Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1971

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
01-03-2018
Zaaknummer
21-005466-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:6045, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor inzetten kinderen voor het plegen van winkeldiefstallen

Het hof spreekt verdachte vrij van mensenhandel. Het hof acht, alles afwegend, op de hierna volgende gronden echter niet bewezen dat verdachte en haar medeverdachte de kinderen hebben uitgebuit dan wel ten opzichte van hen hebben gehandeld met het oogmerk van uitbuiting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005466-15

Uitspraak d.d.: 28 februari 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 28 september 2015 met parketnummer 05-780002-14 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1]

wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 januari 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door haar raadsman, mr. C.J.J. Visser, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw recht doen.

Niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep

Door verdachte is onbeperkt hoger beroep ingesteld tegen het bovenvermelde vonnis van de rechtbank Gelderland. Verdachte is bij dat vonnis vrijgesproken van de haar ten laste gelegde feiten bij The Phone House. Tegen de deelvrijspraak van feit 2 staat geen hoger beroep open voor de verdachte, zodat zij in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar hoger beroep.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat:

1:
zij op één of meerdere tijdstippen op of omstreeks 30 oktober 2013 te Arnhem en/of te Apeldoorn, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

A) een ander of anderen, te weten [minderjarige 1] (geboren [geboortedatum 2]) en/of [minderjarige 2] (geboren [geboortedatum 3]) en/of [minderjarige 3] (geboren [geboortedatum 4]) (telkens) heeft vervoerd en/of overgebracht, met het oogmerk van uitbuiting van die [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] en/of [minderjarige 3] (sub 2°),

terwijl die [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] en/of [minderjarige 3], de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt

en/of

B) een ander of anderen, te weten die [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] en/of [minderjarige 3], (telkens) door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie, heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten

dan wel onder die omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] en/of [minderjarige 3] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (sub 4°) (lid 3 sub 2) terwijl die [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] en/of [minderjarige 3], de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt,

en/of

C) (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die ander of anderen, te weten [minderjarige 1] (geboren [geboortedatum 2]) en/of [minderjarige 2] (geboren [geboortedatum 3]) en/of [minderjarige 3] (geboren op [geboortedatum 4]), (sub 6°), terwijl die [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] en/of [minderjarige 3], de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt,

immers heeft/hebben verdachte en/of diens mededader

-die [minderjarige 1] naar the Phone House, althans het winkelgebied, te Apeldoorn vervoerd en/of overgebracht en/of

-die [minderjarige 1] bij the Phone House een mobiele telefoon laten stelen en/of

-die [minderjarige 1] en/of [minderjarige 3] en/of die [minderjarige 2] naar de Albert Heijn gelegen aan de Marasingel te Arnhem vervoerd en/of overgebracht en/of

-die [minderjarige 2] met een boodschappenkar door die winkel heeft laten rijden en/of deze boodschappenkar met levensmiddelen gevuld en/of door die [minderjarige 2] laten vullen en/of

-voor die [minderjarige 2] het beveiligingspoortje geopend en/of die [minderjarige 2] met die boodschappenkar met levensmiddelen door het beveiligingspoortje laten rijden en/of zodat die [minderjarige 2] de winkel kon verlaten zonder voor die boodschappenkar met levensmiddelen te betalen en/of

-die [minderjarige 1] of [minderjarige 3] en/of die [minderjarige 2] (nogmaals) voornoemde Albert Heijn in laten gaan en/of een flatscreen-televisie (merk Philips) mee laten nemen en/of die [minderjarige 1] of [minderjarige 3] en/of [minderjarige 2] opdracht gegeven de winkel (nogmaals) bij het beveiligingspoortje te verlaten zonder voor die flatscreen-televisie te betalen,

-terwijl verdachte en/of diens medeverdachte de ouders en/of verzorgers en/of begeleiders zijn van die [minderjarige 1] en/of [minderjarige 3] en/of [minderjarige 2];

2:
primair:

zij op één of meerdere tijdstippen op of omstreeks 30 oktober 2013 te Arnhem en/of te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, in elk geval eenmaal, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen de hierna te noemen goederen en/of geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de hierna te noemen rechthebbende(n), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s), en wel:

- in/uit de Albert Heijn, gelegen aan de Marasingel te Arnhem, een onbekend gebleven hoeveelheid levensmiddelen en/of een flatscreen-televisie (merk Philips), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn;

subsidiair:

zij op één of meerdere tijdstippen op of omstreeks 30 oktober 2013 te Arnhem meermalen, in elk geval eenmaal, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening de hierna te noemen goederen en/of geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de hierna te noemen rechthebbende(n), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s), heeft doen wegnemen door [minderjarige 1] (geboren op [geboortedatum 2]) en/of [minderjarige 2] (geboren op [geboortedatum 3]) de opdracht te geven die goederen weg te nemen en wel:

- in/uit de Albert Heijn, gelegen aan de Marasingel te Arnhem, een onbekend gebleven hoeveelheid levensmiddelen en/of een flatscreen-televisie (merk Philips), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

1. De feiten1

Op 30 oktober 2013 heeft [getuige 1], teamleider van de Albert Heijn aan de

Marasingel in Arnhem, aangifte gedaan van winkeldiefstal.2 Op 30 oktober 2013 rond 18.20 uur werd hij gebeld door [getuige 2]. [getuige 2] vertelde hem dat hij een jonge jongen met een televisie van de Albert Heijn naar buiten had zien lopen via de ingang, zonder te betalen. Hij vertelde [getuige 1] dat hij achter een auto reed met kenteken [kenteken]. [getuige 2] herkende deze auto als de auto waar de jongen met de tv was ingestapt. [getuige 1] heeft vervolgens de camerabeelden bekeken. Daarop is volgens hem te zien dat een jong meisje een winkelkarretje met boodschappen, zonder af te rekenen, via de ingang mee naar buiten neemt. Ook is op de beelden de jongen te zien die de televisie op dezelfde wijze mee neemt zonder af te rekenen. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit. De weggenomen televisie betreft een flatscreen van het merk Philips.

In een telefonisch contact met de politie heeft de bedrijfsleider van die Albert Heijn, [getuige 3], verklaard dat er, afgaande op de camerabeelden, 10 tot 12 euro aan boodschappen in het winkelwagentje zal hebben gelegen.3

De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij op 30 oktober 2013 omstreeks 17.45 uur bij

de kassa stond van de Albert Heijn aan de Marasingel in Arnhem.4 Er stond ook een Engels

sprekende vrouw bij de kassa. Het was een slanke vrouw met rood geverfd haar en een flinke boezem. Ze was ongeveer 1.65 meter lang en haar huid was zonnebankbruin. Bij haar stond ook een ongeveer 40-jarige man met zwart haar. Wat later stond [getuige 2] buiten om de boodschappen in zijn auto te doen. Hij zag toen een ongeveer vijfjarig jongetje samen met een iets groter meisje van ongeveer zes jaar de Albert Heijn uitrennen. Het jongetje droeg een flatscreen televisie bij zich. Deze flatscreen zat in een doos van Philips. [getuige 2] zag dat beiden in een groot model BMW stapten, die op de parkeerplaats van de Albert Heijn stond. De kleur van de BMW was grijs of goudkleurig. Het stuur zat aan de rechterkant. Achter het stuur zat een man met zwart haar. [getuige 2] herkende de man als dezelfde man die hij kort daarvoor bij de kassa had zien staan met de genoemde vrouw.

Hij zag dat deze vrouw links voorin de BMW zat. Er zaten nog meer kinderen in de auto. Diezelfde dag omstreeks 19.00 uur zag hij dezelfde BMW weer rijden. Hij heeft toen het kenteken genoteerd, [kenteken]. Hij weet 100% zeker dat het om dezelfde BMW gaat.

Ter terechtzitting zijn de veiliggestelde camerabeelden van de bewakingscamera’s van de Albert Heijn aan de Marasingel in Arnhem van 30 oktober 2013 bekeken. Door de rechtbank wordt het volgende waargenomen:5

Camera 1 op de parkeerplaats

- Om 17:52:33 uur rijdt er een auto de parkeerplaats op. Deze auto rijdt steeds langzamer, verdwijnt uit beeld en lijkt net buiten het beeld te parkeren.

- Om 17:53:07 uur rent er een meisje over de parkeerplaats richting de winkel en lijkt de winkel in te gaan.

- Om 17:56:11 uur loopt een vrouw dezelfde kant uit als het meisje enkele minuten eerder. Het uiterlijk van deze vrouw past bij het uiterlijk van verdachte aanwezig ter terechtzitting.

Camera 3 in de winkel met zicht op de kassa’s

- Om 17:57:33 uur loopt het meisje door de winkel met een klein winkelwagentje. Ze pakt iets uit een schap en loopt weer terug en vervolgens weer verder met het wagentje door de winkel.

Camera 1 op de parkeerplaats

- Om 17:58:22 uur is op ongeveer dezelfde plek als waar eerder het meisje en de vrouw vandaan kwamen lopen een man te zien. Deze man loopt richting de winkel en lijkt de winkel in te gaan.

Camera 3 in de winkel met zicht op de kassa’s

- Om 17:58:44 uur lopen de vrouw en het meisje in de winkel voor de kassa vlak langs elkaar heen. Er is geen enkele blijk van herkenning. Ze begroeten elkaar niet en er is ook geen onderling oogcontact te zien.

Camera 5 in de winkel met zicht op toegangspoortje

- Om 17:58:58 uur is buiten het poortje van de ingang een man te zien. Hij loopt rustig heen en weer. Onderin beeld is een vlaggetje van een winkelwagentje te zien dat van links naar rechts beweegt. Vervolgens loopt de man richting het toegangspoortje. Op datzelfde moment verandert ook het vlaggetje onderin beeld van richting. Het poortje gaat open, de man loopt de winkel in en het meisje verlaat de winkel met het winkelwagentje door het geopende toegangspoortje. De man en het meisje hebben hierbij geen zichtbaar oogcontact en tonen geen blijk van herkenning. Aan de kleren van het meisje en het winkelwagentje is te zien dat het hier om hetzelfde meisje gaat als dat eerder op de camerabeelden te zien was.

Camera 1 op de parkeerplaats

- Om 17:59:28 uur loopt het meisje van links naar rechts door het beeld over de

parkeerplaats in de richting van de plek waar de auto uit beeld verdween.

Camera 3 in de winkel met zicht op de kassa’s

- Om 18:00:00 uur lopen de man en de vrouw in de winkel naar elkaar toe en lijken

contact te hebben. De vrouw, die op dat moment in de rij staat voor de kassa, verlaat hiervoor de rij om vervolgens weer in de rij te gaan staan.

Camera 1 op de parkeerplaats

- Om 18:01:51 uur loopt de man van links naar rechts door het beeld over de

parkeerplaats in de richting van de plek waar de auto uit beeld verdween.

Camera 3 in de winkel met zicht op de kassa’s

- Om 18:02:22 uur heeft de vrouw haar boodschappen afgerekend, stopt deze in een

boodschappentas en loopt weg uit beeld.

Camera 1 op de parkeerplaats

- Om 18:02:36 uur rent de vrouw van Links naar rechts door het beeld over de

parkeerplaats in de richting van de plek waar de auto uit beeld verdween.

- Om 18:03:53 uur rennen een meisje en een jongetje van rechts naar links door het beeld over de parkeerplaats uit de richting van de plek waar de auto uit beeld verdween richting de winkel.

Camera 3 in de winkel met zicht op de kassa’s

- Om 18:04:16 uur rennen en huppelen dezelfde jongen en hetzelfde meisje door de

winkel. Het meisje voorop en de jongen er achteraan.

Camera 8 in de winkel met zicht op de groente en fruitafdeling 1

- Om 18:04:27 uur rennen de jongen en het meisje nog steeds door de winkel.

Camera 6 in de winkel met zicht op de groente en fruitafdeling 2

- Om 18:04:35 uur stoppen de jongen en het meisje bij een stapel dozen. Het meisje pakt iets, waarna de jongen iets tilt dat hij zwaar lijkt te vinden. Dit lijkt een grote doos te zijn in de vorm van verpakking van een flatscreen televisie. De jongen loopt met deze doos door de winkel.

Camera 5 in de winkel met zicht op toegangspoortje

- Om 18:05:16 uur verlaat de jongen de winkel via het toegangspoortje, Op het beeld is te zien dat het inderdaad gaat om een doos van een flatscreen televisie.

Camera 1 op de parkeerplaats

- Om 18:05:24 uur loopt de jongen van links naar rechts door het beeld over de

parkeerplaats in de richting van de plek waar de auto uit beeld verdween, kort daarna gevolgd door het meisje. Het meisje stopt nog even bij een speelautomaat die naast de winkel staat en gaat daarna ook door het beeld over de parkeerplaats in de richting van de plek waar de auto uit beeld verdween.

- Om 18:06:10 uur verlaat een auto de parkeerplaats. Dit lijkt dezelfde auto te zijn die om 17:52:33 uur de parkeerplaats opreed.

Op 1 november 2013 vond er in Arnhem een politiecontrole plaats op een Britse personenauto, merk BMW, met kenteken [kenteken], alsmede de inzittenden.6

De inzittenden van de auto identificeerden zich als:

- [verdachte], geboren op [geboortedatum 1]

- [medeverdachte], geboren op [geboortedatum 5]

- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 4]

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 3]

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 2]

- een 8 weken oude baby waarvan de personalia niet zijn genoteerd.

Tijdens deze controle werden van het voertuig en van de inzittenden foto’s gemaakt.7 Deze foto’s zijn gevoegd in het dossier en op 14 september 2014 ter terechtzitting bij de rechtbank aan verdachte getoond. Verdachte heeft verklaard op de foto’s haarzelf, haar zoontjes [minderjarige 3] en [minderjarige 1] en haar toenmalige echtgenoot [medeverdachte] te herkennen.8

Verdachte heeft op 11 maart 2015 bij de politie verklaard getrouwd te zijn met [medeverdachte]

en vier kinderen te hebben: [minderjarige 2] Delaney, geboren op [geboortedatum 3], [minderjarige 1]

Delaney, geboren op [geboortedatum 2], [minderjarige 3] Delaney, geboren op [geboortedatum 4] en [minderjarige 4]

, geboren op [geboortedatum 6].9 Verdachte is in 2013 voor het laatst in Nederland

geweest, omdat een tante die in Nederland verbleef, ziek was. Die tante woonde toentertijd

vlak buiten Arnhem. Verdachte is toen naar Nederland gegaan samen met haar man [medeverdachte]

en haar kinderen [minderjarige 2], [minderjarige 1] en [minderjarige 3]. Ze zijn naar Nederland gekomen met hun auto, een BMW, zilvergrijs van kleur.

2 Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om de onder 1 ten laste gelegde mensenhandel en de onder 2 primair ten laste gelegde winkeldiefstal uit de Albert Heijn bewezen te kunnen verklaren.

Indien het hof van oordeel is dat er geen bewijs is voor medeplegen, dan is er voldoende bewijs om het onder 2 subsidiair ten laste gelegde doen plegen bewezen te kunnen verklaren.

3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de integrale vrijspraak van de verdachte bepleit en heeft daartoe het volgende aangevoerd:

Uit het dossier blijkt niet dat er sprake was van samenwerking, laat staan een

intensieve samenwerking. De door de rechtbank opgenoemde handelingen bieden daar onvoldoende bewijs voor. Als er al sprake was van een taakverdeling dan komt verdachte daar in ieder geval niet in voor. Van een rol van verdachte in de voorbereiding of bij de uitvoering blijkt eveneens niets. De stelling van de rechtbank, kort gezegd dat kinderen van zeven en negen jaar oud niet uit zichzelf zulke feiten plegen, is geen feit van algemene bekendheid zoals bedoeld in artikel 339 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van de onder 2 primair ten laste gelegde diefstal in vereniging. Nu uit het dossier ook niet blijkt dat verdachte de kinderen de opdracht heeft gegeven een winkeldiefstal te plegen, dient zij tevens vrij te worden gesproken van het subsidiair onder 2 ten laste gelegde doen plegen van winkeldiefstal.

Ook voor de verweten mensenhandel dient verdachte te worden vrijgesproken. Voor geen van de verweten gedragingen is voldoende bewijs. Niet staat vast dat verdachte de kinderen heeft vervoerd of overgebracht. Bovendien staat niet vast dat het vervoeren heeft plaatsgevonden met het oogmerk van uitbuiting. Ook blijkt niet uit het dossier dat verdachte haar kinderen heeft gedwongen of bewogen tot het verrichten van arbeid of diensten.

De stelling dat verdachte en haar ex-man zich samen hebben schuldig gemaakt aan het bewegen van de kinderen tot het plegen van diefstallen is niet op feiten gebaseerd en vindt geen grondslag in het dossier. Uit het dossier blijkt geheel niet dat verdachte voordeel zou hebben getrokken uit de handelingen van haar kinderen.

4 Het oordeel van het hof

4.1.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van hetgeen verdachte onder 1 ten laste is gelegd dient onder meer te worden bewezen dat sprake is geweest van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 4 en sub 6 Sr) en dat verdachte het oogmerk heeft gehad op uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 2 Sr).

De vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van 'uitbuiting' in de zin van de onderhavige bepalingen, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt in een geval als het onderhavige onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd (zie onder meer Hoge Raad 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099). Hierbij geldt in geval van minderjarige slachtoffers dat de beoordeling van dergelijke factoren tot een andere uitkomst kan leiden dan in het geval het slachtoffer meerderjarig is (vgl. Hoge Raad 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309).

Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden is het hof met de advocaat-generaal en de rechtbank van oordeel dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] misbruik hebben gemaakt van hun uit de feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht op hun kinderen. Het hof acht, alles afwegend, op de hierna volgende gronden echter niet bewezen dat verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte] de kinderen hebben uitgebuit dan wel ten opzichte van hen hebben gehandeld met het oogmerk van uitbuiting.

Ten aanzien van het niet kunnen bewijzen van de uitbuiting geldt het volgende:

Hoewel het dossier wel enkele indicaties daartoe bevat, heeft het hof niet ondubbelzinnig kunnen vaststellen dat sprake is geweest van het meer dan eenmalig inzetten van de kinderen voor het plegen van winkeldiefstallen, terwijl van noemenswaardige beperkingen voor hun kinderen uit het dossier evenmin is gebleken (afgezien van het in pedagogisch opzicht uiterst laakbare karakter van het inzetten van de kinderen voor het plegen van winkeldiefstallen). Niet is gebleken dat verdachte en haar man hun kinderen (bijvoorbeeld door te dreigen met geweld) onder druk hebben gezet om de winkeldiefstallen te plegen. Op grond van wat er uit het dossier blijkt, lijkt het eerder zo te zijn dat de kinderen het als een soort spel zagen. In geval was gebleken dat de ouders de kinderen vaker/stelselmatig hadden ingezet voor het plegen van winkeldiefstallen, had overigens uitbuiting wel bewezen kunnen worden, zelfs als de kinderen het leuk hadden gevonden om aan die diefstallen mee te doen. In dat geval kan immers gesteld worden dat de ouders financieel van de kinderen hebben geprofiteerd ten koste van die kinderen in die zin dat dan (eerder dan wanneer het gaat om een enkel incident) gesproken kan worden van pedagogische verwaarlozing.

Ten aanzien van het niet kunnen bewijzen van het oogmerk van uitbuiting geldt dat niet is gebleken dat verdachte van plan was haar kinderen vaker te laten stelen en/of dat zij de kinderen al eerder had laten stelen.

Nu naar het oordeel van het hof in dit geval geen sprake is van (het oogmerk van) uitbuiting, dient verdachte te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde.

4.2.

Bewezenverklaring

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 2 primair ten laste gelegde - voor zover dit de diefstal uit de Albert Heijn betreft - wordt weersproken door de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Gelet op hiervoor weergeven bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast:

Verdachte is samen met haar toenmalige echtgenoot [medeverdachte] en hun kinderen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar de Albert Heijn in Arnhem gereden. [minderjarige 2] en verdachte komen enkele minuten na elkaar de winkel binnenlopen, waarna [minderjarige 2] met een winkelwagentje door de winkel loopt en iets uit een schap pakt. Verdachte en [minderjarige 2] bewegen zich onafhankelijk van elkaar door de winkel. Hierbij valt op dat zij elkaar in de winkel op zeer korte afstand passeren, zonder dat er sprake is van enige vorm van contact of blijk van herkenning. Vervolgens wacht [minderjarige 2] met het winkelwagentje voor het toegangspoortje van de winkel totdat [medeverdachte] via dit poortje de winkel binnenloopt, waarna [minderjarige 2] via het door [medeverdachte] geopende poortje met het winkelwagentje met goederen de winkel verlaat. [minderjarige 2] en [medeverdachte] passeren hierbij elkaar zonder enige blijk van herkenning. Vervolgens is er contact tussen verdachte en [medeverdachte], terwijl verdachte bij de kassa staat, waarop [medeverdachte] de winkel verlaat.

Na de boodschappen te hebben afgerekend, verlaat ook verdachte de winkel. Enkele minuten later komen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] de winkel weer binnen, waarbij ze zonder aarzelen richting de stapel dozen met flatscreen televisies rennen. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] pakken een doos van de stapel en verlaten vervolgens wederom via het toegangspoortje met de doos de winkel. De tijd tussen het moment van binnenkomen en het verlaten van de winkel bedraagt slechts anderhalve minuut.

Uit deze gedragingen blijkt naar het oordeel van het hof van een nauwe en bewuste

samenwerking tussen verdachte, [medeverdachte], [minderjarige 2] en [minderjarige 1], zowel gericht op de diefstal van een

(onbekend gebleven) hoeveelheid levensmiddelen als op de diefstal van de televisie. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] konden de diefstal plegen door het vervoer met de auto naar de Albert Heijn, het toezien in de winkel door verdachte, waarbij verdachte en [minderjarige 2] kennelijk bewust geen contact met elkaar maken en het openen van de toegangspoortjes door [medeverdachte], waarbij ook tussen [medeverdachte] en [minderjarige 2] geen contact is. Kennelijk is [minderjarige 2] zodanig geïnstrueerd dat zij moet doen alsof zij verdachte en [medeverdachte] niet kent. Hieruit en uit het feit dat ook verdachte en [medeverdachte] doen alsof ze [minderjarige 2] niet kennen, volgt dat er sprake is van een tevoren opgesteld plan waarmee verdachte bekend is en waaraan ook verdachte uitvoering geeft. Dat de kinderen niet uit zichzelf de flatscreen televisie hebben gestolen, maar ook in dit geval vooraf zijn geïnstrueerd, leidt het hof af uit het feit dat de kinderen doelgericht, zonder aarzelen, naar de televisies toelopen, een doos pakken en vervolgens het winkelpand meteen weer verlaten. De getuige [getuige 2] zag dat beiden vervolgens in de auto van verdachte en [medeverdachte] stapten. Verdachte noch de medeverdachte [medeverdachte] zijn op enig moment naar de Albert Heijn teruggekeerd om de flatscreen televisie te retourneren, hetgeen verwacht mocht worden indien de kinderen op eigen initiatief de flatscreen televisie hadden gestolen, en het hof acht het onaannemelijk dat geen van beide ouders gemerkt zou hebben dat de kinderen een flatscreen televisie (verpakt in een grote doos) hadden gestolen.

Op grond van het bovenstaande gaat het hof er van uit dat verdachte samen met haar man [medeverdachte] uitvoering hebben gegeven aan het gezamenlijke plan om de kinderen goederen te laten stelen die zij als ouders konden gebruiken (waaronder een televisie) en dat de inbreng van verdachte zodanig substantieel is geweest dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van die diefstallen. Het feit dat verdachte niet zelf in de winkel aanwezig was tijdens de diefstal van de televisie doet aan de nauwe en bewuste samenwerking niet af.

Het hof is van oordeel dat op grond van vorenstaande wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte], [minderjarige 2] en [minderjarige 1] Delaney de winkeldiefstallen bij de Albert Heijn zoals ten laste gelegd, heeft gepleegd.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2 primair:
zij op één of meerdere tijdstippen op of omstreeks 30 oktober 2013 te Arnhem en/of te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, in elk geval eenmaal, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen de hierna te noemen goederen en/of geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de hierna te noemen rechthebbende(n), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s), en wel:

- in/uit the Phone House, gelegen aan de Hoofdstraat 91 te Apeldoorn, een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan the Phone House en/of een klant van de Phone House en/of

- in/uit de Albert Heijn, gelegen aan de Marasingel te Arnhem, een onbekend gebleven hoeveelheid levensmiddelen en/of een flatscreen-televisie (merk Philips), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte en haar toenmalige echtgenoot hebben hun toentertijd 9- en 6-jarige kinderen mee naar de Albert Heijn genomen en hen daar ingezet om winkeldiefstallen te plegen.

Winkeldiefstallen zijn ergerlijke feiten die schade en overlast voor winkeliers opleveren, Nog kwalijker is het feit dat verdachte haar kinderen heeft gebruikt om deze diefstallen te plegen. Verdachte heeft daarmee misbruik gemaakt van haar rol als moeder en van de kwetsbare positie van haar kinderen. Verdachte is geheel aan de belangen van haar kinderen voorbij gegaan, en heeft voor haar eigen financieel gewin deze belangen geschonden.

Het hof rekent dit verdachte zwaar aan.

Hoewel het hof verdachte zal vrijspreken van de onder 1 ten laste gelegde mensenhandel zal het hof, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, geen lagere straf opleggen dan door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof acht een gevangenisstraf van acht maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk passend en geboden. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden in de toekomst dergelijke strafbare feiten te plegen.

Vordering van de benadeelde partij Albert Heijn

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 169,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart verdachte niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor zover dit het ten laste gelegde handelen onder 2. bij The Phone House betreft;

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte de onder 2 primair ten laste gelegde diefstal in/uit de Albert Heijn heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij Albert Heijn

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Albert Heijn ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 169,00 (honderdnegenenzestig euro) ter zake van materiële schade.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Albert Heijn, ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 169,00 (honderdnegenenzestig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door

mr. J.D. den Hartog, voorzitter,

mr. A.H. Garos en mr. G.A. Versteeg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.M.M. van der Waerden, griffier,

en op 28 februari 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier, dossiernummer PL0700 2013116775, onderzoek 07DMH13010 Elzenbos bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aangifte van [getuige 1] namens Albert Heijn, opgemaakt door verbalisant M. van den Brink, p. 11 e.v.

3 Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant M. van den Brink, p. 396.

4 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], opgemaakt door verbalisant G.J. van Eerden, p. 14 e.v.

5 Proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland van 14 september 2015, p. 2 t/m p. 4.

6 Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten J.L.L.E. Heeren en K. Seinen, p. 168 e.v.

7 Foto’s, p. 170-172.

8 Proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland van 14 september 2015, p. 4.

9 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt door verbalisanten C.C. Steuns en M. Weinands, p. 211 e.v.