Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:2087

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-02-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
200.227.582/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling. Uitleg aan de minderjarige waarom hof een ondertoezichtstelling nodig acht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.227.582/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/153366 / FJ RK 17-132)

beschikking van 27 februari 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.D. Nijenhuis te Leeuwarden,

en

de raad voor de kinderbescherming
regio Noord-Nederland, locatie Leeuwarden,
verder te noemen: de raad,

alsmede

de gecertificeerde instelling
Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,
kantoorhoudend te Leeuwarden,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende] ,
wonende te [B] ,

verder te noemen: [belanghebbende] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 9 augustus 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 9 november 2017;
- het verweerschrift van de GI met productie(s);
- een brief van de raad van 7 december 2017, waarin is aangegeven dat er ter zitting verweer
zal worden gevoerd;

- een brief van de GI van 15 januari 2018 met productie;
- een journaalbericht van mr. Nijenhuis van 30 januari 2018 met productie(s).

2.2

De minderjarige [de minderjarige1] heeft bij schrijven, ingekomen op 29 december 2017, haar mening kenbaar gemaakt en is tevens gehoord door een raadsheer-commissaris.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 31 januari 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn de moeder en haar advocaat, namens de raad de heer [C] en verder zijn namens de GI verschenen mr. [D] (juriste) en mw. [E] (gezinsvoogdijwerkster).

3 Feiten

3.1

Uit de moeder is [in] 2001 geboren de nu zestienjarige [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ).

3.2

[belanghebbende] heeft [de minderjarige1] op 10 februari 2006 erkend maar is niet de biologische vader van [de minderjarige1] . De biologische vader van [de minderjarige1] is volgens de betrokkenen [F] .

3.3

De moeder en [belanghebbende] zijn [in] 2006 met elkaar gehuwd. Als gevolg daarvan is [belanghebbende] van rechtswege gezamenlijk met de moeder belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige1] . Uit de voorhuwelijkse relatie en het daarop volgende huwelijk van de moeder en [belanghebbende] zijn voorts geboren:
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2004 (hierna: [de minderjarige2] );
- [de minderjarige3] , geboren [in] 2007 (hierna: [de minderjarige3] );
- [de minderjarige4] , geboren [in] 2008 (hierna: [de minderjarige4] ).

3.4

De moeder en [belanghebbende] zijn [in] 2011 gescheiden.

3.5

Bij beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van
6 december 2017 is de erkenning op 10 februari 2016 door [belanghebbende] van [de minderjarige1] vernietigd en is hem de omgang met [de minderjarige1] ontzegd. Deze beschikking is nog niet onherroepelijk.

3.6

Uit een andere relatie van de moeder is [in] 2012 geboren [de minderjarige5] (hierna: [de minderjarige5] ).

3.7

De moeder is [in] 2016 gehuwd met [G] . [de minderjarige1] woont samen met [de minderjarige2] , [de minderjarige3] , [de minderjarige4] en [de minderjarige5] in het gezin van de moeder en [G] . Na een zorgmelding van Regiecentrum Bescherming en Veiligheid - Veilig Thuis op 24 november 2016 betreffende onder meer het schoolverzuim van [de minderjarige1] en de stagnerende hulpverlening, is de raad een onderzoek gestart naar de opvoedingssituatie van [de minderjarige1] .

3.8

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 10 februari 2017, heeft de raad verzocht de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] voor de duur van een jaar uit te spreken. Ter onderbouwing is verwezen naar het daarbij gevoegd raadsrapport van 8 februari 2017.

3.9

Bij beschikking van 8 maart 2017 heeft de kinderrechter [de minderjarige1] voor de duur van zes maanden, tot 8 september 2017, onder toezicht gesteld van de GI en het verzoek voor het overige aangehouden.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de hier bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] verlengd tot 8 maart 2018.

4.2

De moeder is met één grief in beroep gekomen van de beschikking van 9 augustus 2017 en verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de
GI betreffende de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] alsnog af te wijzen voor de periode vanaf 8 september 2017.

4.3

De GI verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen met niet-ontvankelijk verklaring van de moeder in haar beroep dan wel afwijzing ervan. De raad heeft het hof eveneens verzocht om de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.2

De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat in het geval van [de minderjarige1] aan voormelde criteria voor ondertoezichtstelling is voldaan. De ontwikkelingsbedreigingen waaraan verder moet worden gewerkt zijn volgens de kinderrechter:

- de schoolgang van [de minderjarige1] ;

- de sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling van [de minderjarige1] , als gevolg van hetgeen zij

heeft meegemaakt;

- de spanningen tussen de ouders waar [de minderjarige1] last van heeft;

- de procedure rondom de vernietiging van de erkenning door de vader, waarmee [de minderjarige1]

wordt belast;

- de contacten tussen de biologische vader en [de minderjarige1] .

5.3

Het hof is van oordeel dat de ondertoezichtstelling terecht is verlengd. Er zijn kleine stapje voorwaarts gemaakt, zoals het feit dat [de minderjarige1] nu praktijkonderwijs volgt, maar dat is met name te danken aan de GI, die naar eigen zeggen alle zeilen heeft moeten bijzetten. Met de rechtbank acht het hof het van belang dat er nader onderzoek plaatsvindt naar de sociaal-emotionele ontwikkeling van [de minderjarige1] . [de minderjarige1] heeft in het verleden veel meegemaakt, waaronder huiselijk geweld, perikelen met haar juridische vader en verschillende partners van de moeder. Er zijn zorgwekkende signalen naar voren gekomen, zoals neerslachtigheid en schoolverzuim. Na diagnostiek door [H] kan in kaart worden gebracht of er verdere hulp nodig is voor [de minderjarige1] en zo ja, welke. Tot nu toe is dit diagnostisch onderzoek, waar al afspraken voor waren gepland, niet van de grond gekomen, omdat de moeder deze afspraken heeft afgezegd. De GI en de raad hebben verklaard er van overtuigd te zijn dat zonder ondertoezichtstelling alle hulp zal worden stopgezet. Omdat zowel de moeder alsook [de minderjarige1] hebben verklaard dat het nu goed gaat, en zij het nut van verder onderzoek -hoewel zij daaraan mee zullen werken- niet inzien, lijkt die vrees terecht. Dat [de minderjarige1] nu al passende hulp zou hebben omdat zij gesprekken heeft met een kindercoach, zoals de moeder stelt, kan het hof niet beoordelen. Een kindercoach verricht immers geen diagnostiek.

Mening [de minderjarige1] en uitleg voor [de minderjarige1]

5.4

[de minderjarige1] heeft in haar brief en tijdens het gesprek met de raadsheer-commissaris aangegeven dat zij liever geen ondertoezichtstelling meer wil. Er zijn volgens [de minderjarige1] wel problemen geweest vroeger maar dat ligt allemaal in het verleden. Inmiddels vindt zij de situatie thuis veel rustiger en beter. Het gedoe met [belanghebbende] is nu voorbij en op de nieuwe school heeft [de minderjarige1] het ook naar de zin.

Voor het hof is de mening van [de minderjarige1] belangrijk gelet op haar leeftijd maar het hof moet ook rekening houden met de standpunten en informatie van anderen en zelf bezien welke beslissing het meest in het belang van [de minderjarige1] is. [de minderjarige1] volgt haar moeder in haar houding om het niet over het verleden te willen hebben. Op zich is het positief om te kijken naar de toekomst. Maar het is ook algemeen vanuit de wetenschap bekend dat de ingrijpende jeugdervaringen zoals door [de minderjarige1] meegemaakt een hoog risico vormen voor haar (ontwikkeling in de) toekomst. Met die ingrijpende jeugdervaringen bedoelt het hof vooral het huiselijk geweld in het gezin van [de minderjarige1] maar ook de vele wisselende gezinssituaties (verschillende partners van moeder) en de situatie rond vader [belanghebbende] . Daarom is het noodzakelijk dat goed wordt onderzocht of en hoe dit alles van invloed is geweest op de ontwikkeling van [de minderjarige1] . En of en welke hulp voor [de minderjarige1] nodig is. Het hof vindt dus dat er gevaar is voor de ontwikkeling van [de minderjarige1] en dat er onderzoek en zo nodig hulp moet komen. Die hulp moet binnen een ondertoezichtstelling gebeuren en niet vrijwillig omdat het hof denkt dat [de minderjarige1] en haar moeder het dan niet zullen oppakken of zullen afhaken.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het de bestreden beschikking bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:


bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 9 augustus 2017 waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, I.M. Dölle en C. Koopman, bijgestaan door mr. A.T. Harkema als griffier en is op 27 februari 2018 in het openbaar uitgesproken.