Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1960

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-03-2018
Datum publicatie
02-03-2018
Zaaknummer
21-001284-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pandjeshuis. Hof veroordeelt vennoot ter zake van het niet deugdelijk voeren van de voorgeschreven administratie (opkopersregister), medeplegen van opzetheling van de buit van een overval en artikel 13-1 van de Flora- en faunawet. Hof spreekt vrij van heling goederen en witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001284-14

Uitspraak d.d.: 2 maart 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 20 februari 2014 met parketnummer 05-900408-12 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1969] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 4 augustus 2015 en 1 februari 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsvrouw, mr. M.J.R. Roethof, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is bij vonnis waarvan beroep vrijgesproken van het haar onder 1, 2, 3, 4, 6 en onder 7 vierde en zevende gedachtestreepje tenlastegelegde. Hoger beroep tegen deze gegeven vrijspraken staat voor verdachte niet open. Het hof zal verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk in haar hoger beroep verklaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep en voor zover thans nog van belang – tenlastegelegd dat:

5:

zij op of omstreeks 26 maart 2012, te Arnhem, althans in Nederland, tezamen

en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet

opzettelijk, een of meer dieren en/of producten van dieren, behorende tot een

beschermde uitheemse diersoort, aangewezen krachtens artikel 5 van de Flora-

en Faunawet bij de Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en

Faunawet in artikel 4, te weten:

- een (karet)schildpad (Eretmochelys Imbricata) en/of

- een (bril)kaaiman (Caiman crocodilus) en/of

- een zaagtand (van een zaagrog)

heeft verworven en/of ten verkoop heeft aangeboden en/of ten verkoop

voorhanden of in voorraad heeft gehad en/of heeft gebruikt voor commercieel

gewin en/of tentoon heeft gesteld voor handelsdoeleinden en/of onder zich

heeft gehad;

7:

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 8 oktober 2006

tot en met 26 maart 2012 te Arnhem, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

(als (mede)eigenaar van Pandjeshuis " [naam pandjeshuis] " en/of als (mede)vennoot

van de V.O.F. [naam pandjeshuis] en/of als inkoper en/of opkoper en/of

als administrateur en/of als (feitelijk) leidinggevende van de andere

medewerkers van het pandjeshuis " [naam pandjeshuis] "), althans alleen,

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en / of heeft overgedragen

(aangetroffen in een pand gelegen aan de [adres] , [naam pandjeshuis] )

- een gouden armbandje (met naamplaatje, zaakdossier 9) en/of

- een of meer paspoort/paspoorten (op naam van H.N. de Leeuw en/of E.C. de

Greef, zaakdossier 65) en/of

- een mobiele telefoon (Nokia 5130, zaakdossier 62) en/of

(aangetroffen in een woning gelegen aan het Jan van Riebeeckplein 1)

- één of meer horloge(s) (zaakdossier 64) en/of

- een gouden armband (zaakdossier 69),

terwijl zij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van

voormeld(e) goed(eren) wist, althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat

dit/deze door diefstal in elk geval door enig misdrijf was/waren verkregen;

8:

zij in of omstreeks de periode van 2 februari 2012 tot en met 26 maart 2012

te Arnhem en/of te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen,

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen een

hoeveelheid sieraden, terwijl zij ten tijde van het verwerven of het

voorhanden krijgen van voormeld(e) goed(eren) wist, althans redelijkerwijs

had kunnen vermoeden dat dit/deze door diefstal in elk geval door enig

misdrijf was/waren verkregen;

9:

zij in of omstreeks de periode van 27 maart 2009 tot en met 26 maart 2012 te

Arnhem, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

als (mede)eigenaar van Pandjeshuis " [naam pandjeshuis] " en/of als vennoot van de

V.O.F. [naam pandjeshuis] en/of als inkoper en/of opkoper en/of

(detail)handelaar van nieuwe en/of tweedehands en/of gebruikte en/of

ongeregelde artikelen/goederen (onder andere: sieraden en/of fietsen en/of

brom/-snorfietsen en/of foto-, film-, radio-, audio- en videoapparatuur en/of

uurwerken en/of kunstvoorwerpen), aangewezen bij het Uitvoeringsbesluit ex

artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Staatsblad 1992/36),

niet met inachtneming van de bij de algemene maatregel van bestuur geldende

regels:

- aantekeningen heeft gehouden en/of heeft doen houden van alle nieuwe en/of

tweedehands en/of gebruikte en/of ongeregelde artikelen/goederen die zij,

verdachte, en/of haar mededader(s) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad

en/of

- één of meerdere nieuwe en/of tweedehands en/of gebruikte en/of

ongeregelde artikelen/goederen heeft verworven van één of meer

persoon/personen zonder dat die persoon/personen zijn/hun

identiteitsgegevens had/hadden opgegeven en/of zonder dat zij, verdachte,

en/of haar mededader(s) de identiteitsgegevens van die personen in haar/de administratie heeft aangetekend en/of heeft doen aantekenen;

10:

zij in of omstreeks de periode van 27 maart 2009 tot en met 26 maart 2012,

te Arnhem,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft zij, verdachte en/of haar mededader(s),

(telkens) van (een) voorwerp(en) (en/of geldbedrag(en)), te weten

één of meer gebruikte en/of ongeregelde goed(eren) (te weten onder andere:

één of meer siera(a)d(en) en/of fiets(en) en/of brom/-snorfiets(en) en/of

foto-, film-, radio-, audio- en videoapparatuur en/of uurwerk(en) en/of

kunstvoorwerp(en) en/of computer(s)/laptop(s) en/of ladders en/of

gsm-toestellen en/of geldbedragen)

de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding verborgen en/of verhuld,

en/of

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet,

terwijl zij weet dat die (hoeveelheden) siera(a)d(en) en/of die (hoeveelheden)

voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk – mede afkomstig zijn uit enig misdrijf,

((immers,

(door als (mede)eigenaar van Pandjeshuis “ [naam pandjeshuis] ”en/of als

(mede)vennoot van de V.O.F. [naam pandjeshuis] en/of als inkoper en/of

opkoper en/of als administrateur en/of als (feitelijk) leidinggevende van de

andere medewerkers van het pandjeshuis “ [naam pandjeshuis] ”,)

A.

die (hoeveelheden) goed(eren) aan te kopen en/of op te kopen en/of te (laten)

belenen, zonder daaromtrent een administratie dan wel een juiste en/of

volledige administratie (ex artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht) te

(laten) voeren en/of bij te (laten) houden en/of

een (zeer) summiere/algemene en/of dubbele en/of een onjuiste administratie

en/of opkoopregister bij te (laten) houden en/of

B.

(vervolgens) door die (hoeveelheden) voorwerp(en) door te (laten) verkopen

en/of om te zetten, zonder daaromtrent een administratie dan wel een juiste

en/of volledige administratie (ex artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht)

te (laten) voeren en/of bij te (laten) houden en/of

een (zeer) summiere/algemene en/of dubbele en/of een onjuiste administratie

en/of verkoopregister bij te (laten) houden en/of

C.

(vervolgens) door die (hoeveelheden) sieraden door te verkopen en/of om te

laten smelten en/of een (zeer) summiere/algemene en/of dubbele en/of een

onjuiste administratie bij te (laten) houden));

subsidiair:

zij in of omstreeks de periode van 27 maart 2009 tot en met 26 maart 2012,

te Arnhem,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(telkens) van (een) voorwerp(en) (en/of geldbedrag(en)), te weten

één of meer gebruikte en/of ongeregelde goed(eren) (te weten onder andere:

één of meer siera(a)d(en) en/of fiets(en) en/of brom/-snorfiets(en) en/of

foto-, film-, radio-, audio- en videoapparatuur en/of uurwerk(en) en/of

kunstvoorwerp(en) en/of computer(s)/laptop(s) en/of ladders en/of

gsm-toestellen en/of geldbedragen),

de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing

heeft verborgen en/of verhuld,

en/of

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of

heeft omgezet,

terwijl zij weet dat die (hoeveelheden) siera(a)d(en) en/of die (hoeveelheden)

voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk – mede afkomstig zijn uit enig misdrijf,

((immers,

(door als (mede)eigenaar van Pandjeshuis “ [naam pandjeshuis] ”en/of als

(mede)vennoot van de V.O.F. [naam pandjeshuis] en/of als inkoper en/of

opkoper en/of als administrateur en/of als (feitelijk) leidinggevende van de

andere medewerkers van het pandjeshuis “ [naam pandjeshuis] ”,)

A.

die (hoeveelheden) goed(eren) aan te kopen en/of op te kopen en/of te (laten)

belenen, zonder daaromtrent een administratie dan wel een juiste en/of

volledige administratie (ex artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht) te

(laten) voeren en/of bij te (laten) houden en/of

een (zeer) summiere/algemene en/of dubbele en/of een onjuiste administratie

en/of opkoopregister bij te (laten) houden en/of

B.

(vervolgens) door die (hoeveelheden) voorwerp(en) door te (laten) verkopen

en/of om te zetten, zonder daaromtrent een administratie dan wel een juiste

en/of volledige administratie (ex artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht)

te (laten) voeren en/of bij te (laten) houden en/of

een (zeer) summiere/algemene en/of dubbele en/of een onjuiste administratie

en/of verkoopregister bij te (laten) houden en/of

C.

(vervolgens) door die (hoeveelheden) sieraden door te verkopen en/of om te

laten smelten en/of een (zeer) summiere/algemene en/of dubbele en/of een

onjuiste administratie bij te (laten) houden)).

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verweren

De door de verdediging gevoerde verweren worden besproken bij de bespreking van het desbetreffende feit.

Het onder 5 tenlastegelegde feit

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

De raadsvrouw heeft betoogd dat er geen sprake kan zijn van medeplegen.

Voor medeplegen is noodzakelijk dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met (een) ander(en) gericht op het voltooien van het delict. Naar het oordeel van het hof zijn voor de ten laste gelegde periode onvoldoende bewijsmiddelen voorhanden om dit bewezen te kunnen verklaren

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

zij op of omstreeks 26 maart 2012, te Arnhem, althans in Nederland, tezamen

en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet

opzettelijk, een of meer dieren en/of producten van dieren, behorende tot een

beschermde uitheemse diersoort, aangewezen krachtens artikel 5 van de Flora-

en Faunawet bij de Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en

Faunawet in artikel 4, te weten:

- een (karet)schildpad (Eretmochelys Imbricata) en /of

- een (bril)kaaiman (Caiman crocodilus) en /of

- een zaagtand (van een zaagrog)

heeft verworven en/of ten verkoop heeft aangeboden en/of ten verkoop

voorhanden of in voorraad heeft gehad en/of heeft gebruikt voor commercieel

gewin en/of tentoon heeft gesteld voor handelsdoeleinden en/of onder zich

heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het onder 7 tenlastegelegde feit

Het hof heeft op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 7 tenlastegelegde heeft begaan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet althans in elk geval onvoldoende komen vast te staan wanneer en onder welke omstandigheden de goederen zijn verkregen, waardoor geen conclusies kunnen worden getrokken met betrekking tot de wetenschap van verdachte op dat moment over de criminele herkomst. Verdachte zal derhalve voor dit feit worden vrijgesproken.

Het onder 8 tenlastegelegde feit

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof concludeert met name op basis van de inhoud van bepaalde OVC-gesprekken dat ten minste een deel van de bij Helldorfer gestolen sieraden in Rotterdam is verkocht. Tevens leidt het hof uit die OVC-gesprekken af dat verdachte ervan op de hoogte was dat het gestolen goederen betroffen. Onderweg naar Rotterdam heeft zij, kennelijk met het oog op de verkoop van de sieraden in kwestie, gebeld naar de juwelier in Rotterdam en daarbij gevraagd naar [naam baas] (de baas). Uit de ter terechtzitting vertoonde camerabeelden (DVD-D, fragment 2012021018573703, 10-2-2012 19.06 uur) blijkt dat verdachte samen met [medeverdachte] actief betrokken was bij en zich daadwerkelijk bemoeide met de verkoop van de sieraden. Het verweer dat verdachte de bewuste dag enkel en toevallig als chauffeur optrad acht het hof niet aannemelijk.

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 8 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

zij in of omstreeks de periode van 2 februari 2012 tot en met 26 maart 2012

te Arnhem en/of te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen , althans alleen ,

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en /of heeft overgedragen een

hoeveelheid sieraden, terwijl zij ten tijde van het verwerven of het

voorhanden krijgen van voormeld ( e ) goed ( eren ) wist , althans redelijkerwijs

had kunnen vermoeden dat dit/ deze door diefstal in elk geval door enig

misdrijf was/ waren verkregen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het onder 9 tenlastegelegde feit

De raadsvrouw heeft, zoals weergegeven in haar pleitnota, gesteld dat verdachte, ten tijde van de tenlastelegging, in de praktijk wel naar de bedoeling van de wetgever heeft gehandeld en nauw aansluiting gezocht bij de administratieve verplichtingen.

Het verweer van de raadsvrouw dat vanuit een teleologische interpretatie een eventuele bewezenverklaring niet kan worden gekwalificeerd als overtreding en dat derhalve ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen, zal het hof verwerpen reeds omdat de wetgeschiedenis daarvoor geen grond biedt.

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Vaststaat dat het vastleggen van de administratieve gegevens in het inkoopregister niet goed is gedaan. Verdachte was verantwoordelijk voor de administratie en hier viel ook het bijhouden van het inkopersregister onder. Verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte] waren gedurende de tenlastegelegde periode beiden eigenaar en vennoot van “ [naam pandjeshuis] ” en waren beiden feitelijk betrokken bij de inkoop van goederen. Verdachte en haar medeverdachten hadden ieder in die hoedanigheid het inkoopregister juist en volledig moeten bijhouden.

Voor medeplegen is echter noodzakelijk dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met (een) ander(en) gericht op het voltooien van het delict. Voor die nauwe en bewuste samenwerking ontbreekt naar het oordeel van het hof het bewijs.

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 9 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

zij in of omstreeks de periode van 27 maart 2009 tot en met 26 maart 2012 te

Arnhem, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

als ( mede ) eigenaar van Pandjeshuis " [naam pandjeshuis] " en /of als vennoot van de

V.O.F. [naam pandjeshuis] en /of als inkoper en/of opkoper en/of

(detail)handelaar van nieuwe en/of tweedehands en/of gebruikte en/of

ongeregelde artikelen/goederen (onder andere: sieraden en/of fietsen en/of

brom/-snorfietsen en/of foto-, film-, radio-, audio- en videoapparatuur en/of

uurwerken en/of kunstvoorwerpen), aangewezen bij het Uitvoeringsbesluit ex

artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Staatsblad 1992/36),

niet met inachtneming van de bij de algemene maatregel van bestuur geldende

regels:

- aantekening en heeft gehouden en/of heeft doen houden van alle nieuwe en/of

tweedehands en/of gebruikte en /of ongeregelde artikelen/goederen die zij,

verdachte, en/of haar mededader ( s ) heeft verworven en /of voorhanden heeft gehad

en /of

- één of meerdere nieuwe en/of tweedehands en/of gebruikte en /of

ongeregelde artikelen/goederen heeft verworven van één of meer

persoon/ personen zonder dat die persoon/personen zijn/hun

identiteitsgegevens had/hadden opgegeven en /of zonder dat zij, verdachte,

en/of haar mededader(s) de identiteitsgegevens van die persoon/personen in haar/ de administratie heeft aangetekend en/of heeft doen aantekenen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het onder 10 tenlastegelegde feit

De raadsvrouw heeft een beroep gedaan op de nietigheid van de dagvaarding. Hiertoe heeft de raadsvrouw gesteld dat de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig is, aangezien daarin enerzijds is opgenomen dat sieraden/voorwerpen/geldbedragen afkomstig zijn uit misdrijf, terwijl anderzijds de feitelijke uitwerking daarvan slechts overtredingen (van het bepaalde in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht) zouden behelzen.

Het hof verwerpt dit verweer. De dagvaarding bevat, mede gelezen in samenhang met het dossier, een voldoende duidelijke opgave het tenlastegelegde feit bevat als bedoeld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

De raadsvrouw heeft ook betoogd dat, primair, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vervolging van verdachte of, subsidiair, tot bewijsuitsluiting moet worden overgegaan, omdat, kort gezegd, het beslag niet deugdelijk is geverbaliseerd, waardoor aan de belangen van verdachte op haar recht op een eerlijke behandeling te kort is gedaan.

Naar het oordeel van het hof is er wel sprake van onvolkomenheden bij de administratie van het beslag, maar van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde en/of van een opzettelijke schending van de verdedigingsbelangen van verdachte, waardoor ernstig inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan haar recht op een eerlijke behandeling van de zaak is tekortgedaan, is geen sprake. Derhalve is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van verdachte en is er geen grond voor bewijsuitsluiting ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof komt dan toe aan de beoordeling van de vraag of wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – witwassen.

Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is. Het overweegt daartoe als volgt.

Voor een veroordeling voor witwassen op grond van art. 420bis Sr is vereist dat vaststaat dat de voorwerpen waar het om gaat afkomstig zijn uit enig misdrijf. Op grond van doel en strekking van art. 420bis Sr en mede in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling moet worden aangenomen dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid dat de desbetreffende voorwerpen afkomstig zijn uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dit betekent dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan.

Uit verschillende arresten van de Hoge Raad die zien op witwassen kan de volgende bewijsconstructie worden gedestilleerd, voor zover het gaat om het bewijs van het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’.

Dat onder een verdachte aangetroffen voorwerpen ‘uit enig misdrijf afkomstig zijn’, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat ze uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het is aan het openbaar ministerie bewijs bij te brengen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.

Indien de vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat de voorwerpen/geld die de verdachte voorhanden heeft gehad – onmiddellijk of middellijk – uit enig misdrijf afkomstig zijn, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van die voorwerpen.

Dit leidt er echter niet zonder meer toe dat het dan aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het de betreffende voorwerpen niet van misdrijf afkomstig zijn. Wel kan de rechter in voorkomende gevallen in geval de in de bewijsvoering vastgestelde feiten en omstandigheden een vermoeden van witwassen rechtvaardigen en hij tot het oordeel komt dat de door de verdachte gegeven verklaring voor onder meer de herkomst van de voorwerpen niet aannemelijk is geworden, daaraan de gevolgtrekking verbinden dat het geldbedrag geen legale herkomst had en dat de verdachte dit wist.

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de enorme hoeveelheid in beslag genomen goederen niet is te herleiden naar een eigenaar en dat bij ontbreken van een deugdelijke verklaring, opgeteld bij hetgeen overigens uit het dossier met betrekking tot de handel en wandel van verdachte en haar medeverdachten is gebleken, dit het vermoeden oplevert dat deze goederen van misdrijf afkomstig zijn.

Het hof stelt vast dat voor de herkomst van een deel van de inbeslaggenomen goederen wel een verklaring namens verdachte is gegeven. Namens verdachte is een groot aantal contracten overgelegd waaruit zou blijken dat de in beslag genomen voorwerpen niet van enig misdrijf afkomstig zijn.

Door de wijze van het registreren van het beslag kan het hof niet nagaan welke goederen gelabeld dan wel niet gelabeld waren, zodat het hof niet kan nagaan of de verklaring van verdachte omtrent de herkomst juist is.

Wat overblijft is – hoezeer het dossier ook aanwijzingen bevat dat verdachte (en haar medeverdachte bestuurders) mogelijk (ook) van misdrijf afkomstige goederen opkocht(en) – onvoldoende om in deze zaak bewezen te kunnen achten dat verdachte zich in de ten laste gelegde periode schuldig heeft gemaakt aan witwassen.

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting aldus niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 10 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Gelet op voorgaande beslissing behoeft het voorwaardelijke verzoek van de raadsvrouw om getuigen te horen geen nadere bespreking, omdat aan de voorwaarde van dat verzoek niet is voldaan.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan; meermalen gepleegd.

Het onder 8 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzetheling.

Het onder 9 bewezen verklaarde levert op:

Als handelaar in gebruikte en ongeregelde goederen in het door haar gehouden register niet onverwijld aantekening houden van alle door haar gekochte goederen,

en

Als handelaar in gebruikte en ongeregelde goederen een gebruikt of ongeregeld goed van iemand verwerven zonder de identiteitsgegevens van diegene in haar administratie aan te tekenen.

Strafbaarheid van de verdachte

Voor zover de raadsvrouw ten aanzien van het als feit 9 ten laste gelegde een beroep op afwezigheid van alle schuld heeft willen doen omdat verdachte “de aanbevelingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] heeft opgevolgd” overweegt het hof dat voor een geslaagd beroep op rechtsdwaling is vereist dat het aannemelijk is dat een verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Daarvan kan sprake zijn indien de verdachte is afgegaan op het advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen. Bij de beoordeling van een daartoe strekkend verweer kunnen verschillende aspecten van belang zijn, waaronder:

- de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de adviseur;

- de specifieke deskundigheid van de adviseur;

- de complexiteit van de materie waarover advies wordt ingewonnen;

- de precieze inhoud van de adviezen.

Naar het oordeel van het hof is in casu niet voldaan aan de voorwaarden voor rechtsdwaling. De betreffende verbalisanten hebben geen advies gegeven met betrekking tot de inrichting van het inkopersregister. Het verweer mist feitelijke grondslag.

Verdachte is strafbaar aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Redelijke termijn

Ter terechtzitting is door de raadsvrouw aangevoerd dat sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM.

Uit de stukken van de zaak is het hof het navolgende gebleken:

  • -

    in maart/april 2012 zijn er doorzoekingen geweest in het winkelpand van “ [naam pandjeshuis] ” en in de woning van verdachte. Op deze datum is de redelijke termijn gaan lopen;

  • -

    op 3 juli 2012 is de zaak voor de eerste maal aangebracht ter terechtzitting van de rechtbank;

  • -

    na diverse aanhoudingen, naar aanleiding van onderzoekswensen van de verdediging, heeft de rechtbank op 20 februari 2014 in deze zaak vonnis gewezen;

  • -

    op 5 maart 2014 is namens verdachte hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld;

  • -

    op 1 juli 2014 is de zaak ter griffie van het hof ingekomen;

  • -

    op 4 augustus 2015 is de zaak op de rol van het hof geplaatst voor een regiezitting;

  • -

    bij tussenarrest van 18 augustus 2015 is de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris om [getuige] als getuige te horen. De te horen getuige was een medeverdachte in een strafzaak die verband hield met de zaak tegen verdachte en het arrest in zijn strafzaak was nog niet onherroepelijk. Nadat het arrest van de te horen getuigen onherroepelijk is geworden heeft het verhoor van de getuige op 12 oktober 2916 plaatsgevonden;

  • -

    op 16 februari 2017 is de zaak weer op de rol van het hof geplaatst maar vanwege ziekte van twee raadsheren, die deel uitmaakten van de zittingscombinatie die deze omvangrijke zaak zouden behandelen, is de behandeling aangehouden voor onbepaalde tijd;

  • -

    op 1 februari 2018 is de behandeling van de zaak voortgezet en op 2 maart 2018 zal arrest worden gewezen.

Het hof is van oordeel dat het totale tijdsverloop, met name de periode tussen het horen van de getuige door de raadsheer-commissaris en de inhoudelijke behandeling van de zaak, zodanig lang is dat sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Het hof is van oordeel dat in de na te melden strafoplegging de overschrijding van de redelijke termijn in voldoende mate is verdisconteerd.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte en haar draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling van sieraden en het niet voeren van een juiste administratie van pandjeshuis “ [naam pandjeshuis] ”. Tevens heeft verdachte in de winkel dieren en producten van dieren behorende tot een beschermde uitheemse diersoort voorhanden gehad en tentoongesteld. Uit dit laatste blijkt dat zij zich van de beschermde status van deze veelal ook zeldzame dieren niets aantrekt.

De geheelde sieraden waren afkomstig van een overval op een juwelier. Verdachte wist dit. Overvallen zorgen voor schade en overlast bij de gedupeerden en voor onrust en gevoelens van onveiligheid, ook in de samenleving. Door mee te werken aan de verkoop van de buit heeft verdachte laten blijken zich hieraan niets gelegen te laten liggen. Het hof heeft bij de straftoemeting het voorgaande in het bijzonder in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot oplegging van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf hebben geleid.

Verdachte heeft in een periode van bijna drie jaren als mede-eigenaar en medevennoot het pandjeshuis “ [naam pandjeshuis] ” geëxploiteerd. Daarbij moest door verdachte een deugdelijke administratie worden gevoerd om op deze manier de handel in gestolen goederen tegen te gaan. Daarin is verdachte ernstig tekortgeschoten. De specifieke branche waarin zij werkzaam was maakt extra oplettendheid en transparantie geboden en vraagt nu juist om een volledige en correcte wijze van administreren. Voor afdoening van dit feit acht het hof oplegging van een geldboete passend.

Bij de bepaling van de duur en de hoogte van de op te leggen straffen heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat uit het uittreksel Justitiële Documentatie, betreffende verdachte, niet blijkt van andere contacten met justitie.

De ouderdom van de feiten, de geconstateerde schending van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van verdachte geven het hof redenen om, anders dan zonder die schending het geval zou zijn, geen gevangenisstraf op te leggen die er toe zou leiden dat verdachte opnieuw van haar vrijheid zou worden beroofd. Het hof acht het opleggen van een gedeeltelijk onvoorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij de duur van het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd door verdachte in voorarrest doorgebracht, thans op zijn plaats. Het voorwaardelijk deel dient als waarschuwing aan verdachte om haar ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast zal het hof aan verdachte een taakstraf opleggen.

Ook bij de op te leggen geldboete heeft het hof rekening gehouden met de ouderdom van de feiten en de geconstateerde schending van de redelijke termijn. Een en ander geeft het hof aanleiding in plaats van een geheel onvoorwaardelijke geldboete hof een deels voorwaardelijke geldboete opleggen.

Met betrekking tot feit 9 is door de advocaat-generaal een beroepsontzegging voor de duur van 3 jaar gevorderd. Gelet op het tijdsverloop, de thans bewezenverklaarde feiten en de vrijspraken van de onder 7 en 10 tenlastegelegde feiten, acht het hof, nu uit het uittreksel Justitiële Documentatie niet is gebleken dat verdachte zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke feiten, geen aanleiding aan verdachte een beroepsverbod op te leggen, waarbij nog wordt opgemerkt dat aan verdachte voorwaardelijke straffen zijn opgelegd ter voorkoming van herhaling.

Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het beslag conform de beslissingen daaromtrent door de rechtbank wordt afgedaan.

Namens verdachte is het in eerste aanleg gedane verzoek tot teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen gehandhaafd.

Het hof zal ten aanzien van het beslag uit hoofde van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering beslissingen geven. Dit laat naar het oordeel van het hof onverlet dat het uit hoofde van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering gelegde beslag blijft liggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 57, 62, 416 en 437 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 13 van de Flora- en faunawet en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1, 2, 3, 4, 6 en 7 vierde en zevende gedachtestreepje tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 7, 10 primair en 10 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 5, 8 en 9 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 5, 8 en 9 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder in de zaak met parketnummer 05-900408-12 onder 5 en 8 bewezen verklaarde:

- Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 250 (tweehonderdvijftig) dagen. Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 150 (honderdvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

- Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Ten aanzien van het onder 9 bewezen verklaarde:

- Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 5.000,-- (vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis. Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 3.000,-- (drieduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beslag

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    een goudkleurig hangertje met beertje met opschrift “Forever Friends” (SVO nummer J-A-4-10);

  • -

    een goudkleurig horloge, Omega, Constellation, Swiss Made, en een goudkleurig horloge met witte wijzerplaat met diamantachtige steentjes, Omega, Constellation, Swiss Made (SVO nummer J-C-2-1);

  • -

    een goudkleurig kettinkje met inscriptie Remy (SVO nummer J-A1-17-1), en

  • -

    drie goudkleurige armbandjes (SVO nummer J-A1-17-25).

De voorlopige hechtenis

Heft op het geschorste, tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. A. van Waarden, voorzitter,

mr. R.H. Koning en mr. C.M.E. Lagarde, raadsheren,

in tegenwoordigheid van G. Heeres, griffier,

en op 2 maart 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.