Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:176

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-01-2018
Datum publicatie
05-02-2018
Zaaknummer
WAHV 200.187.310
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De gemachtigde is niet geschaad door het in strijd met artikel 6:17 Awb niet aan hem, maar aan de betrokkene toezenden van de brief herstel verzuim. Uit het schrijven van de gemachtigde blijkt immers dat hij door tussenkomst van de betrokkene kennis heeft genomen van de brief herstel verzuim. De beslissing van de kantonrechter tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.187.310

8 januari 2017

CJIB 184991408

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland

van 3 februari 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

  1. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep primair aan dat de gronden van het administratief beroep per fax op 11 november 2014 - naar het hof begrijpt op
    11 december 2014 - zijn verzonden. Bij het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie bevindt zich een afschrift van de brief van 11 december 2014. Subsidiair stelt de gemachtigde dat de door de officier van justitie verzonden brief betreffende het ontbreken van de gronden in het beroepschrift niet is ontvangen, zodat geen gelegenheid is geboden om dit verzuim te herstellen.

  2. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat de stukken van het dossier niets inhouden waaruit blijkt dat de brief van de gemachtigde van 11 december 2014 met daarin de gronden van het beroep tegen de inleidende beschikking daadwerkelijk door de CVOM is ontvangen en dat het overleggen van een afschrift van de beweerdelijk verzonden brief onvoldoende is om aan te nemen dat de verzending daarvan (tijdig) heeft plaatsgevonden. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat de gronden van het beroep niet door de officier van justitie zijn ontvangen.

  3. In het dossier bevindt zich een aan de betrokkene gerichte brief van de officier van justitie van 5 december 2014, waarin de betrokkene de gelegenheid wordt geboden het verzuim van het ontbreken van gronden te herstellen.

  4. Het hof constateert dat de gemachtigde van de betrokkene in de brief van

11 december 2014 erkent kennis te hebben genomen van de verzuimbrief van de officier van justitie van 5 december 2014. Het verweer van de gemachtigde, dat niet de gelegenheid is geboden om het verzuim van het ontbreken van gronden te herstellen, wordt dan ook verworpen. Dat de verzuimbrief niet naar de gemachtigde maar naar de betrokkene is verzonden, leidt niet tot een ander oordeel.

Aan de gemachtigde moet worden toegegeven dat de verzuimbrief op grond van artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht - in ieder geval - naar hem als gemachtigde had moeten worden verstuurd. Nu hij echter via zijn cliënt alsnog kennis heeft genomen van de herstelverzuimbrief en hiermee de gelegenheid heeft gehad het verzuim van het ontbreken van de gronden van het beroep te herstellen, is de gemachtigde hierdoor niet in zijn belangen geschaad. Voorts stelt het hof vast dat zich in het dossier ook een aan de gemachtigde gerichte herstelverzuimbrief van 3 maart 2015 betreffende het ontbreken van de gronden bevindt. Hieruit had de gemachtigde kunnen afleiden dat zijn brief van 11 december 2014 niet in goede orde was ontvangen en heeft hij dus nogmaals de gelegenheid gehad de gronden van het beroep in te dienen.

5. Gelet op het voorgaande is het beroep tegen de inleidende beschikking terecht en op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen.

6. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek om vergoeding van kosten afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.