Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1871

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
01-03-2018
Zaaknummer
21-000580-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Flessentrekkerij. Partiële vrijspraak daar waar de tenlastelegging ziet op verleende en onbetaald gebleven diensten, nu de delictsomschrijving van artikel 326a Sr slechts ziet op goederen en niet op diensten.

Veroordeling voor het (een gewoonte maken van) het kopen van goederen zonder deze te betalen. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 326a van het Wetboek van Strafrecht en uit de jurisprudentie kan worden afgeleid dat het oogmerk om niet te betalen niet reeds hoeft te hebben bestaan op het moment van de koop, hoewel dat - gelet op alle feiten en omstandigheden - in deze zaak het geval lijkt te zijn geweest. Het oogmerk is bij dit delict met name gelegen in de herhaling: het telkens opnieuw goederen bestellen, in de wetenschap dat betaling achterwege zal blijven en zelfs niet tot de mogelijkheden behoort. Uit het feit van het niet-betalen en de erkenning van verdachte dat hij op verschillende tijdstippen goederen heeft gekocht kan het oogmerk worden afgeleid (HR 22 juli 1958, NJ 1959, 191). Veroordeling tot taakstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000580-14

Uitspraak d.d.: 20 februari 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 27 januari 2014 met parketnummer 07-154133-12 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 februari 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot integrale bevestiging van het vonnis van de politierechter. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,

mr. M.J. Jansma, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft verdachte terzake van flessentrekkerij, in de tenlastelegging nader geëxpliciteerd in zes feiten, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en tot een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] werd toegewezen tot een bedrag van € 5.025,75, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in het overige deel van haar vordering. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] van € 3.396,72 werd volledig toegewezen, eveneens vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 6 juli 2009 tot en met 9 mei 2011 op na te noemen plaatsen, in elk geval in Nederland, een beroep of een gewoonte heeft gemaakt van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich en/of (een) ander(en) de beschikking over die goederen te verzekeren, hebbende verdachte, telkens met voormeld oogmerk, de navolgende goederen - op tijd en plaats daarbij vermeld - gekocht, te weten:

- installatiemateriaal, in de periode van 18 oktober 2010 tot en met 18 februari 2011 te [plaats 1] , in de gemeente [gemeente 1] bij de firma [benadeelde 2] en/of

- vier (4) onderhoudsbeurten aan een voertuig (een Renault Laguna met kenteken

[kenteken] ), in de periode van 6 juli 2009 tot en met 19 september 2009 te [plaats 2] , in de gemeente [gemeente 1] bij [bedrijf 1] , en/of

- een spoelbak, op of omstreeks 31 mei 2010, te [plaats 3] bij [bedrijf 2] , en/of

- één en/of meerdere hekwerken, in de periode van 8 januari 2011 tot en met

11 maart 2011, te [plaats 4] in de gemeente [gemeente 2] bij [bedrijf 3] , en/of

- een grote hoeveelheid lood, op of omstreeks 23 maart 2011, te [gemeente 1] bij [benadeelde 1] , en/of

- een wasbak en/of een douchemengkraan en/of rolletjes lood, op of omstreeks

9 mei 2011, te [plaats 5] bij [bedrijf 4] .

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Partiële vrijspraak van het onder het tweede gedachtestreepje ten laste gelegde

Onder het tweede gedachtestreepje is ten laste gelegd dat verdachte een viertal aan zijn auto verrichte onderhoudsbeurten niet heeft betaald. Het hof stelt vast dat het hier om (niet betaalde) verleende diensten gaat en derhalve niet om gekochte doch niet betaalde goederen.

Het hof volgt de raadsman in zijn verweer op dit punt, nu de delictsomschrijving van artikel

326a van het Wetboek van Strafrecht enkel ziet op goederen en niet op diensten, welke kwestie blijkens de Kamerstukken destijds bij de totstandkoming van het hiervoor genoemde, thans geldende wetsartikel uitdrukkelijk aan de orde is geweest. Daaruit kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat genoemd wetsartikel slechts ziet op goederen. Het hof zal verdachte dan ook van dat deel van de tenlastelegging vrijspreken.

Overwegingen omtrent het bewijs voor het ten laste gelegde

Namens verdachte is door diens raadsman betoogd dat er geen sprake is geweest van een oogmerk om zonder volledige betaling zich de beschikking over de ten laste gelegde goederen te verzekeren, laat staat dat dit een gewoonte was. Daartoe is - onder meer - aangevoerd dat het uitblijven van de verschuldigde betalingen voortkwam uit de omstandigheid dat verdachte begin mei 2011 onverwachts in voorlopige hechtenis is genomen in Duitsland, waardoor het hem onmogelijk was aan zijn verplichtingen te voldoen. Voorts is aangevoerd dat het aankopen van de goederen niet door verdachte als privépersoon is gedaan maar door het bedrijf [bedrijf 5] , genoemd naar en op naam staand van de toenmalige levenspartner van verdachte, [naam] . [naam] geraakte in september 2011 in de WSNP, waarin (ook) de hier ter beoordeling staande vorderingen zouden zijn gevallen. Vanaf dat moment kon verdachte ook niet meer betalen. De vorderingen vielen immers in de WSNP-boedel. De raadsman verzoekt verdachte vrij te spreken wegens het ontbreken van het voor een bewezenverklaring vereiste oogmerk.

Het hof overweegt hierover het navolgende.

Uit het proces-verbaal van politie komt naar voren dat een eerder door verdachte geëxploiteerd bedrijf in 2008 failliet is gegaan. Verdachte heeft toen een doorstart gemaakt, dan wel een nieuw bedrijf opgericht op naam van zijn partner, [bedrijf 5] . Het hof is van oordeel dat deze manoeuvre als een schijnconstructie moet worden aangemerkt. Zo er al sprake is geweest van enigerlei bedoeling om bedrijfsactiviteiten te ontplooien, wist verdachte, althans kon hij – gezien de zich kennelijk herhaaldelijk voordoende omstandigheid van de onmogelijkheid om facturen te betalen - weten, dat het nieuwe bedrijf niet levensvatbaar was en dat hij niet zou kunnen voldoen aan namens dat bedrijf aangegane betalingsverplichtingen. Verdachte heeft ook met zoveel woorden erkend dat hij doende is geweest het ene gat met het andere te vullen.

In dit verband is ook nog de vraag relevant of de door verdachte gekochte goederen (alle) van doen hadden met [bedrijf 5] . Zo was het bij [bedrijf 4] gekochte sanitair bestemd voor de woning van zijn nieuwe vriendin en valt de aanschaf bij [bedrijf 2] van een spoelbak evenmin te rijmen met bedrijfsactiviteiten. De door verdachte gekochte hekwerken waren bestemd voor doorverkoop via internet. Het lood zou verdachte hebben aangeschaft, omdat hij een opdracht zou hebben gekregen tot het vervaardigen van een kunstwerk. Die opdracht ging niet door, waarna het lood bij de schroot belandde.

Voorts heeft het hof in aanmerking genomen dat [bedrijf 5] blijkens de gegevens van de Kamer van Koophandel reeds in januari 2011 ter ziele was.

De raadsman heeft gesteld dat verdachte door het feit dat hij in Duitsland in voorlopige hechtenis is genomen, is overvallen en zodoende niet in staat was aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen. Het hof kan de raadsman in dat verweer echter niet volgen aangezien verdachte de hiervoor omschreven goederen heeft afgenomen ruim voordat hij in Duitsland in voorlopige hechtenis kwam te verkeren en verdachte in de tenlastegelegde periode blijkens de afzonderlijke aangiften op geen enkele manier aanstalten heeft gemaakt met (een begin van) betaling van de aldus openstaande facturen en ondertussen doorging met de aanschaf van (deze) goederen.

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 326a van het Wetboek van Strafrecht en uit de jurisprudentie kan worden afgeleid dat het oogmerk om niet te betalen niet reeds hoeft te hebben bestaan op het moment van de koop, hoewel dat - gelet op alle feiten en omstandigheden - in deze zaak het geval lijkt te zijn geweest. Het oogmerk is bij dit delict met name gelegen in de herhaling: het telkens opnieuw goederen bestellen, in de wetenschap dat betaling achterwege zal blijven en zelfs niet tot de mogelijkheden behoort. Uit het feit van het niet-betalen en de erkenning van verdachte dat hij op verschillende tijdstippen goederen heeft gekocht kan het oogmerk worden afgeleid (HR 22 juli 1958, NJ 1959, 191).

Gelet op het vorenstaande verwerpt het hof het verweer van de raadsman en wordt wettig en overtuigend bewezen geacht dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan flessentrekkerij conform de hierna volgende bewezenverklaring.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in of omstreeks de periode van 31 mei 2010 tot en met 9 mei 2011 op na te noemen plaatsen, in elk geval in Nederland, een gewoonte heeft gemaakt van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich en/of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren, hebbende verdachte, telkens met voormeld oogmerk, de navolgende goederen - op tijd en plaats daarbij vermeld - gekocht, te weten:

- installatiemateriaal, in de periode van 18 oktober 2010 tot en met 18 februari 2011 te [plaats 1] , in de gemeente [gemeente 1] bij de firma [benadeelde 2] en

- een spoelbak, op 31 mei 2010, te [plaats 3] bij [bedrijf 2] , en

- hekwerken, in de periode van 8 januari 2011 tot en met 11 maart 2011, te [plaats 4] in de gemeente [gemeente 2] bij [bedrijf 3] , en

- een grote hoeveelheid lood, op 23 maart 2011, te [gemeente 1] bij [benadeelde 1] , en

- een wasbak en een douchemengkraan en rolletjes lood, op 9 mei 2011, te [plaats 5] bij [bedrijf 4] .

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

een gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich de beschikking over die goederen te verzekeren.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan flessentrekkerij. De toedracht van een en ander is reeds uiteengezet in de hieraan voorafgaande overwegingen omtrent het bewijs.

Het hof rekent het de verdachte aan dat hij door zijn handelwijze het vertrouwen in het handelsverkeer schade heeft toegebracht. De gedupeerden behoren in overwegende mate tot sectoren, waarin veelal zonder (harde) garanties wordt uitgegaan van de goede trouw van bedrijven en individuele consumenten met wie zij zaken doen. Verdachte heeft hier schaamteloos misbruik van gemaakt en op geen enkele wijze rekening gehouden met de materiële schade die hij heeft veroorzaakt. Meerdere aangevers hebben verklaard ontdaan te zijn over verdachtes handelwijze. Zij zeggen hard te moeten werken voor hun geld en zich klanten als verdachte niet te kunnen permitteren.

Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 januari 2018, waaruit blijkt dat er behalve de eerdergenoemde Duitse veroordeling, geen sprake is van soortgelijke veroordelingen.

De politierechter heeft verdachte, zoals gezegd, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en een taakstraf van 180 uur. Het hof acht deze afdoening in beginsel passend en geboden. Er zijn echter twee elementen waarmee thans rekening dient te worden gehouden, te weten de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM en de veroordeling in Duitsland.

Het gaat om in 2010 en 2011 begane feiten. Er zijn geen aanwijsbare redenen waarom het hof eerst in februari 2018 tot een einduitspraak komt. Voor wat betreft het Duitse vonnis kan gezegd worden dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht daarop formeel niet van toepassing is. Het hof acht het echter in de rede liggen dat hiermee rekening wordt gehouden in strafverminderende zin. De beide hiervoor genoemde aspecten dienen naar het oordeel van het hof tezamen te leiden tot een korting op de op te leggen taakstraf van 60 uren. Aan verdachte zal dan ook, naast de eerder genoemde voorwaardelijke gevangenisstraf, een taakstraf worden opgelegd van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedroeg € 5.978,75. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.025,75. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Anders dan de politierechter en de advocaat-generaal in haar vordering is het hof van oordeel dat de kosten van de destijds door de benadeelde partij ingeschakelde deurwaarder teneinde het verschuldigde bedrag te innen zijn aan te merken als vermogens-schade in de zin van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek. Het gaat om incassokosten die in redelijkheid zijn gemaakt en deel uitmaken van de door de benadeelde partij geleden schade. Het hof zal deze schade, naast de kosten van het door verdachte gekochte doch niet betaalde lood, dan ook toewijzen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedroeg € 3.396,72. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen, waardoor deze in hoger beroep opnieuw aan de orde is.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, en 326a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 5.978,75 (vijfduizend negenhonderdachtenzeventig euro en vijfenzeventig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.978,75 (vijfduizend negenhonderdachtenzeventig euro en vijfenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 64 (vierenzestig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op

27 september 2011.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.396,72 (drieduizend driehonderdzesennegentig euro en tweeënzeventig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 21 juli 2011.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.396,72 (drieduizend driehonderdzesennegentig euro en tweeënzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 43 (drieënveertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door

mr. K. Lahuis, voorzitter,

mr. G.A. Versteeg en mr. A. Dijkstra, raadsheren,

in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel, griffier,

en op 20 februari 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.