Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:201

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-01-2018
Datum publicatie
19-01-2018
Zaaknummer
17/00518
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:1794, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Faillissement. Ontvankelijkheid bezwaar. Bekendmaking aanslag aan curator. Verschoonbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/395
V-N Vandaag 2018/137
V-N 2018/16.18.4
Viditax (FutD), 19-01-2018
FutD 2018-0226
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Locatie Arnhem

nummer 17/00518

uitspraakdatum: 9 januari 2018

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 31 maart 2017, nummer AWB 16/4762, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Venlo (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 510.654 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 399.298 (hierna: de aanslag). Aan heffingsrente is daarbij bij beschikking een bedrag berekend van € 58.199.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar van 28 juni 2016 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraken op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2017 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord: belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, mr. [A] en mr. [B] .

1.7

Beide partijen hebben een pleitnota overgelegd.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is begin april 2006 in privé failliet verklaard. De curator was mr.drs. [C] , verbonden aan [D] , Postbus [000] , [E] .

2.2

Belanghebbende heeft op 16 juli 2007 aangifte IB/PVV 2006 gedaan. In de aangifte is het belastbare inkomen uit werk en woning berekend op € 9.815 en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen op nihil.

2.3

De Inspecteur heeft met dagtekening 11 december 2009 de aanslag opgelegd, geadresseerd aan:

“ [X]

CUR. MR [C]

POSTBUS [000]

[E] ”

2.4

Het faillissement is op 17 september 2010 geëindigd door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst.

2.5

Belanghebbende heeft op 4 oktober 2010 zijn privé-administratie bij de curator opgehaald, bestaande uit drie en een half verhuisdozen met daarin ongeveer veertig ordners. De aanslag maakte deel uit van deze privé-administratie.

2.6

In een strafzaak tegen belanghebbende is op 22 november 2010 door de rechtbank ’s‑Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) vonnis gewezen in een strafrechtelijk onderzoek naar oplichting, valsheid in geschrifte en gewoontewitwassen. De inkomsten van belanghebbende in het jaar 2006 waren onderdeel van dit onderzoek.

2.7

Belanghebbende is begin februari 2011 met de aanslag bekend geworden. Vervolgens heeft hij hierover met de Belastingtelefoon gebeld en heeft hij in maart 2011 de aanslag met zijn advocaat, mr. [F] (hierna: [F] ), besproken.

2.8

[F] heeft bij brief van 10 mei 2011, door de Inspecteur op 11 mei 2011 ontvangen, bezwaar gemaakt tegen de aanslag.

2.9

Op 7 augustus 2012 heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het gerechtshof) uitspraak gedaan in het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Hiertegen is door het Openbaar Ministerie beroep in cassatie ingesteld.

2.10

Op 15 januari 2013 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen belanghebbende, zijn boekhouder ( [G] ; hierna [G] ), [F] en de Inspecteur. Afgesproken is dat de Inspecteur contact zou opnemen met [G] , waarna een standpunt zou worden ingenomen.

2.11

In april 2013 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen belanghebbende, [G] en de Inspecteur.

2.12

Het Openbaar Ministerie heeft in november 2013 het cassatieberoep ingetrokken.

2.13

De Inspecteur heeft op 28 juni 2016 het bezwaar tegen de aanslag wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De Inspecteur is op grond van de uitspraak van het gerechtshof ambtshalve deels aan het bezwaar tegemoetgekomen door rekening te houden met hetgeen bewezen is verklaard.

2.14

[F] heeft op 22 december 2016 verklaard:

“De relatie tussen [X] en de curator verliep moeizaam. (…). Er is sprake geweest van een strikte postblokkade, als gevolg waarvan [X] alleen persoonlijke post zeer onregelmatig en met grote vertraging kreeg. (…). Voor wat betreft de door de curator in beslag genomen administratie kan ik zeggen dat deze aanzienlijk van omvang was. Ik weet dit, aangezien ik bij de overdracht van een deel van de administratie zelf aanwezig was. Deze overdracht vond namelijk bij mij op kantoor plaats. Alleen al hier ging het om drie verhuisdozen met ordners die op eerste aanvraag aan de curator zijn gegeven. Nadat [X] op 4 oktober 2010 zijn post bij de curator had opgehaald, kwam hij er pas achter dat er voor wat betreft belastingaangiftes over een aantal jaren nog heel wat speelde. Hij heeft toen contact met mij opgenomen en heeft getracht uit de, volgens hem zijn zeggen, wanordelijke hoop papier, enige structuur te scheppen. Dit heeft uiteindelijk geleid tot het bezwaarschrift van 10 mei 2011.”

2.15

Belanghebbende heeft vergeefs beroep ingesteld.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

3.2

Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof te kennen gegeven af te zien van een immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

3.3

Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.4

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken op bezwaar, en tot terugwijzing naar de Inspecteur voor een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar.

3.5

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

De bezwaartermijn bedraagt ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zes weken. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen (artikel 6:9, lid 1, van de Awb). Bij verzending per post is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen (artikel 6:9, lid 2, van de Awb).

4.2

Ingevolge artikel 22j, aanhef en letter a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, geldt dat de termijn voor het instellen van bezwaar aanvangt met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking.

4.3

De bekendmaking van een aanslag geschiedt ingevolge artikel 8, lid 1, van de Invorderingswet 1990, door de ontvanger, en wel, zulks in overeenstemming met artikel 3:41, lid 1, van de Awb, door toezending of uitreiking van het door de inspecteur voor de belastingschuldige opgemaakte aanslagbiljet. Indien de bekendmaking van het aanslagbiljet geschiedt door toezending, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van het aanslagbiljet de bekendmaking heeft plaatsgevonden.

4.4

Bekendmaking van een aanslag die is gesteld ten name van een persoon die failliet is verklaard, kan ook rechtsgeldig plaatsvinden doordat de ontvanger het tot deze belastingschuldige gerichte aanslagbiljet, zoals in het onderhavige geval ook is geschied, rechtstreeks zendt naar het adres van de curator (vgl. HR 26 februari 2010, nr. 08/01917, ECLI:NL:HR:2010:BL5555).

4.5

Tussen partijen is niet in geschil dat de aanslag naar de curator is verzonden en dat de dag van dagtekening van de aanslag niet is gelegen vóór de dag van de bekendmaking.

4.6

De dagtekening van de aanslag is 11 december 2009. De bezwaartermijn eindigde derhalve op 22 januari 2010. Het bezwaarschrift tegen de aanslag is door de Inspecteur op 11 mei 2011 ontvangen. Het bezwaar is derhalve niet binnen de wettelijke bezwaartermijn ingediend.

4.7

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift een niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Van een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 van de Awb is bij de indiening van een bezwaarschrift (onder meer) sprake indien: (i) de belanghebbende als gevolg van een hem niet toe te rekenen omstandigheid met vertraging kennis heeft genomen van de belastingaanslag, en daardoor pas na het verstrijken van de termijn een bezwaarschrift heeft ingediend, en tevens (ii) de belanghebbende na kennis te hebben genomen van de belastingaanslag het bezwaarschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd (vgl. HR 22 januari 2010, nr. 09/00526, ECLI:NL:HR:2010:BL0078). Wat bij overschrijding van de bezwaartermijn kan gelden als alsnog zo spoedig mogelijk indienen van het bezwaarschrift, hangt af van de omstandigheden van het geval, maar aan de betrokken belastingplichtige dient in ieder geval een termijn van ten minste veertien dagen te worden gegund (vgl. HR 22 maart 2002, nr. 36933, ECLI:NL:HR:2002:AE0462).

4.8

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat een postblokkade was ingesteld die heeft geduurd tot het einde van het faillissement op 17 september 2010. Volgens belanghebbende is hij tot die datum niet of nauwelijks door de curator geïnformeerd. Alhoewel hij sinds 4 oktober 2010 weer over zijn privé-administratie beschikte, had hij eerst tijd nodig om deze weer op orde te brengen, aldus belanghebbende. Kort nadat hem de aanslag alsnog bekend was geworden, heeft [F] het bezwaarschrift ingediend. Belanghebbende heeft verder betoogd dat de aanslagen IB/PVV 2007 en 2008 inmiddels zeer substantieel zijn verminderd, dat de Inspecteur de in 2.9 vermelde uitspraak van het gerechtshof onjuist heeft geïnterpreteerd en dat in 2006 geen andere inkomsten zijn genoten dan die in de aangifte IB/PVV 2006 zijn vermeld.

4.9

De Inspecteur brengt hiertegen in dat er geen sprake was van een postblokkade, dat mocht het zo zijn dat belanghebbende niet of nauwelijks door de curator werd geïnformeerd dit niet aan de Inspecteur kan worden verweten, dat de aanslag de curator heeft bereikt en deze tegelijkertijd met de rest van de administratie op 4 oktober 2010 aan belanghebbende is overhandigd en dat het bezwaarschrift niet zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd, is ingediend.

4.10

In het onderhavige geval heeft belanghebbende ongeveer drie maanden nadat hij kennis heeft genomen van de aanslag bezwaar gemaakt. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende aldus handelend niet zo spoedig als redelijkerwijs van hem kon worden verlangd bezwaar gemaakt tegen de aanslag, aangezien niet valt in te zien waarom een (pro forma) bezwaarschrift niet binnen twee of drie weken na begin februari 2011 kon worden ingediend dan wel binnen twee of drie weken na het gesprek in maart 2011 met [F] .

4.11

Dit betekent dat de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.12

Ten overvloede zij nog opgemerkt dat het oordeel van de Rechtbank dat, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 14 mei 2004, nr. 39246, ECLI:NL:HR:2004:AO9503, gebreken in de communicatie tussen de curator en belanghebbende geen excuus opleveren voor de overschrijding van de bezwaartermijn, geldt in de situatie waarin de belastingplichtige lopende de bezwaartermijn op de hoogte is van het bestaan van de opgelegde aanslag, maar niet in de gevallen, zoals het onderhavige, waarin belanghebbende daarvan niet op de hoogte was. De Rechtbank is derhalve uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.

De beslissing is op 9 januari 2018 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.W.J. de Kort) (B.F.A. van Huijgevoort)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 9 januari 2018

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij:

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.