Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1831

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
200.231.011/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging gesloten Jeugdhulp. Voorwaardelijke machtiging niet toereikend, nu minderjarige niet alleen voor zichzelf, maar ook voor anderen een gevaar vormt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.231.011/01

(zaaknummers rechtbank Overijssel C/08/210634 / JE RK 17-2029 en C/08/211047 / JE RK 17-2098)

beschikking van 22 februari 2018

inzake

[verzoeker] ,

verblijvende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoeker] ,

advocaat: mr. E. Uijt de boogaardt te Lelystad,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenwijkerland,

zetelend te Steenwijk,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: het college.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [de moeder] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de moeder,

2 [de vader] ,

wonende te [C] ,

verder te noemen: de vader.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 8 december 2017, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 9 januari 2018;

- het verweerschrift van het college;

- een journaalbericht van 2 februari 2018 van mr. Uijt de boogaardt met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 7 februari 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- [verzoeker] , bijgestaan door zijn advocaat;

- namens het college: de heer [D] en mevrouw [E] (beiden jeugdconsulent);

- de moeder;

- namens de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad): de heer [F] .

3 De feiten

3.1

Uit het inmiddels ontbonden huwelijk van de vader en de moeder is [in] 2000 geboren de verzoeker in hoger beroep [verzoeker] . De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [verzoeker] .

3.2

Het college heeft ingevolge artikel 6.1.2 lid 5 Jeugdwet (Jw) op 22 november 2017 bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is. Een gekwalificeerde gedragswetenschapper die [verzoeker] met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht, heeft ingestemd met het verzoek.

3.3

Bij beschikking van 1 december 2017 heeft de kinderrechter met ingang van
1 december 2017 een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp betreffende [verzoeker] verleend voor de duur van twee weken.

3.4

Bij de bestreden beschikking, die van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad is, heeft de kinderrechter een machtiging gesloten jeugdhulp betreffende [verzoeker] verleend met ingang van 8 december 2017 tot uiterlijk 8 juni 2018.

4 De omvang van het geschil

4.1

[verzoeker] is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Met zijn eerste grief komt [verzoeker] op tegen het oordeel van de kinderrechter dat gesloten jeugdhulp voor hem noodzakelijk is. In zijn tweede grief stelt [verzoeker] de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper ter discussie. [verzoeker] verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het inleidend verzoek af te wijzen.

4.2

Het college heeft verweer gevoerd en het hof verzocht het hoger beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 6.1.1 lid 2 Jw is [verzoeker] ontvankelijk in zijn hoger beroep.

5.2

Namens [verzoeker] is ter zitting de tweede grief ingetrokken. Het hof zal deze grief daarom niet bespreken.

5.3

Ingevolge artikel 6.1.2 lid 1 Jw kan de kinderrechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Een machtiging kan ingevolge artikel 6.1.2 lid 2 Jw slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren en de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

5.4

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting komt naar voren dat [verzoeker] een belast verleden heeft, waarbij jarenlang veel verschillende vormen van hulpverlening in de thuissituatie zijn ingezet en hij op diverse plekken in zijn netwerk heeft verbleven. Uit het verslag van [G] d.d. 8 november 2017, waar [verzoeker] sinds maart 2017 verbleef, komt naar voren dat tijdens het verblijf van [verzoeker] bij [G] sprake is geweest van een fors toenemend soft- en harddrugsgebruik en dat door hem criminele activiteiten werden ondernomen (diefstal en inbraak). Er is in deze periode een opeenstapeling van incidenten geweest, waarbij [verzoeker] veelvuldig verbaal agressief is geweest richting de begeleiding en dreigementen naar hen heeft geuit en sprake is geweest van diverse overplaatsingen. Ook lukte het [verzoeker] niet om naar school te gaan en hield hij zich in de groepen waar hij verbleef niet aan de regels en afspraken. Dit leidde tot een onhoudbare situatie, waarbij niet alleen de zorg voor [verzoeker] , maar ook de zorg voor de andere jongeren die bij [G] verbleven in het geding kwam.

5.5

[verzoeker] is op 1 december 2017 op basis van een spoedmachtiging gesloten geplaatst in groep [H] bij [I] in [A] . Vast staat dat alle betrokkenen het erover eens zijn dat [verzoeker] sinds zijn plaatsing bij [I] op veel gebieden een gunstige ontwikkeling heeft laten zien. Zo is [verzoeker] sindsdien niet meer positief getest op drugs en doet hij mee aan het aanbevolen dagprogramma. Ook hebben zich geen agressie-incidenten meer voorgedaan en heeft [verzoeker] de vrijheden die hij van de instelling heeft gekregen op goede wijze benut.

5.6

[verzoeker] verschilt echter met het college van mening over de vraag of de behandeling die hij thans bij [I] krijgt ook vanuit een open setting plaats kan vinden. [verzoeker] stelt zich op het standpunt dat hij kan worden overgeplaatst naar een open groep, waarbij een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp als stok achter de deur kan dienen. [verzoeker] voert hiertoe aan dat hij inmiddels geen drugs meer gebruikt, terwijl dit drugsgebruik volgens hem de voornaamste oorzaak is geweest van zijn agressie. Overplaatsing naar een open setting is volgens [verzoeker] bovendien noodzakelijk om in te kunnen stromen op de opleiding die hij wenst te volgen aan [J] MBO in [K] (Assistent Zorg en Dienstverlening). Bij [I] wordt volgens [verzoeker] geen hem passend onderwijs aangeboden.

5.7

Het hof is met het college en de raad van oordeel dat er op dit moment nog geen sprake kan zijn van het overplaatsen van [verzoeker] naar een open setting. Het hof neemt bij dit oordeel in aanmerking dat bij [verzoeker] al jarenlang sprake is van een zeer ernstige problematiek, waarbij hij niet alleen voor zichzelf, maar ook voor anderen een gevaar vormt.
stelt dat zijn drugsgebruik de voornaamste oorzaak is geweest van zijn agressie, maar uit het rapport van [L] van 28 juli 2011 komt naar voren dat ook in 2011, toen [verzoeker] nog maar 10 jaar oud was en nog geen drugs gebruikte, zeer agressief gedrag bij [verzoeker] werd gezien. Eén van de conclusies uit dat rapport is dat bij [verzoeker] sprake was van emotieregulatieproblematiek met heftige stemmingswisselingen en een gebrekkige realiteitstoetsing. [verzoeker] is laatstelijk op 4 oktober 2017 opnieuw onderzocht door Therapeutisch Centrum GGZ, en gediagnosticeerd met een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met een narcistische en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. De behandelaar van [verzoeker] bij [I] heeft naar voren gebracht dat deze stoornis in de groep ook duidelijk terug wordt gezien in [verzoeker] ' gedrag. Het hof acht het gelet op het vorenstaande aannemelijk dat de agressieproblematiek van [verzoeker] niet uitsluitend is veroorzaakt door zijn drugsgebruik, maar zijn oorzaak ook vindt in zijn persoonlijkheid. Dat [verzoeker] inmiddels geen drugs meer zou gebruiken, maakt daarom niet dat de gesloten plaatsing kan worden beëindigd. Los daarvan acht het hof de positieve ontwikkeling, in het licht van het gegeven dat [verzoeker] stelt al vanaf zijn veertiende jaar softdrugs (en later ook harddrugs) te hebben gebruikt, te pril om daaraan in dit stadium enig gevolg te verbinden. Het hof acht het evenals de raad van belang dat de resterende duur van de gesloten plaatsing wordt benut om verder te werken aan [verzoeker] ' onderliggende problematiek. Een open setting is daarvoor naar het oordeel van het hof niet de geëigende plek. [verzoeker] stelt weliswaar dat hij in een open setting niet terug zal vallen in zijn oude gedrag, maar het hof is met de raad van oordeel dat [verzoeker] , mede gelet op de bij hem gediagnosticeerde problematiek, onvoldoende in staat is om te kunnen overzien hoe hij zich een open setting zal gedragen. Ook de begeleider van [verzoeker] bij [I] is van mening dat [verzoeker] regie nodig heeft om geleidelijk te groeien in zijn mogelijkheden, vrijheden, verantwoordelijkheden en toekomstperspectief. Gelet op het jarenlange patroon van zeer agressief en zelfbepalend gedrag, acht het hof het risico op terugval te groot indien [verzoeker] nu in een open groep zou worden geplaatst. Dat risico kan naar het oordeel van het hof niet worden ondervangen door het verlenen van een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdzorg, nu [verzoeker] niet alleen voor zichzelf, maar ook voor anderen een gevaar vormt. De voorwaarden die het hof aan een dergelijke machtiging zou moeten stellen, zijn door [verzoeker] bovendien niet nader geconcretiseerd. Dat [verzoeker] bij voortzetting van zijn verblijf in een gesloten groep verstoken zal blijven van goed onderwijs, acht het hof niet aannemelijk. Indien de interne school [verzoeker] te weinig uitdaging biedt, zoals hij stelt, ligt het op zijn weg om met zijn perspectiefbegeleider de mogelijkheden van extern onderwijs te bespreken. [verzoeker] heeft verder nog naar voren gebracht dat als hij gesloten blijft geplaatst, de overgang naar zelfstandigheid te groot zal zijn als hij de meerderjarige leeftijd bereikt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is echter gebleken dat aan [verzoeker] ook nu al een aantal vrijheden wordt geboden, zoals het logeren bij zijn ouders, en dat deze vrijheden, indien mogelijk, steeds meer zullen worden uitgebreid. De perspectiefbegeleider van [verzoeker] kijkt en denkt met hem mee welke vervolgplaats passend zou kunnen zijn na zijn verblijf bij [I] . Daarmee wordt naar het oordeel van het hof voldoende gewerkt aan een geleidelijke overgang naar zelfstandigheid. Het is nu aan [verzoeker] zelf om de kansen die hem worden geboden optimaal te benutten en in zijn gedrag en houding te (blijven) laten zien dat sprake is van een bestendige positieve ontwikkeling en dat hij (op termijn) toe kan groeien naar zelfstandigheid.

5.8

Het hof is op grond van al het vorenstaande van oordeel dat bij [verzoeker] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf in gesloten jeugdzorg noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [verzoeker] zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen.

6 De beslissing


Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 8 december 2017.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, M.P. den Hollander en
A.W. Jongbloed, bijgestaan door mr. L.S. Veldmans als griffier, en is op 22 februari 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.