Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1701

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
27-02-2018
Zaaknummer
200.192.173
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Waiver-zaak. Verklaring voor recht afgewezen. Mogelijk vordering vanwege buitengerechtelijke vernietiging echtgenote. Geen verjaring, tijdige stuiting.

Het hof wijst de door Dexia gevorderde verklaring voor recht af. Vanwege buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst door de echtgenote van appellant, heeft appellant mogelijk nog een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling op Dexia. Het verjaringsverweer gaat niet omdat mede als gevolg van de start van de collectieve procedure in 2003 de verjaring tijdig is gestuit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.192.173

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 3540965)

arrest van 20 februari 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Dexia,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis dat de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, op 2 maart 2016 heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 26 mei 2016,

- de memorie van grieven, met producties,

- de memorie van antwoord, met producties,

- de nadere akte van [appellant] , met producties,
- de antwoordakte van Dexia.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Tussen Dexia (rechtsopvolgster van (onder meer) Bank Labouchere N.V.) en [appellant] zijn twee effectenleaseovereenkomsten tot stand gekomen. De eerste overeenkomst genaamd “Duolease” is op of omstreeks 1 mei 1996 gesloten met contractnummer [contractnummer 1] . Voor deze overeenkomst is een eindafrekening opgesteld, hetgeen in een batig saldo van
€ 71.961,11 is geresulteerd. De tweede overeenkomst is op of omstreeks 31 augustus 2000 gesloten, genaamd “WinstVerDriedubbelaar” met contractnummer [contractnummer 2] . Deze overeenkomst is in een restschuld ten bedrage van € 20.892,09 geresulteerd.

3.2

In een brief van 28 september 2004 aan Dexia heeft de echtgenote van [appellant] , mevrouw [echtgenote appellant] , bericht dat zij de overeenkomst met contractnummer [contractnummer 2] vernietigt op grond van artikelen 1:88 lid 1 sub d en 89 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) wegens het ontbreken van haar toestemming.
3.3 Bij brief van 22 december 2005 heeft Leaseproces in een brief aan Dexia namens [appellant] bericht dat hij de overeenkomst vernietigt, althans ontbindt, dan wel opzegt en heeft hij Dexia gesommeerd binnen twee weken alle door hem betaalde bedragen, vermeerderd met wettelijke rente, terug te betalen, alsmede BKR te Tiel op de hoogte te stellen over de nietigheid van de overeenkomst.
3.4 Op 25 januari 2007 heeft het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2007:
AZ7033). de zogeheten “Duisenberg-regeling” voor aandelenleaseproducten algemeen verbindend verklaard in de zin van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade. [appellant] heeft door middel van de zogenaamde “opt-out” verklaring in de zin van artikel 7:908 lid 2 BW aangegeven niet aan de voornoemde regeling gebonden te willen zijn.

3.5

In zijn arresten van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837) en 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH2815) heeft de Hoge Raad een oordeel gegeven over de rechtsregels en de beoordelingsmaatstaven die van toepassing zijn op de effectenleasezaken als de onderhavige. Op 1 december 2009 heeft het Gerechtshof Amsterdam in een viertal arresten (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK:4978, BK4981, BK4982 en BK4983) de uitspraak van de Hoge Raad uitgewerkt in het zogeheten “hofmodel”. In zijn arrest van 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hof daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven.
3.6 In de brief van 25 januari 2012 heeft Leaseproces namens [appellant] aan Dexia bericht dat [appellant] zijn rechten ten aanzien van alle vorderingen op Dexia voorbehoudt.
3.7 Dexia, althans haar gemachtigde, heeft [appellant] op 14 augustus 2014 schriftelijk benaderd met de vraag of [appellant] wilde bepalen of en in hoeverre hij nog in aanmerking zou kunnen komen voor schadevergoeding. In de periode van 18 augustus 2014 tot en met
20 augustus 2014 heeft de gemachtigde van Dexia [appellant] telefonisch benaderd met het verzoek aan [appellant] om contact met de gemachtigde van Dexia op te nemen. [appellant] heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven.

3.8

Vervolgens heeft de gemachtigde van Dexia [appellant] een brief met datum
22 augustus 2014 gestuurd, waarbij aan [appellant] wordt meegedeeld dat hij, gelet op het feit dat hij ten aanzien van één van de gesloten overeenkomsten een zeer hoge opbrengst van
€ 71.961,11 heeft genoten, geen recht meer heeft op het ontvangen van schadevergoeding. Indien [appellant] zou menen geen recht meer te hebben op enige schadevergoeding, kon hij de bijgevoegde “waiver” ondertekenen en retourneren. [appellant] heeft niet op deze brief gereageerd.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

Dexia heeft in eerste aanleg – kort samengevat – gevorderd een verklaring voor recht dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en [appellant] gesloten overeenkomsten aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [appellant] verschuldigd is, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding.

4.2

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis de vordering toegewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. De kantonrechter heeft daartoe onder meer overwogen dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd en geconcretiseerd waardoor zijn echtgenote voorafgaand aan de brief van 28 september 2004 minder dan drie jaar op de hoogte was van het bestaan van de in 2000 gesloten overeenkomst en op die grond het beroep op vernietiging van de overeenkomst gepasseerd.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering


Inhoud grieven

5.1

[appellant] voert tegen de beslissing van de kantonrechter twee grieven aan. Met zijn eerste grief betoogt hij dat Dexia geen belang heeft bij haar vordering met betrekking tot de overeenkomst met contractnummer [contractnummer 1] uit 1996, die met een positief resultaat is afgewikkeld. Met zijn tweede grief voert [appellant] aan dat de bevoegdheid van zijn echtgenote om de overeenkomst met contractnummer [contractnummer 2] te vernietigen, op
28 september 2004 nog niet was verjaard, zodat zij deze overeenkomst toen rechtsgeldig heeft vernietigd en [appellant] uit dien hoofde een vordering wegens onverschuldigde betaling heeft op Dexia.

Uitgangspunten

5.2

De onderhavige procedure betreft een zogenoemde waiverprocedure, dat wil zeggen een procedure waarin Dexia in rechte vastgesteld wil zien dat haar wederpartij – eventueel na betaling van een restantbedrag – in rechte niets meer van haar te vorderen heeft uit hoofde van één of meerdere tussen partijen gesloten financiële effectenleaseovereenkomsten. Bij de beoordeling van de vraag of de door Dexia gevraagde verklaring voor recht kan worden toegewezen, hanteert het hof de volgende uitgangspunten.

a) belang

5.3

Het hof stelt voorop dat het in beginsel aan de schuldeiser van een vordering (in dit geval [appellant] ) is om te bepalen of en op welk moment hij zijn vordering in rechte geldend wil maken. Indien hij de regels ten aanzien van (stuiting van) de verjaring (en onder omstandigheden de klachtplicht) in acht neemt, kan hij daarvoor de tijd nemen. Anderzijds dient het procesrecht er ook toe om bescherming te bieden aan een schuldenaar die jarenlang wordt genoodzaakt rekening te houden met een onduidelijke, mogelijk nog jegens hem geldend te maken vordering. Ook hem moet de mogelijkheid worden geboden om aan die situatie op enig moment een einde te maken door uitsluitsel te kunnen krijgen over de vraag of het gaat om daadwerkelijk bestaande civielrechtelijke rechten. Daartoe kan de door Dexia gevraagde verklaring voor recht een geëigend middel zijn. Dexia heeft daarom voldoende belang om haar vordering tot verklaring voor recht in te stellen.

b) misbruik van bevoegdheid

5.4

Bij de beoordeling van de vraag of de gevraagde verklaring voor recht kan worden toegewezen, speelt ook een rol of Dexia door de onderhavige vordering in te stellen misbruik maakt van haar bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 BW. Daarvan kan onder meer sprake zijn indien zij in redelijkheid niet tot de uitoefening van haar bevoegdheid had kunnen komen gelet op de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad. Hiervoor is reeds overwogen dat Dexia belang heeft bij haar vordering. Het enkele feit dat het instellen van de vordering door Dexia mogelijk leidt tot een toewijzing van de gevraagde verklaring voor recht, en daardoor in rechte zou kunnen komen vast te staan dat [appellant] geen bestaand burgerlijk recht heeft, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat Dexia door het instellen van de vordering misbruik van bevoegdheid maakt. Het instellen van de vordering brengt immers niet zonder meer de toewijzing daarvan mee. De wederpartij kan verweer voeren en uitleggen dat hij wel degelijk nog een rechtsvordering tegen Dexia geldend kan maken, in welk geval de door Dexia gevraagde verklaring voor recht niet zal kunnen worden toegewezen. De omstandigheid dat de wederpartij hierdoor wordt genoodzaakt zich reeds nu in rechte over zijn gepretendeerde vordering uit te laten, acht het hof niet van zodanig gewicht dat Dexia, gelet op haar belang om een einde te maken aan de vorderingen waarmee zij zich geconfronteerd ziet, daarom in redelijkheid van het instellen van de vordering zou moeten afzien. Dexia maakt dan ook geen misbruik van haar bevoegdheid door de vordering in te stellen. Met betrekking tot dit vraagstuk kwam de kantonrechter tot dezelfde conclusie, waartegen geen grief is gericht. Het hof overweegt het voorgaande ten overvloede.

c) verweermiddelen

5.5

Voor zover Dexia heeft bedoeld te stellen dat haar vordering om voor recht te verklaren dat zij niets meer aan de afnemer is verschuldigd, steeds toewijsbaar is tenzij de wederpartij in reconventie haar vordering daadwerkelijk instelt, gaat dat standpunt niet op. De wederpartij kan ermee volstaan als verweer tegen de gevorderde verklaring voor recht duidelijk te maken op welk punt zij nog een vordering pretendeert te hebben. Niet kan worden gevergd dat de wederpartij die vordering in reconventie daadwerkelijk instelt, op straffe van ontzegging van de mogelijkheid om op een later moment zelf een procedure aanhangig te maken. Waar enkel stilzitten in het algemeen geen rechtsverwerking meebrengt, zal aan een schuldeiser die draalt met het instellen van zijn vordering, alleen op die grond niet snel zijn vordering kunnen worden ontnomen. Zoals hierboven is vooropgesteld, is het immers in beginsel aan de schuldeiser om te bepalen of en wanneer hij zijn vordering in rechte geldend maakt.

d) ongeoorloofd vertragingsgedrag

5.6

Het voorgaande kan mogelijk anders zijn indien er sprake is van ongeoorloofd vertragingsgedrag van de wederpartij (vergelijk artikel 20 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv)). Dit zal zich in beginsel niet voordoen indien de wederpartij wijst op bijvoorbeeld een nog lopende procedure waarin prejudiciële vragen zijn gesteld en waarvan de uitkomst voor zijn zaak mogelijk van belang kan zijn. Naar het oordeel van het hof zal er geen sprake zijn van ongeoorloofd vertragingsgedrag als er nog uitspraken worden verwacht over voor de beoordeling van de individuele zaak relevante rechtsvragen, maar mogelijk wel als het gaat om niet onderbouwde mogelijke – meer in abstracte zin geformuleerde – rechtsvragen die zich ooit nog zouden kunnen aandienen.

e) stelplicht en bewijslast

5.7

Bij de vraag of in een waiverprocedure de door Dexia gevorderde verklaring voor recht kan worden toegewezen, staat voorop dat ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en bewijslast van de stelling dat Dexia haar wederpartij niets meer verschuldigd is op Dexia rusten. Op de wederpartij ( [appellant] ) rust vervolgens de verplichting om, wil hij niet dat de vordering bij gebrek aan verweer wordt toegewezen, de stellingen van Dexia gemotiveerd te betwisten, zodanig dat daaruit de onjuistheid van de stellingen van Dexia kan worden afgeleid.


Ontbreken belang overeenkomst [contractnummer 1]

5.8

Met zijn eerste grief voert [appellant] aan dat Dexia geen belang heeft bij haar vordering met betrekking tot de eerste overeenkomst met contractnummer [contractnummer 1] , nu deze overeenkomst geen negatieve gevolgen voor [appellant] heeft gehad en over die overeenkomst nooit een geschil tussen partijen heeft bestaan. [appellant] heeft Dexia met betrekking tot die overeenkomst ook niet aansprakelijk gesteld.

5.9

De grief slaagt. [appellant] heeft jegens Dexia geen melding gemaakt van eventuele vorderingen met betrekking tot de overeenkomst uit 1996. Nu er met betrekking tot deze overeenkomst derhalve nooit een geschil tussen partijen heeft bestaan, heeft Dexia bij haar vordering geen belang, en dient deze te worden afgewezen.
Onverschuldigde betaling na vernietiging overeenkomst door echtgenote

5.10

De tweede grief betreft de door [appellant] gepretendeerde vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling jegens Dexia, omdat zijn echtgenote de in augustus 2000 gesloten overeenkomst met contractnummer [contractnummer 2] buitengerechtelijk heeft vernietigd, nu zij daarvoor geen toestemming had verleend in de zin van artikel 1:88 BW. [appellant] betoogt dat de verjaring van die bevoegdheid is gestuit doordat (onder meer) de Stichting Eegalease bij dagvaarding van 13 maart 2003 een collectieve actie aanhangig maakte die (ook) de kwestie over de bevoegdheid tot vernietiging van effectenleaseovereenkomsten door echtgenoten omvatte. Nu die procedure eindigde door royement op 25 augustus 2005 en de stuiting daarom doorliep tot 25 februari 2006 is de door de echtgenote op 28 september 2004 uitgebrachte buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging van de overeenkomst tijdig gedaan. Dexia heeft dit bestreden.

5.11

Het hof overweegt als volgt. In het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) is het standpunt van [appellant] bevestigd dat als gevolg van de op 13 maart 2003 ingestelde collectieve actie de bevoegdheid van de echtgenoten tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging is gestuit. Voor het inroepen van de onderhavige bevoegdheid tot vernietiging geldt een verjaringstermijn van drie jaar. Aangezien de overeenkomst waarom het hier gaat, is gesloten op of omstreeks 31 augustus 2000 en de collectieve actie is aangevangen op 13 maart 2003, is de verjaring tijdig gestuit, ook wanneer, zoals door Dexia is betoogd, tot uitgangspunt wordt genomen dat de echtgenote, van het begin af aan op de hoogte is geweest van de overeenkomst.

5.12

Uit het arrest van de Hoge Raad 19 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:936) blijkt vervolgens dat de eenmaal aangevangen stuiting doorloopt tot 6 maanden na het einde van de collectieve procedure. Die procedure is op 25 januari 2007, met de beslissing op het verzoek tot verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst, geëindigd op andere wijze dan door toewijzing van de vordering (zoals bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW). Derhalve diende, tot behoud van de stuitende werking van die procedure, uiterlijk op 25 juli 2007 een vordering of buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten te worden ingesteld, respectievelijk uitgebracht. Dit brengt mee dat de vernietigingsverklaring van de echtgenote van [appellant] van 28 september 2004 tijdig is uitgebracht.

5.13

Dexia heeft voorts aangevoerd dat de vernietiging door de echtgenote van [appellant] niet aansluit bij voormelde collectieve actie, omdat in die collectieve actie twee vorderingen (A en B) zijn ingesteld en de overeenkomst met [appellant] niet valt onder vordering A. Het hof kan dit betoog niet volgen, reeds omdat de overeenkomst met [appellant] wel valt onder vordering B. Deze is immers gesloten met een rechtsvoorganger van Dexia, in de periode tussen 29 januari 2000 tot en met 1 mei 2002, namelijk op of omstreeks 31 augustus 2000. Waarom deze overeenkomst desondanks ‘buiten de boot’ zou vallen, maakt Dexia onvoldoende duidelijk.

5.14

Dexia stelt zich voorts op het standpunt dat de collectieve schikking mede inhield dat de Stichting Eegalease afstand deed van alle in de collectieve dagvaarding gepretendeerde rechten en vorderingen, waardoor ook afstand is gedaan van de stuiting van de verjaring die het uitbrengen van de dagvaarding van Stichting Eegalease procedure meebracht, en dat zulks meebrengt dat ook de bevoegdheid van de echtgenote van [appellant] om de overeenkomst te vernietigen, is vervallen.

5.15

Uit het hierboven genoemde arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 blijkt dat die opvatting van Dexia niet juist is. In rechtsoverweging 3.4.3 daarvan is overwogen:
“In een geval als dit, waarin de collectieve actie heeft geleid tot een WCAM-overeenkomst, heeft het uitbrengen van een ‘opt-out’-verklaring als bedoeld in art. 7:908 lid 2 BW niet tot gevolg dat de belanghebbende zich niet meer op de stuitende werking van die actie kan beroepen. De collectieve actie was immers mede ten behoeve van deze belanghebbende ingesteld en deze kan pas na het tot stand komen van een schikking beoordelen of hij daaraan gebonden wenst te zijn. Daarmee strookt niet om aan degenen die zich uiteindelijk niet aan de collectieve schikking willen binden achteraf de stuitende werking van de collectieve actie te ontzeggen.”
Dat brengt mee dat ook de getroffen schikking zelf, ook al hebben de belangenverenigingen daarin afstand gedaan van rechten, niet tot gevolg kan hebben dat een belanghebbende zich niet meer kan beroepen op de stuitende werking van de collectieve actie. Juist de omstandigheid dat de belanghebbende de onderhandelingen mag afwachten, brengt mee dat hij de mogelijkheid moet hebben om ook nog nadien zijn belangen veilig te stellen. Zou de opvatting van Dexia juist zijn, dan zou dat immers betekenen dat iedere belanghebbende toch tijdig zelf de verjaring zou moeten stuiten, omdat hij niet van te voren kan weten of hij gebonden wenst te zijn aan het uiteindelijk te behalen onderhandelingsresultaat en de in dat kader door de belangenverenigingen aanvaarde compromissen en prijsgegeven rechten. Dit is het tegenovergestelde van hetgeen de Hoge Raad heeft beslist, en kan daarom niet voor juist worden gehouden (ECLI:NL:GHARL:2016:3085 en 5730).

5.16

Dexia betoogt voorts dat de echtgenote van [appellant] misbruik maakt van de vernietigingsmogelijkheid van artikel 1:89 BW, met name doordat zij wel de verlieslatende overeenkomst, maar niet de winstgevende overeenkomst heeft vernietigd. Zij heeft de vernietigingsbevoegdheid niet uitgeoefend teneinde zichzelf tegen [appellant] te beschermen, maar om zich samen met [appellant] te verrijken. Subsidiair beroept Dexia zich op artikel 6:278 BW.

5.17

Het hof is van oordeel dat het voor de hand ligt dat de echtgenote niet tevens de winstgevende overeenkomst heeft vernietigd. Daar heeft zij immers geen enkel belang bij. Die overeenkomst heeft bovendien – achteraf bezien – geen gevaar opgeleverd voor het gezinsbelang dat artikel 1:88 BW beoogt te beschermen. Uiteraard is de vernietiging waartoe artikel 1:89 BW het recht geeft, alleen zinvol en nuttig als het gaat om overeenkomsten die risico’s opleveren voor de financiën van het gezin, en op het moment dat de echtgenote van [appellant] overging tot vernietiging, stond reeds vast dat de eerdere overeenkomst geen verlies had opgeleverd. Dat zij die overeenkomst niet heeft vernietigd, brengt dan ook niet mee dat er sprake is van misbruik van recht bij de vernietiging van (enkel) de wel verlieslatende overeenkomst.

5.18

Wat betreft artikel 6:278 BW heeft de Hoge Raad reeds beslist dat dat artikel niet valt te rijmen met de strekking van artikel 1:88 BW om de andere echtgenoot te beschermen tegen het zonder zijn toestemming aangaan van de daarin bedoelde rechtshandelingen (ECLI:NL:HR:2008:BC2837). Dat dat anders zou zijn omdat de echtgenote de winstgevende overeenkomst niet heeft vernietigd (zoals voor de hand lag, zie hiervoor), vermag het hof niet in te zien. Dat doet immers aan de strekking van de gezinsbescherming niet af.

5.19

Uit het bovenstaande vloeit voort dat ook de tweede grief van [appellant] slaagt. [appellant] heeft vanwege de buitengerechtelijke vernietiging door zijn echtgenote mogelijk nog een vordering op Dexia uit hoofde van onverschuldigde betaling. Daaruit volgt dat de schadeberekening waarop Dexia haar verklaring baseert en die is geënt op het hofmodel niet tot uitgangspunt kan worden genomen. Dit model is immers gebaseerd op een andere grondslag (onrechtmatige daad). Daarop stuit ook af de stelling van Dexia dat [appellant] geen schade heeft geleden, omdat zij uit de eerste overeenkomst voordeel heeft genoten en dit (op grond van artikel 6:100 BW) in aftrek mag worden genomen van de schade uit de tweede overeenkomst. De conclusie luidt dat de vordering tot verklaring voor recht ook ten aanzien van de overeenkomst met contractnummer [contractnummer 2] moet worden afgewezen.

De slotsom

6.1

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering ter zake van de overeenkomst met contractnummer [contractnummer 1] uit 1996 moet worden afgewezen bij gebreke aan belang en dat [appellant] mogelijk ter zake van de overeenkomst met contractnummer [contractnummer 2] nog een vordering jegens Dexia geldend kan maken. Gelet op het feit dat de Hoge Raad-arresten die de weg daartoe hebben vrijgemaakt, dateren van oktober 2015 en mei 2017, kan niet worden gezegd dat [appellant] met het instellen van zijn vordering, gelet op de belangen van Dexia, onaanvaardbaar lang heeft gedraald. De door Dexia gevraagde verklaring voor recht dient dan ook voor wat betreft deze overeenkomst met contractnummer [contractnummer 2] te worden afgewezen.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Dexia veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties. Die kosten worden aan de zijde van [appellant] vastgesteld op:

voor de eerste aanleg:

- griffierecht € 115,00

- salaris gemachtigde € 300,00

en voor het hoger beroep:

- explootkosten € 94,08

- griffierecht € 314,00

- salaris advocaat € 894,00 (1 punt tarief II).

6.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 2 maart 2016;

wijst de vorderingen van Dexia af;

veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] bepaald op € 115,00 voor griffierecht en € 300,00 voor salaris gemachtigde, en in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant] bepaald op € 408,08 voor verschotten en € 894,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt Dexia in de nakosten, begroot op € 131,00, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,00 in geval Dexia niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.M. Croes, I. Brand en W.C. Haasnoot, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2018.