Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1706

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
23-02-2018
Zaaknummer
200.207.759
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2016:5478
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid accountant voor persoonsgericht forensisch onderzoek na gegrondbevinding tuchtrechtelijke klacht ? Verhouding tuchtrecht en civiel recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.207.759

(zaaknummer rechtbank Amsterdam 612071)

arrest in kort geding van 20 februari 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

2 PricewaterhouseCoopers Advisory N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

advocaat: mr. J.W. van Rijswijk.

Geïntimeerde sub 1 zal hierna [geïntimeerde 1] , geïntimeerde sub 2 PwC en geïntimeerden gezamenlijk zullen PwC c.s. worden genoemd.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 22 augustus 2017 hier over. In dat arrest is een comparitie van partijen gelast die op 6 december 2017 heeft plaatsgevonden, waarvan aantekeningen zijn gemaakt.

1.2

Voorafgaand aan deze comparitie zijn de volgende stukken genomen:

- productie 17, overgelegd door PWC c.s. bij bericht van 23 november 2017;

- productie 31, overgelegd door [appellant] bij bericht van 29 november 2017.

1.3

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

2.1

In de periode van april 2010 tot 1 december 2012 is [appellant] in dienst geweest bij Linx Telecommunications B.V. (hierna te noemen: Linx), een onderneming die als hoofdactiviteit telecommunicatie (het beheren van datacenter) heeft. [appellant] was aanvankelijk werkzaam in de functie van Director Customer Operations en per oktober 2010 als Vice President Operations. [appellant] heeft zijn werkzaamheden voor Linx per 1 december 2012 beëindigd (wegens verschillen van inzicht met de zittende directeur, [directeur] , hierna te noemen: [directeur] ) op grond van een op 28 november 2012 gesloten beëindigingsovereenkomst.

2.2

Na zijn vertrek bij Linx is [appellant] in onderhandeling getreden met de Franse onderneming Scheider Electric SA (hierna: Schneider) over een functie bij dat bedrijf. Scheider heeft [appellant] aangenomen en [appellant] zou per 1 januari 2013 met zijn nieuwe baan starten.

2.3

In december 2012 hebben twee (toenmalige) leden van de Raad van Commissarissen (hierna: RvC) van Linx, te weten [commissaris 1] (hierna: [commissaris 1] ) en [commissaris 2] (hierna: [commissaris 2] ), [appellant] gevraagd of hij bereid was terug te keren bij Linx in de functie van Chief Executive Officer (CEO). [appellant] heeft hierover in persoon en via e-mail overleg gevoerd met [commissaris 1] en [commissaris 2] . Op 28 december 2012 heeft [appellant] tijdens een bijeenkomst met leden van de RvC, waarbij onder meer [commissaris 1] en [commissaris 3] , één van de andere commissarissen van Linx, hierna: [commissaris 3] ) aanwezig waren, een presentatie gegeven over zijn visie op de bedrijfsvoering (met als opschrift “The Future” , overgelegd als productie 25 bij memorie van grieven)

2.4

Uit een correspondentie gevoerd per e-mail op 29 december 2012 (overgelegd als productie 3 bij de conclusie van antwoord) volgt dat [commissaris 1] aan [appellant] het volgende aanbod heeft gedaan:

“With pleasure we offer you the role of Chief Executive Officer, on an ad interim basis, of Linx (…) The position will be rewarded at € 309.000 gross per month based on payrolling, augmented with a bonus ceiling of 60% of base salary per annum. This bonus and confirmation of CEO is awarded upon reaching certain pre-defined and agreed performance criteria. These will be based on your presentation as given to the Supervisory Board on December 28, 2012.

Further the package will include sports membership, a pension plan against the same conditions as all employees of Linx, a health insurance for you and your family, life insurance which covers maximum 4x gross salary paid in case of invalidity or death during your employment at Linx, a company car at the rate of € 1600 per month plus fuel. Should you decide to accept the role via your own BV, the benefits will be transferred into the cash sums of the entitlements and the position is offered then for an initial period of 5 years.

Review period: 12 months – i.e. during the months of January 2014.

Notice Period: 6 months; during which the employee will work and perform as expected from a Chief Executive Officer.”

De tekst voor dit aanbod was aangeleverd door [appellant] .

2.5

De rest van de op 29 december 2012 gevoerde e-mail-correspondentie tussen [appellant] en [commissaris 1] luidt onder meer als volgt :

“(…) [appellant] : “I (…) have taken the liberty to make the changes that we agreed upon. (…) Please also find my Resume attached.”

[commissaris 1] : “ [appellant] , In responce of your letter below I confirm and agree hereby our understanding (…).”

[appellant] : “Many thanks for your confirmation. I herby confirm my acceptance of the Position of CEO at Linx (…).”

[appellant] : “A Typo from me in the letter, it should be per annum not per month, just (…) mail as coverage so we have no misunderstanding. Sorry.”

[commissaris 1] : “ [appellant] , you almost became to expensive! Thanks for your mail. Lets make it a succes(…).”

2.6

Een stuk met als opschrift “ [appellant] Today” (overgelegd als productie 2 bij conclusie van antwoord) luidt onder meer als volgt:

“Today (…)

-Vice President international Data Center Business Schneider Electric

-Permanent Contract

-Base Salary of € 309,000 per annum with a 30% bonus paid up to 200%

(…)

-Starting on the 2nd January 2013.”

2.7

The DC World B.V. (de werkmaatschappij van [appellant] , hierna DCW) en Linx hebben de gemaakte afspraken vastgelegd in een consultancy agreement (gedateerd op 8 januari 2013, hierna: CA)waarin is overeengekomen dat [appellant] via DCW werkzaamheden zal verrichten voor Linx als interim CEO. [appellant] is in het Handelsregister ingeschreven als statutair bestuurder van Linx.

2.8

In een brief aan [commissaris 1] en [commissaris 2] van 8 februari 2013 (overgelegd als productie 4 bij de conclusie van antwoord) maakt [commissaris 3] melding van een aantal concrete bedenkingen tegen [appellant] (onder meer een verdenking van betrokkenheid bij het ontvangen van smeergelden, zogenaamde kickbacks) en maakt hij opmerkingen over ongerijmdheden in de verschillende door [appellant] verstrekte cv’s. Deze brief luidt voorts onder meer als volgt:

“(…) Hierbij mijn bevindingen na veel luister en leeswerk aangaande [appellant] (…).

Volgens de bewering van [appellant] in zijn “ [appellant] today” zou hij “een permanent contract” hebben als Vice President Business bij Schneider Electric. Het contract dat door [appellant] aan ons getoond is, is echter een eenzijdig door hem getekend contract en de CEO van Schneider Electric in Hoofddorp, [CEO Schneider] , ontkent dat hij aan [appellant] ooit een dergelijk contract heeft aangeboden. Hij kent [appellant] niet eens. [CEO Schneider] deelde mij eerder mede, dat een deal van € 309.000 binnen Schneider hem irreëel voorkomt, dat hij zelf veel minder verdient en dat bij Schneider geen sprake is van bonuspercentages zoals door [appellant] wordt beweerd (…).

Kortom: deze [appellant] is in mijn ogen uiterst onbetrouwbaar en daarom zal van mij geen toestemming komen voor zijn benoeming als directeur. Hierbij wil ik melden dat alle statutaire regels aangaande het ontslag van [directeur] en de tijdelijke benoeming van [appellant] met voeten zijn getreden (…).

Daarom is mijn standpunt duidelijk: ik eis het terugtreden van [appellant] met onmiddellijke ingang (…).”

2.9

In de vergadering van de RvC van 12 februari 2013 is het eerdere besluit om [appellant] te benoemen tot interim directeur (CEO) bekrachtigd met twee stemmen vóór ( [commissaris 1] en [commissaris 2] ), één stem tegen ( [commissaris 3] ) en één onthouding (van de vierde commissaris, [commissaris 4] ).

2.10

Medio februari 2013 heeft de RvC aan PwC verzocht onderzoek te doen naar een aantal onregelmatigheden, waarbij onder meer [directeur] , de inmiddels vertrokken CEO, betrokken zou zijn geweest. Deze opdracht is bevestigd in een brief van 14 februari 2013 van [geïntimeerde 1] namens PwC aan [commissaris 1] en voor akkoord getekend door [commissaris 1] . Het onderzoek werd uitgevoerd door [onderzoeker 1] (hierna: [onderzoeker 1] ) en [onderzoeker 2] (hierna: [onderzoeker 2] ) onder verantwoordelijkheid van [geïntimeerde 1] (registeraccountant en partner bij PwC). Op 28 maart 2013 heeft PwC een eerste rapport uitgebracht over de gestelde onregelmatigheden (overgelegd als productie 6 bij inleidende dagvaarding, hierna: het eerste rapport).

2.11

In een brief aan [commissaris 1] van 11 maart 2013 schrijven [appellant] en [naam bedrijfsjurist] , bedrijfsjurist bij Linx, tegen wie ook door [commissaris 3] beschuldigingen in verband met kickbacks waren geuit, dat zij het op prijs zouden stellen als PwC onderzoek naar de beschuldigingen zouden doen.

Op verzoek van [commissaris 1] heeft PwC ook onderzoek gedaan naar deze beschuldigingen.

2.12

Een e-mailbericht van 21 maart 2013van [onderzoeker 1] aan [appellant] luidt onder meer als volgt:

“(…) Further to our telephone conversation of today, we ask you to prepare some documentation in preparation of our meeting of tomorrow morning.

As you are aware, [commissaris 3] has listed a number of remarks relating to your CV and other matters, that have been made subject to investigation (by PWC) by the Supervisory Board. In order to either reject or conform the allegations made, we need to respond as factual as possible. We kindly ask for your cooperation in this respect and wish to discuss the following subjects (…):

(…)

7) Scheider Electric

We understand that confusion arose on the document that proves the offer made for employment by Schneider as of 1 january 2013. Several versions of the employment agreement may hava been circulating.

7a: Can you please provide us with the original documentation received from Schneider, with original indication salary, remunerations and car allowance?

7b: Can you provide us with names and address details of the persons involved in hiring you, for reference purposes?

7c: Can you prepare a timeline with sequence of events around your envisaged employment by Schneider? (…).”

2.13

Bij de bespreking van 22 maart 2013 tussen [onderzoeker 1] en [appellant] is het originele contract van Schneider niet door [appellant] overhandigd

2.14

Tijdens een bespreking op 12 april 2013 heeft PwC een update van haar werkzaamheden tot dan toe gegeven. Dit is vastgelegd in een stuk met als opschrift “Linxtelecom (2) Status update van 12 april 2013” (overgelegd als productie 7 bij inleidende dagvaarding, hierna: de update van 12 april 2013). Ter zake het contract van Schneider staat daarin vermeld: “Outstanding. Contract not yet supplied”. Tijdens deze bespreking en nadien is [appellant] nogmaals gevraagd het originele contract met Schneider te overhandigen aan PwC.

2.15

Op 17 april 2013 hebben [appellant] en in elk geval [onderzoeker 1] elkaar ontmoet in Moskou.

2.16

Op 29 april 2013 heeft er een algemene vergadering van de aandeelhouders van Linx plaatsgevonden. Tijdens deze vergadering is met meerderheid van stemmen (59,8%) besloten [appellant] als ad interim CEO te vervangen door [vervanger appellant] , een neef van [commissaris 3] . [appellant] heeft na 29 april 2013 geen werkzaamheden meer verricht voor Linx.

2.17

Na het vertrek van [appellant] bij Linx heeft PwC alsnog contact gezocht met Schneider. In een e-mail aan Schneider heeft PwC gevraagd of Schneider kon bevestigen dat zij inderdaad een jaarsalaris van € 302.000,00 exclusief bonus heeft aangeboden aan [appellant] . Schneider heeft bij e-mailbericht van 23 mei 2013 geantwoord dat zij aan [appellant] een jaarsalaris van € 172.000,00 exclusief vakantiegeld heeft aangeboden en dat [appellant] recht zou hebben op een jaarlijkse bonus van 30% van zijn jaarsalaris; in totaal

€ 223.600,00 inclusief bonus, maar exclusief vakantiegeld.

2.18

Bij brief van 24 mei 2013 heeft Linx de CA ontbonden dan wel de nietigheid daarvan ingeroepen dan wel de overeenkomst voor zover vereist opgezegd.

2.19

Bij e-mailbericht van [onderzoeker 1] van 27 mei 2013 is een concept-rapport (met als opschrift “Findings for review by [appellant] ”) aan [appellant] vrijgegeven waarop hij kon reageren, hetgeen hij heeft gedaan per e-mail van 30 mei 2013.

2.20

Op 31 mei 2013 heeft PwC haar eindrapport uitgebracht (hierna: het eindrapport, overgelegd als productie 9 bij inleidende dagvaarding). PwC heeft Linx toestemming gegeven om het eindrapport te gebruiken in een civiele procedure en voor het doen van strafrechtelijke aangifte.

In dit rapport, dat door en/of onder de verantwoordelijkheid van [geïntimeerde 1] is opgesteld, staat over [appellant] onder meer het volgende vermeld:

“(…)5.7 Schneider

91 When negotiating re-joining Linxtelecom with Messrs [commissaris 1] and [commissaris 2] late December 2012, [appellant] informed the two representatives of the Supervisory Board that he in the meantime had negotiated a contract with Schneider Electric SA in France and accepted the offer to join Schneider.

93(…)

[commissaris 3] doubted whether the contract with Schneider would indeed have been for an indefinite period of time and whether the salary offered by Schneider was indeed € 302.000, exclusive of a bonus of 30%.

(…)

95 We have asked [appellant] to provide us with an original copy of the contract he had negotiated with Schneider (…). We have received an unsigned copy of the contract (…). We have initially not been in contact with Schneider on the subject, as [appellant] felt that such contact could harm the business interests of Linxtelecom.

96 [appellant] could not provide us with a signed copy of the contract with Schneider

(…).

99 [appellant] salary at Linxtelecom is presently set at € 307.000, including holiday allowance, per year. According to Mr [commissaris 1] , with whom we discussed the subject, it was not necessary for [appellant] to convince him and Mr [commissaris 2] of the salary [appellant] would have received from Schneider, as the salary of the former CEO of Linxtelecom was much higher as the salary agreed with [appellant] .

100 After [appellant] had left Linxtelecom in the meantime, we have contacted Schneider Electric (…) when we asked Schneider to study the contract in detail and compare it with a retained copy in Schneider ’s administration (…) Schneider informed us that not a salary of € 302.000 and a bonus of 60% thereof (…) was offered to [appellant] but a salary of € 172.000 and a yearly bonus of 30% thereof (…).

102 [appellant] responded to our findings in his e-mail of 30 May 2013 as follows: “The negotiations with Schneider have been a long-term process. There were, amongst others, discussions about the amount of salary and the amount of bonus. The draft employment contract as provided was my view on the negotiable amount of my salary. Linx, however, did not negotiate further in this respect but simply accepted the respective amount, mainly because the mentioned amount was much lower than the salary of the former CEO of Linx.”

103 The information provided to the members of the Supervisory Board of Linxtelecom when negotiating [appellant] ’ contract with Linxtelecom was therefore not correct. The document provided by [appellant] to the Supervisory Board and later to PWC must therefore be assumed to be falsified.

(…)

7. Concluding remarks

(...)

137 [appellant] ’ credentials show deficiencies in the providing of evidence as to two subjects:

(...)

 Schneider: from the documents provided to us and our subsequent contact with Schneider it appeared that the document provided to us by [appellant] was falsified and that the information given to the Supervisory Board of Linxtelecom was not correct (…).”

2.21

[appellant] heeft een tuchtklacht tegen [geïntimeerde 1] ingediend bij de Accountantskamer. Bij beslissing van 30 oktober 2014 heeft de Accountantskamer de klacht op twee onderdelen gegrond verklaard en heeft aan [geïntimeerde 1] de maatregel van berisping opgelegd. De beslissing van de Accountantskamer (waarin [appellant] als klager wordt aangeduid en [geïntimeerde 1] als betrokkene) luidt onder meer als volgt:

“(…) 4.6.2 De Accountantskamer is van oordeel dat de vérgaande en voor klager zeer schadelijke conclusie in alinea 103 van het rapport, luidende:

“The information provided to the members of the Supervisory Board of Linxtelecom when negotiating [appellant] ’ contract with Linxtelecom was therefore not correct. The document provided by [appellant] to the Supervisory Board and later to PWC must therefore be assumed to be falsified.”

niet slechts mocht worden gebaseerd op de gegevens die waren verkregen uit het contact met Schneider (…) maar dat alvorens tot een dergelijke conclusie te komen minst genomen ook die “members of the Supervisory Board” hadden moeten worden gehoord, al was het maar om van hen te vernemen of en, zo ja, welke versie van het contract met Schneider hun door klager was getoond en/of overgelegd. Aannemelijk is immers dat er meer (concept) versies van dat contract bestonden, al dan niet met ingevulde bedragen en/of voorzien van een of meer handtekeningen. Het nalaten van betrokkene om bedoelde leden van de Raad van Commissarissen ter zake te (doen) horen maakt dat de voormelde conclusie een deugdelijke grondslag ontbeert en levert aldus op een schending van het fundamentele beginsel ‘deskundigheid en zorgvuldigheid’ als bedoeld in A-100.4 onder c. van de VGC. Klachtonderdeel 3) moet in zoverre dan ook gegrond worden verklaard.

(…)

4.7.3 (…)

Nu betrokkene niet wist welke informatie was verstrekt aan de “members of the Supervisory Board”, reeds omdat hij daarnaar geen onderzoek had gedaan, kon hij onmogelijk de conclusie trekken dat dit dezelfde informatie was als die, welke aan hem en zijn team was verstrekt. Ook de conclusie in alinea 137, achter de tweede bullet, mist daarom een deugdelijke grondslag. Ook hier levert dit op een schending van het fundamentele beginsel ‘deskundigheid en zorgvuldigheid’ als bedoeld in artikel A-100.4 onder c van de VGC. Overigens, het feit dat betrokkene zijn conclusie aan klager voor wederhoor heeft voorgelegd, ontslaat betrokkene niet van zijn verantwoordelijkheid om een deugdelijke grondslag voor die conclusie te hebben. Klachtonderdeel 6) moet in zoverre dan ook gegrond worden verklaard (…).”

2.22

Dit oordeel is in hoger beroep bekrachtigd, bij uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven van 26 mei 2016.

2.23

Bij vonnis van 19 november 2014 heeft de rechtbank Amsterdam in een door [appellant] en DCW aangespannen bodemprocedure, samengevat en voor zover thans nog van belang, geoordeeld dat de benoeming van DCW als interim CEO op 29 april 2013 was uitgewerkt, dat Linx aan de CA was gebonden en dat deze niet voor vernietiging in aanmerking kwam. De rechtbank heeft de opzegging door Linx bij brief van 24 mei 2013 rechtsgeldig geacht en de daarop gebaseerde vorderingen tot betaling van vergoedingen (met inachtneming van de overeengekomen opzegtermijn van zes maanden) tot 24 november 2013 toegewezen. Op basis van een vonnis van 14 mei 2014 in een incident in deze bodemprocedure had Linx al als voorschot een bedrag van € 546.280,08 aan DCW betaald.

2.24

In een door Linx aangespannen hoger beroep heeft het hof Amsterdam bij arresten van 26 juli 2016 en 7 februari 2017 het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 november 2014 bekrachtigd.

2.25

[appellant] heeft vlak voor de inleidende dagvaarding (die is uitgebracht op 5 augustus 2016) werk aanvaard in Londen tegen een salaris van GBP 60.000,- per jaar.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd dat [geïntimeerde 1] en PwC hoofdelijk worden veroordeeld om aan hem een bedrag van € 750.000,- te betalen als voorschot op een schadevergoeding en € 25.000,- als voorschot ter zake proceskosten, bovenop de normale proceskostenveroordeling.

3.2

De voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 30 augustus 2016 (hierna: het bestreden vonnis) de vorderingen afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. De voorzieningenrechter heeft daartoe onder meer overwogen dat voorshands aannemelijk is geworden dat [appellant] tegenover Linx en de onderzoekers van PwC “niet zuiver op de graat” is geweest over het salaris dat hij bij Schneider zou gaan verdienen en dat het rapport van PwC in zoverre geen onjuistheden bevat. Omdat daarmee onvoldoende aannemelijk is geworden dat de bodemrechter het standpunt van [appellant] zal gaan volgen dat [geïntimeerde 1] en PwC onrechtmatig gehandeld hebben, is niet voldaan aan de criteria voor toewijzing van een geldvordering in kort geding.

4 De beoordeling

4.1

Het hof stelt voorop dat met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in een veroordeling tot betaling van een geldsom, terughoudendheid op zijn plaats is en naar behoren feiten en omstandigheden moeten worden aangewezen die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed is geboden. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten onderzoeken of de vordering van de eisende partij voldoende aannemelijk is, maar ook - kort gezegd - of een spoedeisend belang bestaat, terwijl hij bij de afweging van de belangen van de partijen mede (als één van de voor toewijsbaarheid in aanmerking te nemen factoren) het restitutierisico zal hebben te betrekken.

4.2

In hoger beroep heeft [appellant] vier grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis en heeft, met vermindering van eis, hoofdelijk veroordeling gevorderd van [geïntimeerde 1] en PwC tot betaling van € 125.000 als voorschot op een nog toe te kennen schadevergoeding. Grief I richt zich tegen de vaststelling van feiten door de voorzieningenrechter. Nu het hof hiervoor onder 2 de feiten opnieuw heeft vastgesteld bestaat geen belang meer bij behandeling van deze grief. De grieven II tot en met IV vallen de beoordeling van de feiten door de voorzieningenrechter aan en zullen hierna gezamenlijk worden behandeld.

4.3

Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [appellant] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aangevoerd dat [geïntimeerde 1] (en PwC als diens werkgever) onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld door in het eindrapport (met name in de hiervoor in 2.20 geciteerde paragrafen) uiterst vergaande conclusies over zijn persoonlijk optreden te trekken. [appellant] stelt dat de opzegging van de CA is gebaseerd op dit rapport en voorts dat hij door reputatieschade als gevolg van dit rapport vanaf zijn vertrek bij Linx tot aan het aanvaarden van een dienstbetrekking in Londen in 2016 geen werk heeft kunnen vinden met een vergelijkbaar niveau, salaris en vooruitzichten als hij had in zijn functie bij Linx. [geïntimeerde 1] en PWC zijn aansprakelijk voor de door [appellant] gederfde inkomsten als gevolg van dit onrechtmatig handelen en dienen eveneens de kosten te vergoeden die [appellant] heeft moeten maken in verband met de hiervoor in 2.23 genoemde procedures in het arbeidsconflict met Linx en de tuchtprocedures tegen [geïntimeerde 1] (genoemd in 2.21 en 2.22).

4.4

In de hiervoor weergegeven tuchtprocedures zijn de door [appellant] ingediende klachten tegen [geïntimeerde 1] gedeeltelijk gegrond verklaard en is aan [geïntimeerde 1] de maatregel van berisping opgelegd. Vooropgesteld moet worden dat de civiele rechter aan tuchtrechtelijke uitspraken belang kan hechten, maar die uitspraken niet steeds hoeft te volgen. Dat hangt daarmee samen dat de tuchtprocedure een ander doel dient, waardoor aan andere maatstaven wordt gemeten. Aan het oordeel van de tuchtrechter dat in strijd is gehandeld met de voor de beroepsgroep geldende normen en gedragsregels, kan daarom niet zonder meer de gevolgtrekking worden verbonden dat de betrokkene civielrechtelijk aansprakelijk is wegens schending van een zorgvuldigheidsnorm (HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW 2080 inzake Vie d’Or en laatstelijk nog bevestigd in HR 22 september 2017, ECLI:NL:HR: 2017:2452).

4.5

[appellant] gaat bij zijn stellingen uit van het bestaan van een causaal verband tussen het eindrapport van PwC en de beëindiging van de CA met Linx.

PwC heeft dit gemotiveerd betwist door aan te voeren dat het eindrapport niet de oorzaak was van de beëindiging van de overeenkomst tussen Linx en [appellant] ; de oorzaak daarvoor was dat [commissaris 3] [appellant] niet vertrouwde en een voorkeur had voor zijn neef als CEO van Linx. Tegen die achtergrond is op 29 april 2013 het besluit genomen om [vervanger appellant] als CEO te benoemen en niet [appellant] . PwC had op 29 april 2013 nog geen informatie dat [appellant] onjuiste informatie had verstrekt over het contract met Schneider en op 31 mei 2013, de datum waarop het eindrapport door PwC is uitgebracht, was [appellant] al geen interim bestuurder meer. De CA zou hoe dan ook zijn opgezegd, ongeacht wat de bevindingen van PwC waren.

4.6

Het hof oordeelt als volgt. Ook al zou (mede op basis van de tuchtrechtelijke uitspraken) geoordeeld kunnen worden dat van een onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig handelen van [geïntimeerde 1] dan wel PwC sprake is, dan staat daarmee nog niet vast dat door dat onrechtmatig handelen de CA door Linx is beëindigd (waardoor vervolgens in de visie van [appellant] zijn schade is ontstaan). Daarvoor is de chronologie van de hierboven weergegeven feiten van belang. In de AVA van 29 april 2013 is besloten [appellant] te vervangen als interim CEO. [appellant] heeft onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat dit besluit is genomen op basis van door [geïntimeerde 1] dan wel PwC aan Linx aangeleverde informatie. In de eerste rapportage van PwC van 28 maart 2013 wordt niet gerept over de beschuldigingen aan het adres van [appellant] en in de statusupdate van 12 april 2013 wordt alleen een opsomming gegeven van bij [appellant] opgevraagde documenten, waarbij expliciet wordt vermeld dat het contract van Schneider nog niet is aangeleverd. Weliswaar heeft [appellant] gesteld dat Linx al op 26 april 2013 over een conceptrapportage van PwC beschikte, maar hij heeft niet aangegeven welke rapportage van PwC dat precies zou zijn en heeft voorts tegenover de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde 1] c.s onvoldoende aannemelijk gemaakt, zeker in het kader van deze kort geding procedure, dat het besluit van 29 april 2013 is ingegeven door de later in het eindrapport weergegeven beschuldigingen aan het adres van [appellant] (en niet door het feit dat [commissaris 3] gekant was tegen zijn benoeming). Dat de CA zonder de beschuldigingen in het eindrapport van PwC zou hebben voortgeduurd (doordat [appellant] zijn werkzaamheden bij Linx in een andere functie zou hebben voortgezet), ondanks de oppositie van [commissaris 3] en met diens neef als CEO, heeft [appellant] onvoldoende aannemelijk gemaakt; hij heeft geen feiten aangevoerd die deze stelling kunnen staven.

Dit leidt tot de conclusie dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat een causaal verband bestaat tussen het gestelde onrechtmatig handelen door [geïntimeerde 1] en/of PWC en de beëindiging van de overeenkomst tussen Linx en [appellant] (en de daaruit volgens [appellant] voortvloeiende schade).

4.7

De stellingen van [appellant] (in de memorie van grieven ontvouwd in de alinea’s 42 - 48) dat gelet op de aard van de zaak (persoonsgericht onderzoek door een forensisch accountant met vergaande conclusies) uitgegaan zou moeten worden van een causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde 1] /PWC en de vervolgens ontstane schade, waarna [geïntimeerden] het tegendeel zou moeten bewijzen, gaan niet op. De door [appellant] aangehaalde jurisprudentie ziet op gevallen waarin een specifieke veiligheidsnorm is geschonden, hetgeen in bepaalde nauw omschreven gevallen zou kunnen leiden tot het aannemen van causaal verband met de mogelijkheid van het leveren van bewijs door degene die wordt aangesproken dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan. Indien al aangenomen zou kunnen worden dat hier sprake is van schending van een norm, die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar, geldt dat in dit geval niet vast is komen te staan dat het specifieke gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden zich heeft verwezenlijkt. [appellant] heeft de door hem gestelde reputatieschade niet of nauwelijks onderbouwd. Hij heeft niet duidelijk gemaakt welke pogingen hij precies heeft ondernomen om nieuw werk te vinden en heeft onvoldoende concreet gesteld of en in hoeverre de rapportage van PwC een negatief effect gehad heeft gehad bij het vinden van een nieuwe betrekking. Daarmee heeft [appellant] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij door reputatieschade geen ander (even goed betaald) werk heeft kunnen vinden alvorens zijn huidige dienstbetrekking in Londen te aanvaarden.

4.8

Daarbij komt dat er gelet op de aard van deze kort gedingprocedure geen plaats is voor (uitgebreide) bewijslevering en dus ook niet voor het toedelen of omkeren van een bewijslast. Onvoldoende gesteld of gebleken is dat er in deze zaak redenen zijn om van dat uitgangspunt af te wijken, zodat aan het bewijsaanbod van [appellant] niet wordt toegekomen. Voor verwijzing door het hof als kort geding-rechter naar een bodemprocedure, zoals door de advocaat van [appellant] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is verzocht, bestaat, voor zover daarvoor al enige grondslag in de wet te vinden zou zijn, evenmin aanleiding.

5 De slotsom

5.1

Uit het voorgaande volgt dat de grieven niet opgaan, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 5.231,-

- salaris advocaat € 5.264,- (2 punten x appeltarief V ad € 2.632,- per punt)

Totaal € 10.495,-.

Uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de veroordeling in de proceskosten is in hoger beroep niet gevorderd en kan dus niet worden toegewezen.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 30 augustus 2016;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op € 5.231,- voor verschotten en op € 5.264,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, I. Brand en Chr. H. van Dijk en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2018.