Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1832

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
26-02-2018
Zaaknummer
200.216.095
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

7:677 BW

Ontslag op staande voet wegens (seksuele) intimidatie van vrouwelijke uitzendkrachten. Verweten gedrag bewezen en voldoende zwaarwegend voor ontslag op staande voet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0271
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.216.095

(zaaknummers rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, 5084817)

beschikking van 20 februari 2018

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek,

hierna: [verzoeker] ,

advocaat: mr. H.K. Jap-A-Joe,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Fruitmasters Veiling B.V.,

gevestigd te Geldermalsen,

verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek,

hierna: Fruitmasters,

advocaat: mr. V.G.G. Bergwerf.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van de tussenbeschikking van 5 oktober 2017 hier over. Bij deze beschikking heeft het hof [verzoeker] toegelaten tot tegenbewijs tegen de stelling van Fruitmasters dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van (seksuele) intimidatie en pogingen om het werken van een aantal Poolse vrouwelijke uitzendkrachten onmogelijk te maken. Op 8 januari 2017 heeft [verzoeker] [getuige van verzoeker] als getuige doen horen. Vervolgens hebben de beide partijen tegelijkertijd geconcludeerd na enquête. Daarop heeft het hof wederom beschikking bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1

De kantonrechter heeft aan Fruitmasters opgedragen feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit blijkt dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van (seksuele) intimidatie en pogingen om het werken van een aantal Poolse vrouwelijke uitzendkrachten onmogelijk te maken. Daarop heeft Fruitmasters een beëdigde vertaling in het geding gebracht van een schriftelijke verklaring van [getuige 1] d.d. 30 maart 2016, een beëdigde vertaling van e-mailcorrespondentie van [getuige 2] d.d. 11 februari 2016, een beëdigde vertaling van een schriftelijke verklaring van [getuige 3] d.d. 26 maart 2016, een beëdigde vertaling van een schriftelijke verklaring van [getuige 4] d.d. 30 maart 2016, een beëdigde vertaling van een schriftelijke verklaring van [getuige 5] d.d. 30 maart 2016, alsmede een kopie van de achterliggende in het Pools gestelde documenten. Verder heeft zij als getuigen doen horen voornoemde [getuige 1] , [getuige 4] en [getuige 5] , alsmede [getuige 6] en [getuige 7] . Voorts zijn in eerste aanleg al in het geding gebracht een brief d.d. 10 oktober 2001 van Fruitmasters aan [verzoeker] betreffende een gesprek op 10 oktober 2001, een brief d.d. 19 oktober 2001 van Fruitmasters aan [verzoeker] betreffende een gesprek op 18 oktober 2001, een gespreksverslag d.d. 16 oktober 2006 van een gesprek met [verzoeker] betreffende een externe klacht, een brief/gespreksverslag d.d. 9 oktober 2012 van Fruitmasters aan [verzoeker] , e-mailcorrespondentie d.d. 28 juni 2013 tussen [getuige 8] en [getuige 9] , beiden werkzaam bij Fruitmasters, een gespreksverslag d.d. 1 juli 2013, eerdere verklaringen van Poolse werkneemsters (productie 11 bij verweerschrift), een schriftelijke verklaring van [getuige 9] d.d. 23 juni 2016 en een schriftelijke verklaring van [getuige 7] d.d. 29 april 2016.

2.2

De getuige [getuige 1] heeft, zakelijk weergegeven, verklaard dat haar zelf geschreven verklaring in het Pools klopt en dat zij daar bij blijft. Zij werd seksueel een geestelijk geïntimideerd door [verzoeker] . [verzoeker] reed tegen haar billen aan met de weegschaal en stelde voor om samen de kerstdagen door te brengen. Het gebeurde elke dag. Verder heeft zij verklaard dat het in het begin wel ging, maar dat het steeds verder ging en toen niet meer leuk was. De getuige denkt dat [verzoeker] expres met de weegschaal tegen haar billen aanreed. Het gebeurde heel vaak. [verzoeker] sprak Nederlands, Engels en Pools door elkaar. De getuige kon uit het woord ‘reet’ opmaken waar het om ging. Ook heeft hij de getuige ooit begroet met ‘hallo lieverd’ in het Pools. De seksuele intimidatie vond plaats totdat de getuige zei dat hij moest ophouden. Daarna begon [verzoeker] , zo verklaart de getuige, haar geestelijk te pesten totdat hij ontslagen werd. Na de kerst ging hij de mensen van de ploeg van de getuige af om te zeggen dat ze haar niet moesten helpen. De druppel die de emmer deed overlopen was op 23 maart 2016, toen [verzoeker] bij de lijn van de getuige kwam kijken omdat hij een persoon van de afdeling controle had gezien, en zei, in een mengelmoesje van talen, waarom de controles altijd bij mij waren, dat ik slecht werk en dat het niet normaal was dat zo’n persoon als ik daar werkte. Dit (over het werk van de getuige) heeft hij ook tegen [getuige 3] ( [getuige 3] , hof) gezegd. Hij zou tegen de baas van de getuige zeggen dat zij ontslagen moest worden omdat zij ongeschikt was voor het werk. Dat heeft [verzoeker] aan [getuige 3] en later aan de getuige gezegd.

De getuige [getuige 4] heeft, zakelijk weergegeven, verklaard dat zij heeft gezien dat [verzoeker] met de weegschaal tegen de billen van [getuige 1] (daarmee doelt zij op [getuige 1] , hof) aanreed. Dat is een paar keer gebeurd in de tijd dat de getuige daar werkte. [verzoeker] zei over haar ( [getuige 1] ) dat ze een mooie vrouw was en riep dat hij de reet in gereden was, of iets in die geest. Het was met opzet, zeer zeker niet per ongeluk. [getuige 1] klaagde bij de getuige over [verzoeker] , dat hij vakantie met haar wilde houden en dat zij zijn opdringerigheid zat was. Toen [getuige 1] had gezegd dat ze zijn gedrag niet meer wenste, maakte [verzoeker] haar het werk onmogelijk. Hij klaagde dat ze slecht werk leverde en is opgehouden haar te helpen. De getuige heeft verklaard dat zij dat zelf heeft waargenomen en dat [getuige 1] ook wel eens bij de getuige kwam huilen, omdat hij de band niet stopte of omdat hij haar niet kwam helpen. Ook deed hij vaak peren van verschillende klassen door elkaar. Dat heeft de getuige zelf ervaren.

De getuige [getuige 5] heeft, zakelijk weergegeven, verklaard dat zij in de periode dat zij bij Fruitmasters werkte één keer seksueel is geïntimideerd en de meeste tijd geestelijk werd geïntimideerd. Op 18 maart 2016 is de getuige seksueel geïntimideerd. [verzoeker] kwam naar haar toe, terwijl zij geen hulp van hem nodig had en is met de weegschaal tegen haar billen aan gereden. [verzoeker] deed dat expres. Zij kon op dat moment het werk zelf aan, dus er was geen reden voor hem om op haar af te komen. Verder heeft de getuige verklaard dat, hoewel [verzoeker] zag dat zij hulp nodig had, hij niet kwam helpen. Als iemand de band stopte om de peren op de band weg te werken, deed hij dit nog geen tien seconden, om daarna de band weer aan te zetten, terwijl de getuige de peren nog niet weggewerkt had. Hij is een paar keer langs gelopen terwijl hij een appel aan het eten was en gooide het klokhuis dan in de bak voor slechte peren. Daarvan kregen ‘wij’ (het hof begrijpt: de werkneemsters) vaak de schuld.

De getuige [getuige 6] heeft onder meer verklaard dat hij er in maart mee geconfronteerd werd dat er bij een medewerkster wat speelde, dat hij met de verantwoordelijke bij Personeelszaken die medewerkster heeft uitgenodigd voor een gesprek en dat deze vertelde dat ze lastig werd gevallen; dat zij met een verrijdbare weegschaal tegen haar billen werd aangereden. Ze heeft ook gezegd dat ze woordelijk werd lastiggevallen.

De getuige [getuige 7] heeft, zakelijk weergegeven, verklaard dat zij blijft bij haar schriftelijke verklaring (productie 20 bij verweerschrift), dat zij weet heeft van eerdere gevallen van seksuele intimidatie bij Fruitmasters. Zij heeft van 2001 tot 2003 bij de perenlijn gewerkt, en toen kwam het voor dat [verzoeker] vrouwen intimideerde en probeerde afspraakjes met hen te maken. Hij is een keer naar de getuige toegekomen met de vraag of zij een meisje kende dat een afspraakje wilde maken voor 500 gulden. De getuige is zelf niet benaderd door Poolse dames met klachten over [verzoeker] .

2.3

Ingevolge de tussenbeschikking van dit hof heeft [verzoeker] de getuige [getuige van verzoeker] (‘ [getuige van verzoeker] ’) doen horen. Deze heeft als volgt verklaard.

Ik heb zestien jaar samengewerkt met [verzoeker] , van 2000 tot 2016. Eerst had ik dezelfde functie als [verzoeker] , namelijk medewerker. [verzoeker] is medewerker gebleven, maar ik ben leidinggevende geworden. Vanaf 2009 was ik leidinggevende zonder papier, ik hielp de leidinggevende. In 2015 ben ik officieel leidinggevende geworden, met papier. Ik heb al die tijd op het pakstation peren gewerkt, daar werk ik nog steeds.

Op het pakstation peren werken ook Poolse werkneemsters, uitzendkrachten. [verzoeker] heeft dezelfde functie als deze Poolse medewerksters.

Ik heb nooit klachten gekregen van vrouwelijke medewerksters over [verzoeker] . Deze medewerksters bespraken nooit klachten met mij, ook niet andere klachten. Als er eens iets was gingen ze daarmee ofwel naar [meewerkend voorman] , die ook meewerkend voorman is, of mij, of naar de tussenpersoon van het uitzendbureau. Mijn taak is het aansturen van de medewerkers, kwaliteitscontrole en zorgen dat de machines goed lopen.

Ik heb nooit gemerkt dat [verzoeker] seksueel getinte opmerkingen maakte tegen vrouwelijke medewerkers. Ook niet dat hij ze mee uit vroeg of mee op vakantie vroeg, of om seks vroeg. Of om bij hem thuis te komen. Ik heb ook nooit gemerkt dat hij woorden als ‘liefje’ gebruikte. Ik heb ook niet gemerkt dat deze medewerkers niet meer met hem wilden samenwerken of niet op één lijn wilden staan met hem. Ik heb ook niet gemerkt dat medewerkers om overplaatsing naar een andere lijn vroegen vanwege [verzoeker] . Ze vroegen soms wel om een andere plaats, maar de reden daarvan was dan dat het werk te druk was of te zwaar.

Ik heb nooit gemerkt dat [verzoeker] met de weegschaal tegen de billen van medewerksters aanreed. De weegschaal loopt langs de band en komt vaak tegen iemand aan. Dat komt veel voor. Je kan met die weegschaal iedereen aanraken. Ik heb bij [verzoeker] daarvan niets speciaals gemerkt. U zegt mij dat werkneemsters hebben verklaard dat [verzoeker] hen heeft gezegd: ‘Ik heb je in de reet gereden.’ Ik wil daar drie dingen over zeggen: Ik heb nooit iets over [verzoeker] gehoord, ik heb nooit een klacht over hem gehoord en met de weegschaal kan het nu eenmaal gebeuren dat je iemand raakt. Ik wist pas wat [verzoeker] was overkomen toen hij geschorst werd, toen hoorde ik daar voor het eerst over.

[verzoeker] had een soort instructietaak voor de uitzendkrachten. Voor de duidelijkheid: De instructie was de verantwoordelijkheid van de leidinggevenden, dus van mij. De vaste medewerkers moeten ons, de leidinggevenden, helpen. De vaste medewerkers leggen dingen uit aan de uitzendkrachten. [verzoeker] praat Nederlands, hij weet de kwaliteit en hij moet dingen uitleggen. Het is niet zo dat hij informatie over de uitzendkrachten aan mij teruggaf, maar als er iets fout ging of als iemand iets fout deed dan kwam hij dat zeggen. Want dan kunnen we de fout nog corrigeren zodat het fruit niet wordt afgekeurd. Niet alleen hij, iedereen deed dat. Als er iets fout ging kwamen de mensen dat aan mij zeggen. Ik doe zelf de controles. Ik controleer op kwaliteit, op gewicht, of er een verkeerd fust tussen zit of rot fruit, of verkeerde klasse (klasse I in klasse II of andersom). Ik controleer iedereen, ook de vaste mensen.

U vraagt mij hoe wij met elkaar spreken op de werkvloer. Wij kennen een paar Poolse woorden die met het werk verband houden, zoals kilo’s, kwaliteit en klasse. Die gebruiken wij.

Ik heb nooit gemerkt dat [verzoeker] klaagde over vrouwelijke medewerksters die tot dan toe goed hadden gewerkt of dat hij onterecht klaagde. Ik heb niets gemerkt van pesterijen van [verzoeker] .

Op vragen van mr. Jap A Joe verklaar ik:

Op uw vraag of er fabriekslawaai is antwoord ik: Soms komt er een fust van de zolder naar beneden en dan is er extra veel lawaai. Als dat niet zo is, dan is het normaal, dan kun je alles horen, ook gesprekken.

We praten onder het werk niet echt samen, als er gepraat wordt gaat het meestal echt over het werk. Wij begrijpen hun niet, en zij begrijpen ons niet. Met hun bedoel ik de Poolse mensen. Sommige Poolse mensen praten een klein beetje Nederlands, maar anderen niet. Als de mensen een klein beetje Nederlands praten dan hebben we gesprekjes als ‘Hoe was de vakantie?’ en dat soort dingen.

Op vragen van mr. Bergwerf verklaar ik:

Op uw vraag of ik bevriend ben met [verzoeker] antwoord ik dat hij een collega is, geen vriend. Wij zagen elkaar soms buiten het werk. U zegt mij dat andere getuigen hebben verklaard dat ik een zeer goede relatie met [verzoeker] had. Nee, wij zien elkaar gewoon als collega’s. Alleen zijn wij allebei Marokkaans en praten wij soms in het Marokkaans met elkaar en dan lijkt het misschien alsof wij heel goed bevriend zijn. Wij zijn ook al lang elkaars collega’s, al zestien jaar.

Ik werk in twee ploegen, de ochtend- en middagdienst. [verzoeker] werkt altijd in de ochtendploeg. Ik heb de ene week ochtenddienst en de andere week middagdienst. Als ik middagdienst heb dan werk ik niet met [verzoeker] samen. [meewerkend voorman] zit met mij in de ploeg en heeft hetzelfde rooster als ik.

Ook [verzoeker] kent wat Poolse woorden, zoals de woorden voor klasse of zoiets als ‘Hoe was het weekend?’. Het is logisch dat wij een beetje met de Poolse medewerkers spraken. Wij praten gewoon met elkaar, je hoort ook bij elkaar. Taal was geen probleem.

In februari 2016 was ik aan het werk. U vraagt of ik in die maand Tijd voor Tijd-verlof had. Nee.

Ik heb in de afgelopen weken geen contact gehad met [verzoeker] . Ook niet met zijn familie of advocaat. Ik heb alleen een brief gekregen dat ik hier moest komen.

U vraagt hoe zwaar een weegschaal is. Niet zwaar, hij beweegt gewoon.

Op een aanvullende vraag van de raadsheer-commissaris:

U vertelt mij dat vrouwen ook hebben geklaagd dat [verzoeker] de peren verkeerd sorteerde. Daar weet ik niets van. [verzoeker] lette juist zelf op de kwaliteit, dat was een verplichting vanuit de leidinggevenden. Er zijn ook andere mensen (vaste krachten) die op de kwaliteit letten, die op de werkvloer rondlopen. Maar als dat niet lukt dan vallen ze terug op de leidinggevenden.

Op een aanvullende vraag van mr. Jap A Joe:

U vraagt nogmaals naar de manier waarop wij met de Poolse mensen praatten. Dat was niet in het Pools. Vragen als ‘Hoe was het weekend?’ stelden wij in het Nederlands aan de Poolse mensen die een beetje Nederlands kenden.

U vraagt mij of ik kan zeggen, als u namen noemt, of de betreffende mensen een beetje Nederlands kenden. Dit was 2016, sindsdien heb ik duizenden mensen gezien. Ik weet niet of ik mij dat kan herinneren.

Op een aanvullende vraag van mr. Bergwerf:

In 2016 liepen er op de werkvloer, op het pakstation peren, gemiddeld tussen de 18 en 22 mensen rond. Je kan de mensen zien, maar niet alles. Als [verzoeker] aan het werk was kon ik hem zien, hij loopt achter de medewerkers om te helpen, bijvoorbeeld als een lijn vol is. Hij heeft geen vaste plek.

Na het ontslag heb ik nog contact gehad met [verzoeker] . Niet heel vaak. Als ik hem zag heb ik ook met hem over deze rechtszaak gesproken. Dat is logisch, hij is na zestien jaar tenslotte ontslagen.

Dat er verschillende nationaliteiten samenwerkten, was in het werk geen probleem. Ook niet met de taal.

Op een aanvullende vraag van mr. Bergwerf:

U houdt mij voor dat [verzoeker] in het verleden al een paar waarschuwingen van Fruitmasters had gekregen vanwege intimidatie. Daar wist ik niets van. Ik heb één keer iets gehoord, toen was [getuige 9] er nog. Er was een meisje bij [getuige 9] komen klagen. [getuige 9] kwam mij vragen of ik iets had gezien en ik heb gezegd dat ik niets had gezien. Dat meisje kwam van de appelafdeling naar de perenafdeling en zij stond toen bij band 11. Het was druk bij die band. [verzoeker] was bij die band fusten aan het stickeren maar ook hij had het toen druk. Later zag ik dat meisje huilen en voor de rest weet ik niets. Ik weet niet meer wanneer dit was.

2.4

Met zijn eerste beroepsgrond richt [verzoeker] zich tegen de bewijswaardering van de kantonrechter. Het hof waardeert dat bewijs als volgt. Het hof acht, met de kantonrechter, met de onder 2.1 en 2.2 genoemde verklaringen bewezen dat [verzoeker] met opzet met een verrijdbare weegschaal tegen de billen van de betrokken uitzendkrachten [getuige 1] en [getuige 5] is aangereden, waarbij hij jegens [getuige 1] heeft verklaard ‘ik heb je in de reet gereden’, of woorden van gelijke strekking. Aan de verklaringen van de getuigen dat dit met opzet gebeurde, kan wel degelijk geloof worden gehecht en dat geloof hecht het hof er ook aan. Zelfs al zou het zo zijn dat het druk is bij de diverse lijnen en dat het voorkomt dat een medewerker per ongeluk met de weegschaal tegen een ander aan rijdt, dan nog neemt dat niet weg dat het wel degelijk mogelijk is waar te nemen of zoiets, anders dan wellicht op andere momenten, opzettelijk gebeurt. De waarneming dat het opzettelijk gebeurde, strookt bovendien met de niet passende opmerking ‘ik heb je in de reet gereden’. Of [verzoeker] op 18 maart 2016 tegen de billen van [getuige 5] is aangereden of op een andere datum, acht het hof niet zo relevant. Zelfs als die datum onjuist zou zijn, zou dat nog geen doorslaggevende afbreuk doen aan de verklaring van [getuige 5] . Verder acht het hof ook bewezen dat [verzoeker] [getuige 1] tot rond de kerst 2015 benaderde met teksten als ‘hoi liefje’ in het Pools, voorstellen om samen de kerst door te brengen, uit te gaan etc. Dat [verzoeker] met de werkneemsters in een mengelmoes van Pools, Nederlands en Engels kon communiceren, acht het hof ook bewezen. [verzoeker] heeft bij zijn inleidend verzoekschrift ook gesteld (onder 11) dat het evident is dat hij met de Poolse medewerkers praat en dat hij zakelijk met ze communiceert. Ten slotte acht het hof óók bewezen dat [verzoeker] , nadat [getuige 1] te kennen had gegeven dat hij daar mee moest stoppen, daar weliswaar mee stopte, maar haar op andere wijze dwars ging zitten, namelijk door niet (goed) te helpen, door de band weer te snel aan te zetten als er te veel peren op lagen, door het te doen voorkomen dat de betrokken werkneemster haar werk niet goed deed en door over haar te klagen. Uit de getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 5] en [getuige 4] wordt voorts duidelijk dat [verzoeker] ten onrechte klaagde over het slechte werken van de getuigen [getuige 1] en [getuige 5] in de context van het ‘dwars zitten’ van deze getuigen. Deze getuigenverklaringen worden ondersteund door de schriftelijke verklaring van [getuige 7] , waar zij onder ede bij is gebleven.

2.5

Deze verklaringen worden door de verklaring van de getuige [getuige van verzoeker] niet afdoende ontzenuwd. [getuige van verzoeker] heeft verklaard dat hij nooit klachten heeft gekregen van Poolse medewerksters over [verzoeker] . Hij heeft ook nooit gemerkt dat [verzoeker] seksueel getinte opmerkingen maakte tegen vrouwelijke medewerkers, dat hij met de weegschaal tegen de billen van medewerksters reed of dat sprake was van pesterijen van [verzoeker] . Deze verklaring is echter niet per se strijdig met de verklaring van de voornoemde Poolse medewerksters. De verklaring houdt in wezen niet meer in dan dat [getuige van verzoeker] niets heeft gemerkt van seksueel getinte opmerkingen of intimidatie van [verzoeker] . Dat wil echter niet zeggen dat daarvan geen sprake is geweest. Dergelijke dingen doen zich veelal niet pal onder de ogen van de leidinggevende voor, terwijl de roosters van [verzoeker] en [getuige van verzoeker] vaak niet samen vielen. Uit de verklaring van [getuige van verzoeker] blijkt overigens wel dat er op de werkvloer wel degelijk tot op zekere hoogte communicatie mogelijk was. De getuige heeft verklaard dat [verzoeker] Nederlands spreekt en dat als de Poolse mensen een klein beetje Nederlands spreken, er gesprekjes mogelijk zijn over bijvoorbeeld de vakantie. Verder kent de getuige enkele werkgerelateerde Poolse woorden. Dat er mensen met verschillende nationaliteiten werken is in het werk geen probleem, ook niet met taal, volgens deze getuige. Ten slotte heeft de getuige nog verklaard dat in het verleden [getuige 9] ( [getuige 9] , hof) bij hem was gekomen om naar aanleiding van een klacht van een meisje te vragen of de getuige iets had gezien. De getuige had gezien dat het meisje bij band 11 stond, dat [verzoeker] bij die band fusten aan het stickeren was en dat het druk was. Verder had hij niets gezien, behalve dan dat hij later het meisje had zien huilen. Deze verklaring biedt wel enige steun aan de schriftelijke verklaring van [getuige 9] .

2.6

Dit bewezen gedrag moet, zoals ook de kantonrechter heeft gedaan, worden beschouwd als intimidatie, waaronder seksuele intimidatie. Dat betekent dat grief 1 faalt. De eerste beroepsgrond gaat dus niet op.

2.7

Met zijn tweede beroepsgrond betoogt [verzoeker] dat het bewezen gedrag in de omstandigheden van dit geval, waaronder zijn persoonlijke omstandigheden, onvoldoende zwaarwegend is voor een ontslag op staande voet.

2.8

Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW is ieder der partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag òf van zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats in de beschouwing te worden betrokken de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Maar ook indien deze gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.

2.9

Het hof acht de bewezen gedragingen voldoende zwaarwegend voor ontslag op staande voet. Er is sprake van intimidatie van Poolse uitzendkrachten, die veel jonger waren dan [verzoeker] , en jegens wie [verzoeker] feitelijk (ook al was hij formeel niet hun leidinggevende) in zekere mate leidinggevend kon optreden, doordat hij hun, als vaste kracht, aanwijzingen kon geven. De intimidatie bestond deels uit ongepaste voorstellen (uitnodiging samen de kerstdagen door te brengen, samen met vakantie te gaan), deels uit fysieke aanraking (botsing tegen de billen met de weegschaal) met ongepaste opmerkingen (‘ik heb je in de reet gereden’) en deels uit intimidatie anderszins, bestaande uit het dwarsbomen van de betrokken uitzendkrachten. Het hof oordeelt de incidenten in samenhang genomen zodanig van karakter dat een intimiderende en onveilige omgeving voor de betrokken uitzendkrachten ontstond.

Dat is ongeoorloofd en bovendien uitdrukkelijk in strijd met de gedragsnormen van Fruitmasters, waarmee [verzoeker] bekend was. Verder blijkt uit de overige, schriftelijke, stukken dat [verzoeker] op 10 oktober 2001 een schriftelijke waarschuwing heeft gekregen voor het intimideren van een vrouwelijke medewerkster, dat [verzoeker] op 19 oktober 2001 een schriftelijke waarschuwing heeft gekregen voor het vertonen van ongepast gedrag ten opzichte van collega’s en leidinggevenden, dat [verzoeker] op 16 oktober 2006 is aangesproken op het intimideren van een externe persoon, dat [verzoeker] op 9 oktober 2012 is aangesproken op beschuldigingen van seksuele intimidatie van een Poolse uitzendkracht, welke beschuldigingen Fruitmasters overigens niet heeft kunnen verifiëren en dat [verzoeker] op 28 juni 2013 is aangesproken op het (seksueel) intimideren van een Poolse uitzendkracht. Hoewel de incidenten van 2001 en 2006 te oud zijn om nog mee te wegen bij het ontslag op staande voet, blijkt daaruit wel dat [verzoeker] gewaarschuwd was. Dat er desondanks in 2012, 2013 en ten slotte in 2016 wederom gelijksoortige klachten kwamen, betekent dat Fruitmasters in 2016 zich terecht op het standpunt kon stellen dat er sprake was van de druppel die de emmer doet overlopen. [verzoeker] heeft weliswaar een lang dienstverband gehad bij Fruitmasters, maar hij heeft gedurende dat dienstverband meerdere waarschuwingen gekregen voor juist dit gedrag. Het hof komt, alles afwegend, waaronder de inderdaad ernstige gevolgen van het ontslag voor [verzoeker] en diens persoonlijke omstandigheden, tot de conclusie dat van Fruitmasters niet kon worden gevergd dat zij dienstverband zou voortzetten. Dat betekent dat ook de tweede beroepsgrond faalt.

2.10

Aangezien het principaal hoger beroep faalt, is de voorwaarde waaronder het incidenteel hoger beroep is ingesteld, niet vervuld. Dat behoeft dus geen behandeling.

2.11

Het hof zal het principaal hoger beroep verwerpen. Het hof zal [verzoeker] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in het hoger beroep aan de zijde van Fruitmasters zullen worden vastgesteld op € 716,00 voor griffierecht en op € 2.682,00 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (3 punten, € 894,00 per punt). De gevorderde wettelijke rente daarover en de nakosten zijn niet bestreden en zullen worden toegewezen.

3 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

in het principaal hoger beroep

verwerpt het hoger beroep;

in het incidenteel hoger beroep

verstaat dat de voorwaarde waaronder dit hoger beroep is ingesteld, niet is vervuld;

in het principaal en incidenteel hoger beroep

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van dit hoger beroep, tot aan deze beschikking aan de zijde van Fruitmasters vastgesteld op € 716,00 voor griffierecht en op € 2.682,00 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de veertiende dag na de dagtekening van deze beschikking;

veroordeelt [verzoeker] in de nakosten, begroot op € 131,00, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,-- in geval [verzoeker] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart deze beschikking, voor zover het de hierin vermelde kostenveroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E.B. ter Heide, A.E.F. Hillen en O.E. Mulder en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2018.