Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1822

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
28-02-2018
Zaaknummer
200.220.856/01 en 200.220.859/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek gezamenlijk gezag moeder en oma; gezagsbeëindiging moeder. Onvoldoende om te spreken van gezamenlijke zorg op grond van artikel 1:253t BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0069
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.220.856/01 en 200.220.859/01

(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland C/17/152728/FA RK 17-18 en C/17/153991 FA RK 17/374)

beschikking van 20 februari 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.F.P. Scheele te Rotterdam,

en

raad voor de kinderbescherming,

regio Noord-Nederland, locatie Leeuwarden,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verder te noemen: de GI,

[de oma] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de oma,

advocaat: mr. M. Erkens te ’s-Gravenhage.

Als informant is aangemerkt:

[de vader] ,
wonende te [C] ,

verder te noemen: de vader.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 26 april 2017, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.220.856/01

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 26 juli 2017;

- het proces-verbaal, ingekomen op 31 augustus 2017;

- het verweerschrift met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Scheele van 20 november 2017 met productie(s).

In de zaak met zaaknummer 200.220.859/01

2.2

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 26 juli 2017;

- een brief van de raad van 11 augustus 2017;

- een faxbericht van de GI, ingekomen op 21 november 2017.

In beide zaken

2.3

Op 22 januari 2018 zijn [de minderjarige1] (verder te noemen: [de minderjarige1] ), geboren [in]

2000 en [de minderjarige2] (verder te noemen: [de minderjarige2] ), geboren [in]

2002, verschenen, die buiten aanwezigheid van partijen door het hof zijn gehoord.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 22 januari 2018 plaatsgevonden. De moeder en de oma zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad is de heer [D] verschenen. Namens de GI is verschenen mevrouw [E] . Mr. Scheele en mr. Erkens hebben het woord mede gevoerd aan de hand van de door hen overgelegde pleitaantekeningen.

3 De feiten

In beide zaken

3.1

De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] voornoemd.

3.2

De kinderen staan sinds 2011 onder toezicht. De ondertoezichtstelling is jaarlijks verlengd, laatstelijk tot 2 augustus 2017.

3.3

[de minderjarige2] en [de minderjarige1] zijn in 2011 tijdelijk bij oma moederszijde geplaatst, waarna ze in april 2012 met een machtiging van de kinderrechter uit huis zijn geplaatst bij oma moederszijde.

3.4

Begin januari 2018 zijn [de minderjarige2] en [de minderjarige1] overgeplaatst naar een meeleefgezin. Hier verblijven ze tot op heden.

4 De omvang van het geschil

In de zaak met zaaknummer 200.220.856/01

4.1

Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking (C/17/152728/FA RK 17-18) heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, het gezag van de moeder over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] beëindigd en de GI tot voogd benoemd.

4.2

De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De eerste grief ziet op de beëindiging van het gezag van de moeder over haar beide dochters. De tweede grief ziet op het zelfstandig verzoek omtrent -zo begrijpt het hof- de voogdij over de kinderen bij de oma. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad om het gezag van de moeder te beëindigen alsnog af te wijzen dan wel de oma met -zo begrijpt het hof- de voogdij over de minderjarigen te belasten.

4.3

De raad voert verweer en verzoekt om het hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

In de zaak met zaaknummer 200.220.859/01

4.4

Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking (C/17/153991 FA RK 17/374) heeft de rechtbank het verzoek van de moeder en de oma tot gezamenlijke uitoefening van het gezag afgewezen onder verwijzing naar de beschikking van de rechtbank in de zaak met zaaknummer C/17/152728 FA RK 17-18.

4.5

De moeder is met ongenummerde grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder doet tevens een zelfstandig verzoek. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de moeder en de oma toe te wijzen dan wel voor nog verder te oordelen over de zaak, de raad ex artikel 810a Rv een verder onderzoek te gelasten inzake de mogelijkheden van gezamenlijk gezag van de moeder en de oma en of dit in het belang is of kan zijn voor beide kinderen.

5 De motivering van de beslissing

In beide zaken

Het verzoek tot gezamenlijk gezag

5.1

Ingevolge artikel 1:253t eerste lid van het burgerlijk wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank, indien het gezag over een kind bij één ouder berust, op een gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten. Wanneer het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een ander dan de ouder wordt het verzoek slechts toegewezen indien (lid 2):

a. de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad; en

b. de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest.

Het verzoek wordt afgewezen indien, mede in het licht van de belangen van een andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd (lid 3).

5.2

Ingevolge dit artikel moet in de onderhavige zaak worden getoetst of de moeder en de oma op de dag van de indiening van het verzoek gezamenlijk de zorg voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben gehad gedurende een aaneengesloten periode van ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek. Het hof is van oordeel dat de wijze waarop partijen samen invulling hebben gegeven aan de verzorging niet overeenkomt met de bedoeling van de wettelijke bepaling. De meisjes verbleven in de betreffende periode bij de oma. Eén keer in de veertien dagen waren de meisjes in het kader van een omgangsregeling bij de moeder. Ook in de vakanties verbleven de meisjes enkele dagen bij de moeder. Enkel het gegeven dat de moeder een (betrekkelijk) ruime omgangsregeling had met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , dat de oma en de moeder samen naar ouderdagen gingen en de oma de moeder overal bij betrok is naar het oordeel van het hof onvoldoende om te spreken van gezamenlijke zorg. Het hof zal het verzoek van de moeder om te bepalen dat de oma samen met de moeder zal worden belast met het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dan ook afwijzen.

Het gezag van de moeder

5.3

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.4

Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

5.5

Het blijk geven van duurzame bereidheid van de ouder om de kinderen in het pleeggezin waar ze verblijven te laten opgroeien dient in de beoordeling te worden betrokken, maar staat – gelet op het belang van het kind bij stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie – niet (zonder meer) in de weg aan beëindiging van het gezag.

5.6

Het hof is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten van artikel 1:266 BW is voldaan en overweegt daartoe als volgt. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben een zeer belaste voorgeschiedenis en hebben daarom extra behoefte aan een gestructureerde, stabiele, duidelijke en veilige opvoedingssituatie. Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen blijkt dat de moeder niet beschikt over de opvoedingsvaardigheden die hierbij aansluiten. De moeder heeft onvoldoende pedagogische vaardigheden, ontkent en/of bagatelliseert de zorgen, is onmachtig om tegemoet te komen aan de behoeften van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] als het gaat om de duidelijkheid en structuur die ze zo hard nodig hebben en neemt hierdoor beslissingen die niet in het belang van de kinderen zijn. De moeder toont niet genoeg zelfreflectie en probleeminzicht waardoor ze onvoldoende heeft geprofiteerd van de aangeboden hulp om haar opvoedingsvaardigheden te verbeteren. Daarnaast acht het hof het niet in het belang van de kinderen dat de moeder blijft aangeven (zo ook in het beroepschrift) dat zij de wens heeft om de kinderen alsnog bij haar te laten opgroeien. Hierdoor belast zij de kinderen, nu 17 en 15 jaar oud, waardoor ze ernstig in hun ontwikkeling (naar volwassenheid) worden bedreigd. Gelet op de kwetsbaarheid van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is het juist van belang dat er duidelijkheid is over hun opvoedingsperspectief.

Op grond van vorenstaande is het hof van oordeel dat de aanvaardbare termijn als bedoeld in artikel 1:266 BW inmiddels is verstreken en het in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is om de stabiliteit en continuïteit in hun opvoedingssituatie te waarborgen door het gezag van de moeder te beëindigen.

5.7

Alhoewel de moeder stelt dat de gezagsbeëindiging in strijd is met artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK, is het hof -onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 5.4 is overwogen- van oordeel dat de gezagsbeëindiging weliswaar een inbreuk vormt op het door artikel 8 EVRM beschermde gezinsleven en/of privéleven tussen de kinderen en de moeder, maar dat gezagsbeëindiging in bijzondere gevallen en bij wet gerechtvaardigd is, hetgeen in de onderhavige zaak het geval is.

Het verzoek om de oma te belasten met de voogdij

5.8

Voor zover de moeder heeft verzocht de oma te belasten met de voogdij over de kinderen overweegt het hof als volgt. Het hof is van oordeel dat het niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is om de oma met de voogdij te belasten. Uit het rapport van de raad (van 29 december 2016) is gebleken dat er zorgen bestaan over de pedagogische vaardigheden van de oma en dat de oma onvoldoende in staat is om aan te sluiten bij wat de kinderen nodig hebben. Beide kinderen hebben belang bij extra hulpverlening en zorg en het is voor de ontwikkeling van de kinderen dan ook noodzakelijk om de juiste hulpverlening te ontvangen. Ter zitting is het hof gebleken dat de oma niet alle hulpverlening accepteert die de GI nodig acht, maar enkel de hulpverlening die ze zelf nodig acht. Zo is er tijdens de zomer van 2016 Intensieve Orthopedagogische Gezinsbehandeling (IOG) ingezet welke na drie maanden is beëindigd daar de oma de zorgen onvoldoende deelde en zij niet altijd voldoende medewerking toonde. De oma handelt daarmee niet altijd in het belang van de kinderen. Het hof is naar aanleiding van vorenstaande van oordeel dat de GI belast moet blijven met de voogdij over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .

Zelfstandig verzoek ex artikel 810a Rv

5.9

Het hof komt niet toe aan het (subsidiaire) verzoek van de moeder een verder onderzoek te gelasten inzake de mogelijkheden van gezamenlijk gezag van de moeder en de oma. Zoals het hof in 5.2 heeft overwogen is het op grond van artikel 1:253t lid 2 BW niet mogelijk om de moeder en de oma gezamenlijk met het gezag te belasten daar er geen sprake is geweest van gezamenlijke zorg over de kinderen in de periode voorafgaand aan indiening van het verzoek.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikkingen te bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

In beide zaken

bekrachtigt de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden zaaknummers C/17/152728/FA RK 17-18 en C/17/153991/FA RK 17/374, van

26 april 2017;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.A.F. Holtvluwer-Veenstra, I.A. Vermeulen en

M. Weissink, bijgestaan door mr. I.G. Vos als griffier, en is op 20 februari 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.