden in 2013 parttime in de horeca heeft gewerkt. Na die tijd heeft zij volgens eigen zeggen ongeveer twee jaar niet (goed) kunnen functioneren wegens ernstige rugklachten. In het kader van haar inspanningsverplichting als uitkeringsgerechtigde is er volgens [appellante] tot haar zwangerschap, die haar ook nog eens bekkenklachten bezorgde, feitelijk geen contact geweest tussen haar en de gemeente. Ook na de geboorte van haar zoon in juli 2015 werd door de gemeente geen druk op haar uitgeoefend. Sinds kort solliciteert zij echter actief naar betaalde banen en op
27 februari 2018 heeft zij een afspraak met Timing Uitzendbureau Enschede.
Het hof acht hiermee onvoldoende aannemelijk geworden dat [appellante] de afgelopen vijf jaar haar verplichting jegens haar schuldeisers om zich in te spannen naar vermogen haar verdiencapaciteit te gelde te maken op de arbeidsmarkt is nagekomen. Aan dat oordeel draagt bij dat [appellante] heeft nagelaten, bijvoorbeeld door het overleggen van verklaringen van (een) behandelend(e) arts(en), inzicht te geven in haar gezondheidssituatie in de door haar genoemde periode. Dat [appellante] zich toentertijd op medische gronden niet, dan wel niet geheel, heeft kunnen inspannen om betaald werk te verkrijgen, kan gelet hierop niet worden aangenomen.
Aan de enkele omstandigheid dat de gemeente kennelijk lange tijd niet of nauwelijks invulling zou hebben gegeven aan haar toezichthoudende taak op de naleving van de inspanningsplicht door [appellante] , kan evenmin de conclusie worden ontleend dat [appellante] al die tijd om redenen van medische aard niet inzetbaar moet zijn geweest op de arbeidsmarkt.

Dat [appellante] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het onbetaald laten van haar schuldenlast is derhalve niet aannemelijk geworden.
Op grond hiervan zou bij een inhoudelijke beoordeling van het verzoek in hoger beroep [appellante] niet zijn toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

3.8

Het hoger beroep faalt. Het vonnis waarvan beroep zal gelet op het bepaalde in rov. 3.5 worden vernietigd en [appellante] zal alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek.
4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:


vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 2 januari 2018 en, opnieuw recht doende:


verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar verzoek.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.S. Gratama, A.W. Steeg en F.J.P. Lock, en is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer, en op 5 maart 2018 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.