Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1966

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-03-2018
Datum publicatie
28-06-2018
Zaaknummer
200.217.305
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging partneralimentatie. Lotsverbondenheid, grievend gedrag niet komen vast te staan. Behoeftigheid. Terugbetaling teveel betaalde alimentatie, de vrouw kon deels in eigen behoefte voorzien en had in de afgelopen jaren vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.217.305

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 415419)

beschikking van 1 maart 2018

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. D.J. Rijnbout te Houten,

en

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. A.J. Badenbroek-de Graaf te Papendrecht.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 18 april 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties 1 tot en met 27, ingekomen op 13 juni 2017;

- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties 1 tot en met 4,

ingekomen op 23 augustus 2017;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties 29 en 30, ingekomen op

6 november 2017;

- een journaalbericht van mr. Rijnbout van 22 december 2017 met producties 31 tot en

met 40;

- een journaalbericht van mr. Badenbroek-de Graaf van 29 december 2017 met producties

5 tot en met 27.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 11 januari 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is op 3 augustus 2011 ontbonden door echtscheiding.

3.2

De kinderen van partijen zijn:

- [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats], en

- [kind 2], geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats], en

- [kind 3], geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats].

3.3

In de beschikking van het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, van 15 maart 2012 is bepaald

dat de man aan de vrouw een bedrag van € 370,00 per kind per maand dient te betalen in de

kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] en [kind 3].

3.4

In voornoemde beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 15 maart 2012 is tevens bepaald dat de man aan Niels een bedrag van € 370,00 per maand dient te betalen in de kosten van diens levensonderhoud en studie.

3.5

In de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 15 maart 2012 is verder bepaald dat de man aan de vrouw een bedrag van € 4.205,00 per maand dient te betalen voor het levensonderhoud van de vrouw met ingang van de dag van de inschrijving van de

echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Op grond van de

wettelijke indexering is dit bedrag in 2017 € 4.557,05 en in 2018 € 4.566,05 per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1

De man heeft in eerste aanleg - onder meer - verzocht zijn bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 juli 2015 op nihil te stellen, althans op een in goede justitie vast te stellen bijdrage en de termijn voor de verplichting van de man bij te dragen te stellen op maximaal vijf jaar na echtscheiding.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 18 april 2017 heeft

de rechtbank:

- de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek ten aanzien van de afgifte van het

tandartsdiploma;

- de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 15 maart 2012 met ingang van 1 juli

2015 gewijzigd en de bijdrage van de man met ingang van 1 juli 2015 tot levensonderhoud

van de vrouw op nihil gesteld;

- de vrouw veroordeeld tot terugbetaling van de te veel ontvangen alimentatie;

- het meer of anders verzochte afgewezen;

- de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 15 maart 2012 voor het overige gehandhaafd;

- de proceskosten gecompenseerd.

4.2

De vrouw is met zeven grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van

18 april 2017. De vrouw verzoekt om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het bedrag dat de man vanaf juli 2015 zal verstrekken tot levensonderhoud van de vrouw op nihil is gesteld en de vrouw is veroordeeld tot terugbetaling van de te veel ontvangen alimentatie,

  2. (primair) de verzoeken van de man alsnog af te wijzen dan wel hem daarin niet-ontvankelijk te verklaren, (subsidiair) indien het hof oordeelt dat het door de man tot levensonderhoud van de vrouw te betalen bedrag dient te worden gewijzigd het aldus te betalen bedrag in goede orde vast te stellen, te bepalen dat deze wijziging eerst van kracht wordt vanaf de datum van de te geven beschikking en te bepalen dat door de man te veel betaalde bijdragen door de vrouw niet behoeven te worden terugbetaald;

  3. de man (voorwaardelijk) te veroordelen tot terugbetaling aan de vrouw van wat zij aan hem heeft betaald op basis van de bestreden beschikking, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van betaling door de vrouw tot aan de datum van de terugbetaling door de man.

4.3

De man is op zijn beurt met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen.

De man verzoekt het hof bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van de vrouw in het principaal hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen en in het incidenteel hoger beroep de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 15 maart 2012 in die zin te wijzigen dat de lotsverbondenheid tussen partijen verbroken is waardoor de onderhoudsverplichting, van de man jegens de vrouw , beëindigd wordt en dat de vrouw veroordeeld wordt in de proceskosten van beide instanties.

4.4

Het hof zal de grieven in het principaal en het incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

Grievend gedrag

5.1

Bij de beantwoording van de vraag of aan één van de ex-echtgenoten ten laste van de ander een uitkering tot levensonderhoud moet worden toegekend, kunnen ook niet financiële factoren, zoals grievend gedrag, een rol spelen. In uitzonderlijke gevallen kan grievend gedrag van één van de ex-echtgenoten ten opzichte van de ander tot de conclusie leiden dat aan iedere lotsverbondenheid tussen hen, welke lotsverbondenheid de grondslag vormt van een onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 1:157 van het Burgerlijk Wetboek, een einde is gekomen. In een zodanig geval kan geoordeeld worden dat betaling van een uitkering tot levensonderhoud in redelijkheid niet kan worden gevergd. Ook kan grievend gedrag van één van de ex-echtgenoten ten opzichte van de ander aanleiding zijn om de onderhoudsverplichting te matigen.

5.2

In het algemeen geldt dat bij de beoordeling in een concreet geval of een zodanige situatie zich voordoet, terughoudendheid dient te worden betracht, mede gelet op het onherroepelijke karakter van zo 'n beëindiging dan wel matiging. Voorts dient bedacht te worden dat het op zichzelf niet ongebruikelijk is dat een relatiebreuk dan wel echtscheiding gepaard gaat met de nodige emoties. Niet iedere vorm van wangedrag dan wel grievend gedrag is daarom aanleiding om de onderhoudsverplichting te matigen of te beëindigen.

5.3

De man voert onder grief 1 onder punt 70 achttien punten aan op grond waarvan sprake is van dusdanig grievend gedrag dat de lotsverbondenheid tussen partijen en daarmee zijn alimentatieplicht is geëindigd. Volgens de man heeft de vrouw onder meer gelogen over de uitkomst van een schadestaatprocedure, waarbij partijen betrokken waren, heeft zij de man gediskwalificeerd en heeft zij de kinderen betrokken bij de echtscheidingsstrijd. Ook heeft de vrouw volgens de man onvoldoende rekening gehouden met zijn ziekte en bedrijfsvoering.

De vrouw voert in haar verweer aan dat zij tijdens de ziekte van de man wel coulance heeft getoond, dat zij de kinderen niet heeft betrokken in de procedure en dat zij de man niet heeft gediskwalificeerd. De vrouw stelt dat haar gedrag niet als grievend gedrag of wangedrag kan worden aangemerkt, laat staan dat haar gedrag zodanig grievend is geweest dat daarmee de lotsverbondenheid is komen te ontbreken.

De vrouw betwist de stellingen van de man en motiveert haar betwisting. De man biedt geen bewijs van zijn stellingen aan. Hetgeen de man stelt over grievend gedrag van de vrouw is dus niet komen vast te staan. Het hof is van oordeel dat de man op grond van de lotsverbondenheid tussen partijen gehouden blijft bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw, voor zover zij daarvoor niet voldoende inkomsten heeft noch zich deze in redelijkheid kan verwerven en dat voor matiging of beëindiging van deze verplichting geen aanleiding is en dat ook voor een beperking van de alimentatieduur als door de man verzocht geen plaats is. Grief I van de man in het incidenteel hoger beroep faalt. De grieven I en II van de vrouw in het principaal hoger beroep - die de overwegingen van de rechtbank over het door de man gestelde grievend gedrag betreffen - behoeven geen nadere beoordeling.

Behoefte

5.4

Partijen zijn het erover eens dat de eerder vastgestelde behoefte van de vrouw moet worden aangepast in verband met een gewijzigde woonlast van de vrouw. De vrouw voert aan dat bij de vaststelling van de behoefte in 2012 aan de hand van een behoeftelijst is uitgegaan van een huurlast van € 1.350,- en dat zij op dit moment een hypotheeklast heeft van

€ 1.516,34.

Daarmee is volgens de vrouw haar behoefte toegenomen. De man stelt dat de vrouwhaar woonlast onvoldoende heeft onderbouwd.

Het hof is met de man van oordeel dat de vrouw onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt wat haar netto hypotheeklast is. De vrouw heeft enkel betalingsbewijzen overgelegd van hetgeen zij bruto betaalt. Een compleet overzicht ontbreekt. Het hof zal daarom evenals de rechtbank uitgaan van een netto (gecorrigeerde) behoefte van € 4.056,- per maand. Grief III van de vrouw faalt.

Behoeftigheid

5.5

De vrouw stelt dat zij niet geheel in deze behoefte kan voorzien. Zij is sinds 2010 in loondienst bij Mondhygiënistenpraktijk [A]. Zij heeft een 28-urige werkweek. Haar belastbaar inkomen uit loondienst bedroeg in 2015 € 46.376,- en in 2016

€ 47.525,-. In 2017 bedroeg haar bruto inkomen uit loondienst € 3.631,- per maand. Daarnaast had zij in 2015 volgens eigen zeggen een bruto inkomen van € 285,- per maand in haar eenmanszaak. In 2016 heeft de vrouw vanwege ziekte geen werkzaamheden in deze eenmanszaak verricht. Sinds juni 2017 werkt zij 8 uren per week als mondhygiëniste in haar eenmanszaak Mondhygiënistenpraktijk [verzoekster] in een praktijk in [plaats]. In de periode van juni 2017 tot en met december 2017 heeft zij daarmee gemiddeld een opbrengst van € 626,- per maand gerealiseerd en afgerond € 345,- per maand aan bruto inkomen verkregen.

De man voert aan dat de vrouw zich onvoldoende heeft ingespannen en inspant om in haar eigen behoefte te voorzien. De man stelt dat de vrouw voltijd moet gaan werken. Daarnaast betwist de man de juistheid van de door de vrouw overgelegde stukken ten aanzien van haar omzet als ZZP-er. Volgens de man is het door de vrouw gehanteerde tarief niet marktconform en is er geen reden waarom de vrouw een lagere verdiencapaciteit heeft dan haar beroepsgenoten. Volgens de man moet worden uitgegaan van een verdiencapaciteit van € 1.602,18 per dag in plaats van de door de vrouw gestelde omzet van € 156,50 per dag.

5.6

Het hof gaat uit van het salaris dat de vrouw in loondienst ontvangt en houdt als volgt rekening met het inkomen dat zij in haar eenmanszaak verwerft. In 2017 heeft zij over de maanden juni tot november een totale omzet van € 3.885,11 of gemiddeld een omzet van

€ 647,52 per maand gerealiseerd (facturen bij productie 34 van de vrouw). Op basis van de door haar gesloten overeenkomst van opdracht tot praktijkmedewerking (productie 34) mag zij 40% van de door haar gerealiseerde omzet behouden. Dat is een bedrag van € 259,- per maand. De vrouw stelt zelf haar maandelijkse inkomsten uit haar eenmanszaak in 2017 afrondend op € 345,-. Zij heeft ter mondelinge behandeling aangevoerd dat zij op haar werkdagen als ZZP-er niet altijd volgeboekt is en dat afmeldingen in beginsel voor haar rekening en risico komen. De stelling van de man dat zij aanzienlijk meer zou kunnen verdienen en zelf ook tandartswerkzaamheden zou kunnen verrichten heeft zij gemotiveerd weersproken. De man heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de vrouw de door hem geschatte bedragen kan verdienen. Het hof houdt voor het jaar 2017 rekening met maandelijkse inkomsten uit eigen onderneming van € 345,- per maand en voor het jaar 2015 met het door de vrouw gestelde bedrag van € 285,- per maand. Voor 2016 zal het hof geen rekening houden met inkomsten uit eigen onderneming vanwege de ziekte van de vrouw. Het hof gaat ervan uit dat de vrouw zich zal blijven inspannen om de inkomsten uit haar eigen onderneming waar mogelijk te vergroten en de man daarover zo nodig te informeren.

5.7

Het hof acht de stellingen van de man ten aanzien van inkomen uit vermogen en overbedeling aan de zijde van de vrouw tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw onvoldoende onderbouwd. Uit de aangifte IB 2016 en de stukken omtrent de schadestaat-uitkering, de vergoeding van DAS en de overeenkomst van geldlening blijkt niet dat aan de zijde van de vrouw sprake is van het door de man gestelde vermogen van

€ 290.000,-.

5.8

Gelet op de inkomsten, het vermogen, de mogelijkheid waarin de vrouw in staat kan worden geacht zich in redelijkheid inkomsten te kunnen verwerven om in het eigen levensonderhoud te voorzien, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de vrouw behoefte heeft aan een door de man te betalen partneralimentatie van:

- € 2.498,- per maand in 2015;

- € 2.625,- per maand in 2016;

- € 2.300,- per maand in 2017.

De slotsom ten aanzien van de aanvullende behoefte van de vrouw is dat grief IV van de vrouw slaagt. Dat betekent dat het hof anders dan de rechtbank alsnog de draagkracht van de man dient te beoordelen.

draagkracht van de man

5.9

Het hof gaat bij bepaling van de draagkracht van de man, evenals partijen in hun overlegde draagkrachtberekeningen, uit van het resultaat in 2015 van € 148.615,-. De vrouw heeft in haar berekening dit resultaat verhoogd met de dotatie van € 25.000,- aan de voorzieningen groot onderhoud die ten last van het resultaat is gebracht. Wat daarvan zij, het hof gaat uit van het resultaat van € 148.615,-, nu naar hierna zal blijken dat resultaat ertoe leidt dat de man voldoende draagkracht heeft om in de aanvullende behoefte van de vrouw te voorzien.

5.10

De man woont samen met [B] (verder te noemen: [B]). Bij het berekenen van de draagkracht houdt het hof rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

5.11

Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van de draagkracht van de man met het oog op het vaststellen van zijn wettelijke verplichting om bij te dragen in het levensonderhoud van zijn gewezen echtgenote in beginsel rekening dient te worden gehouden met alle redelijke uitgaven die ten laste van de man komen.

5.12

De woonlasten van de man bedragen per maand:

- € 2.432, hypotheekrente;

- € 95,- aan overige eigenaarslasten;

Bij de woonlasten houdt het hof rekening met het eigenwoningforfait op jaarbasis, afgeleid van de WOZ-waarde, van € 4.523,-. Tevens houdt het hof rekening met een bijdrage in de woonlast van [B] van € 752,- per maand. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij beschikking van 15 maart 2012 bepaald dat [B] 1/3 van haar winst dient bij te dragen. Op basis van de winst in 2014 van € 27.062,- is die bijdrage volgens de vrouw

€ 752,-. De man heeft de door de vrouw bepaalde bijdrage van zijn nieuwe partner niet betwist. Ook is niet gesteld of gebleken is dat [B] dit bedrag niet meer kan bijdragen, zodat het hof daarvan uitgaat.

5.13

Het hof houdt evenals de man rekening met een premie voor lijfrenten bij ASR met polisnummer [nummer] van € 8.717,- en de AO-verzekering bij Movir met polisnummer [nummer] van € 22.499,-. Uit de jaarstukken en IB-aangiften blijkt dat de man al jaren een bedrag van deze omvang voldoet. Anders dan de vrouw aanvoert acht het hof deze kosten voldoende onderbouwd.

5.14

De overige lasten van de man bedragen per maand:

- € 182,- aan ziektekosten in 2016:

- € 150,- premie basisverzekering ZVW,

- € 32,- - € 32,- eigen risico.

5.15

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en gelet op de fiscale consequenties hiervan heeft de man met ingang van 1 juli 2015 voldoende draagkracht om in de aanvullende behoefte van de vrouw te voorzien en een partneralimentatie van € 2.498,- per maand in 2015, € 2.625,- per maand in 2016 en € 2.300,- per maand vanaf 2017 te betalen. Het hof zal het inleidend verzoek van de man alsnog toewijzen in die zin dat de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 15 maart 2012 zal worden gewijzigd en de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 juli 2015 zal worden bepaald zoals hiervoor overwogen. De ingangsdatum van 1 juli 2015 is tussen partijen niet in geschil.

5.16

De rechtbank heeft de vrouw veroordeeld de vanaf 1 juli 2015 door haar te veel ontvangen partneralimentatie terug te betalen. De vrouw komt met haar grieven V-VII op tegen deze beslissing. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:232, NJ 2015/92) dient de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Bij die beoordeling is onder meer van belang in hoeverre de eerder betaalde bijdragen reeds zijn verbruikt en of deze bijdragen in overeenstemming waren met de behoefte. Een onderhoudsgerechtigde die te hoge bedragen heeft ontvangen, zal immers in beginsel gehouden zijn tot terugbetaling daarvan.

Het hof is van oordeel dat van de vrouw kan worden verlangd dat zij het te veel betaalde aan de man terugbetaalt. Dit betreft een bedrag van ongeveer € 30.000,-. Het te veel betaalde ziet immers op een bedrag waaraan de vrouw geen behoefte had omdat zij deels in haar eigen behoefte kon voorzien. Daar komt bij dat de vrouw in de afgelopen jaren vermogen had, maar dat zij dit heeft gebruikt op een door haar gekozen wijze terwijl zij dit ook had kunnen reserveren.

5.17

Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft. Het hof ziet, anders dan de man, geen aanleiding om de vrouw in de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep te veroordelen. Grief II van de man in het incidenteel hoger beroep faalt.

6 De slotsom

in het principaal hoger beroep

6.1

Grief IV van de vrouw slaagt, de grieven I-III en V-VII falen of missen belang. Het hof zal in het principaal hoger beroep de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als hierna zal worden vermeld.

in het incidenteel hoger beroep

6.2

De grieven van de man in het incidenteel hoger beroep falen, zodat het hof het incidenteel hoger beroep zal verwerpen.

7 Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft een berekening van de draagkracht van de man en de aanvullende behoefte van de vrouw gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8 De beslissing

Het hof, beschikkende

in het principaal hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van

18 april 2017, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre, opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, van

15 maart 2012 en bepaalt dat de man aan de vrouw met van 1 juli 2015 tot 1 januari 2016 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 2.498,- per maand zal betalen, van

1 januari 2016 tot 1 januari 2017 € 2.625,- per maand zal betalen en vanaf 1 januari 2017

€ 2.300,- zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in het incidenteel hoger beroep:

verwerpt het beroep;

in het principaal en het incidenteel hoger beroep voorts:

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, A. Smeeïng-van Hees en R. Feunekes, bijgestaan door mr. I.T.M.W. Smulders-Jacobs als griffier, en is op 1 maart 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.