Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1699

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
03-05-2018
Zaaknummer
200.186.401
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling van de vermogens- en verbintenisrechtelijke gevolgen van een samenleving; Haviltex.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, familie

zaaknummer gerechtshof 200.186.401

(zaaknummer rechtbank Gelderland 282070)

arrest van 20 februari 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie, verweerder in reconventie,

hierna: de man,

advocaat: mr. F.L.M. Broeders,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna: de vrouw,

advocaat: voorheen mr. M.B.C.R. Heemskerk, thans mr. B.P.G. Dijkers.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 30 mei 2017 hier over.

1.2

Ingevolge voormeld tussenarrest heeft op 27 november 2017 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken. Ter zake van het op 9 november 2017 door de man overgelegde stuk ten behoeve van de comparitie van partijen is akte verleend.

1.3

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De beoordeling van de grieven en de vordering

2.1

In deze zaak gaat het om het volgende.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie zijn geboren:

  • -

    [kind 1] , geboren op [geboortedatum] 1997;

  • -

    [kind 2] , geboren op [geboortedatum] 1999, en

  • -

    [kind 3] , geboren op [geboortedatum] 2001.

2.2

Op 15 februari 2006 zijn partijen een samenlevingsovereenkomst (betiteld als ‘samenlevingsconvenant’) aangegaan. In die overeenkomst zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

“(…)

Artikel 1 (…)

2. Deze overeenkomst dient waar het betreft de vermogensrechtelijke onderdelen daarvan te worden beschouwd als een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 900 Boek 7 Burgerlijk Wetboek. Deze overeenkomst is derhalve bestemd om ook te gelden voor zover door partijen van de tevoren tussen hen bestaande rechtstoestand wordt afgeweken, aangezien partijen zich bij deze overeenkomst jegens elkaar binden tot vaststelling van hetgeen rechtens tussen hen geldt, ter voorkoming van onzekerheid of geschil daaromtrent. (…)

Artikel 4

(…)

7.

a. Partijen stellen zich bij dezen jegens hun kinderen garant voor de integrale bekostiging van hun studie volgens de normen van de Wet op de studiefinanciering, uitgaande van de kosten die zijn berekend door het CBS en worden gehanteerd en gepubliceerd door het Nibud en aansluitend bij de bijzondere bekostiging die een specifieke studie vergt, in goed onderling overleg en met dien verstande dat elk kind in beginsel een periode van vijf jaren ter beschikking staat om zijn/haar studie te voltooien.

b. Partijen zullen in hun onderlinge verhouding uitvoering geven aan het bepaalde onder a. door aanwending van de voorzieningen die hierna onder c. worden omschreven, alsmede door bijdragen naar evenredigheid van hun respectieve inkomens, welke voorzieningen en bijdragen de van overheidswege verstrekte bijdragen aanvullen.

c. Partijen hebben ten behoeve van hun kinderen [kind 2] (polisnummer [polisnummer] ) en [kind 1] (polisnummer [polisnummer] ) studieverzekeringen afgesloten; partijen zullen ook ten behoeve van [kind 3] een vergelijkbare studieverzekering afsluiten.

(…)

Artikel 5

(…)

2. Partijen verplichten zich naar evenredigheid van hun inkomen bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

(…)

5. Het hiervoor in het tweede lid van dit artikel bedoelde gedeelte van het inkomen of zoveel meer als partijen wensen, wordt door partijen gestort op (een) gemeenschappelijke bankrekening(en) of in een gemeenschappelijke kas. Deze gemeenschappelijke bankrekening en deze gemeenschappelijke kas worden op naam van beide partijen gesteld;

zij zijn daarin ieder voor de helft gerechtigd. De vrouw zal over de desbetreffende rekening het beheer voeren en door middel van besparingen voorzieningen opbouwen voor vakanties en dergelijke.

6. Indien slechts één van partijen inkomen heeft, komen de kosten van de gemeenschappelijke huishouding geheel ten laste van die partij.

(…)

8. Onder de kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden onverminderd het bepaalde in artikel 4 verstaan, kosten van:

levensonderhoud;

huisvesting, waaronder niet begrepen de interesttermijnen met betrekking tot geldleningen aangegaan ter financiering van de gezamenlijke door partijen bewoonde of te bewonen woning, maar wel de huurtermijnen aangaande de huur van een woning die door beide partijen als zodanig wordt gebruikt;

de uitgaven ter zake van reparatie en het onderhoud van de gemeenschappelijke goederen;

studie;

gebruikelijke schadeverzekeringen met inbegrip van de premie voor eventuele ziektekostenverzekering;

gezamenlijke vakanties;

hobby’s en gebruikelijke (gezins)activiteiten;

kleding;

door beiden gebruikte vervoersmiddelen.

(…)

Artikel 6

1. De woning aan [adres 1] die aan ieder van partijen voor helft toebehoorde, is door partijen verkocht en geleverd aan een derde. Partijen hebben met de verkoopopbrengst hun bestaande hypothecaire geldlening afgelost en de verkoopkosten en andere direct met het huis samenhangende kosten en schulden voldaan, en zijn ieder voor een gelijk gedeelte gerechtigd tot het (geringe) restant van de door hen behaalde verkoopopbrengst.

2. Partijen hebben het woonhuis aan [adres 2] ten name van de man doen stellen. De man is gehouden de gehele koopprijs alsmede de kosten van aankoop en verbouwing uit eigen middelen te voldoen, al dan door middel van alleen aan hem verstrekte hypothecaire geldlening, met betrekking tot welke lening de man alle daaruit voortvloeiende kosten – waaronder begrepen de maandelijkse interestbetalingen – alleen dient te dragen en voor welke geldlening de vrouw niet aansprakelijk is.

Artikel 7

1. Partijen hebben afspraken gemaakt met betrekking tot de vaststelling van de eigendom van hun vermogensbestanddelen. Behoudens hetgeen hierna is vermeld, wensen zij daarvan geen nadere specificatie in dit convenant.

2. (…)

3. Aan de man behoren toe in eigendom:

de rechten uit de kapitaalverzekeringen afgesloten bij respectievelijk Fortis ASR, polisnummer [polisnummer] en Delta Lloyd, polisnummer [polisnummer] .

4. Alle roerende zaken die niet zijn vermeld in deze overeenkomst of ten aanzien waarvan in het specifieke geval geen bijzondere regeling is getroffen door partijen, worden geacht gezamenlijk eigendom te zijn van partijen, waarbij aan ieder van hen een gelijk aandeel toekomt.

(…)

9. Eventuele verrekeningen die voor partijen uit het bepaalde in dit artikel zouden voortvloeien zijn door partijen uitgevoerd; partijen hebben ter zake van het bepaalde in dit artikel mitsdien niets meer van elkaar te vorderen. (…)”

2.3

Partijen zijn beiden verzekeringsnemer van de hiervoor genoemde Fortis ASR kapitaalverzekering (hierna: de Fortispolis) en een bij de Rabobank afgesloten overlijdensrisicoverzekering met spaarelement met nummer [polisnummer] (hierna: de Opmaatpolis). De man is premiebetaler en verzekerde in de Fortispolis. De Opmaatpolis is aangegaan op 1 januari 1996 ten behoeve van de aankoop van de woning in [woonplaats 2] en is voortgezet ten behoeve van de aankoop van de woning aan de [adres 2] (hierna: de woning). De Opmaatpolis is gekoppeld aan de hypothecaire geldlening (de Opmaat Hypotheek) van de man. De man is de verzekerde in deze polis. Begunstigden zijn in de eerste plaats partijen en vervolgens de echtgeno(o)t(e), respectievelijk de kinderen en erfgenamen van verzekeringsnemer.

Een door Aegon Spaarkas N.V. ondertekend (KoersPlan)-certificaat van 14 april 2014 met nummer [polisnummer] had eerder als nummer [polisnummer] (hierna: de studieverzekering). Deze verzekering is op 31 december 2016 tot uitkering gekomen.

In augustus 2012 is de relatie tussen partijen geëindigd.

2.4

In eerste aanleg heeft de man in conventie gevorderd – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I primair voor recht zal verklaren dat de Fortispolis eigendom van de man is, subsidiair zal bepalen dat de Fortispolis zonder enige verrekening aan de man wordt toegedeeld en dat de rechten voorvloeiende uit die polis worden geleverd aan de man;

II primair voor recht zal verklaren dat de Opmaatpolis eigendom van de man is, subsidiair zal bepalen dat de Opmaatpolis zonder enige verrekening aan de man wordt toegedeeld en dat de rechten voorvloeiende uit die polis worden geleverd aan de man;

III de vrouw zal veroordelen mee te werken aan toedeling en levering van de rechten voortvloeiende uit de hiervoor genoemde verzekeringspolissen, met toepassing van artikel 3:300 BW in het geval dat de vrouw in gebreke blijft haar medewerking te verlenen;

IV de vrouw zal veroordelen mee te werken aan de uitkering van de studieverzekering aan [kind 1] , met toepassing van artikel 3:300 BW in het geval dat de vrouw in gebreke blijft haar medewerking te verlenen.

2.5

In voorwaardelijke reconventie heeft de vrouw gevorderd, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, de man te veroordelen bij toescheiding van de polissen aan hem, aan de vrouw de helft van de waarde van deze polissen te vergoeden.

2.6

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank:

in conventie:

-bepaald dat de Fortispolis zonder enige verrekening aan de man wordt toegedeeld en dat de rechten voortvloeiende uit deze polis worden geleverd aan de man;

-bepaald dat de Opmaatpolis aan de man wordt toegedeeld en dat de rechten voortvloeiende uit deze polis worden geleverd aan de man;

-de vrouw veroordeeld om binnen twee weken na betekening van het vonnis mee te werken aan toedeling en levering van de rechten voortvloeiende uit de hiervoor genoemde verzekeringspolissen, bij gebreke waarvan het bestreden vonnis de voor de toedeling en levering noodzakelijke rechtshandeling van de vrouw, meer in het bijzonder ondertekening van de door Fortis ASR respectievelijk verlangde stukken zal vervangen als bedoeld in artikel 3:300 lid 1 BW;

in reconventie:

-bepaald dat de man de helft van de waarde van de Opmaatpolis op het moment van de levering aan de vrouw dient te vergoeden;

in conventie en in reconventie:

-het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

-het meer of anders gevorderde afgewezen;

-de proceskosten gecompenseerd.

2.7

De man is in hoger beroep gekomen. Hij heeft bij memorie van grieven zijn eis gewijzigd. Hij vordert – samengevat – het bestreden vonnis gedeeltelijk te vernietigen en, opnieuw recht doende, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair: te verklaren voor recht dat de Opmaatpolis zonder enige verrekening bij het samenlevingsconvenant van 15 februari 2006 aan hem is toegedeeld;

subsidiair: te bepalen dat de Opmaatpolis zonder enige verrekening aan hem wordt toegedeeld;

meer subsidiair: te bepalen dat de Opmaatpolis aan hem wordt toegedeeld tegen vergoeding aan de vrouw van de helft van de waarde op het moment van ondertekening van het samenlevingsconvenant en onder verrekening van de door hem betaalde premies sinds het afsluiten van de polis tot aan de ondertekening van het samenlevingsconvenant;

nog meer subsidiair: te bepalen dat de Opmaatpolis aan hem wordt toegedeeld tegen vergoeding aan de vrouw van de helft van de waarde op het moment van beëindiging van de relatie in augustus 2012 en onder verrekening van de door hem betaalde premies sinds het afsluiten van de polis tot aan de datum van levering;

II. primair: de vrouw te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het arrest mee te werken aan onmiddellijke uitkering van de studieverzekering aan [kind 1] , met toepassing van artikel 3:300 BW in het geval dat de vrouw in gebreke blijft haar medewerking te verlenen;

subsidiair: de vrouw te veroordelen om binnen twee weken mee te werken aan de uitkering van de studieverzekering op de einddatum aan [kind 1] , met toepassing van artikel 3:300 BW in het geval dat de vrouw in gebreke blijft haar medewerking te verlenen.

De man voert drie grieven aan. De grieven 1 en 2 zien op de Opmaatpolis en grief 3 ziet op de studieverzekering van [kind 1] .

De vrouw voert gemotiveerd verweer. Primair maakt zij bezwaar tegen de gewijzigde eis van de man en concludeert zij tot niet-ontvankelijkheid van de man ter zake van de verrekening van de premie inleg. Voorts concludeert zij tot afwijzing van de vorderingen.

2.8

Het hof overweegt ten aanzien van het bezwaar van de vrouw dat de man niet-ontvankelijk is in zijn gewijzigde eis het volgende. Uit het in verband daarmee gestelde blijkt dat het bezwaar betrekking heeft op de inhoud van de gewijzigde eis, en geen processueel bezwaar betreft tegen de wijziging van eis in de zin van artikel 130 Rv. Nu overigens niet is toegelicht dat door de wijziging van eis de procedure onredelijk zou worden vertraagd dan wel de verdediging onredelijk zou worden bemoeilijkt, is het bezwaar ongegrond.

2.9

Bij de comparitie van partijen heeft de man grief 3 en de onder II. vermelde vordering ingetrokken, zodat deze niet meer hoeven te worden besproken.

2.10

De man stelt in grief 1 dat de rechtbank ten onrechte de vordering om te verklaren voor recht dat Opmaatpolis eigendom van de man is, heeft afgewezen.

Hij voert daartoe aan dat in het convenant allesomvattende afspraken zijn gemaakt. De woning [adres 2] is op zijn naam gesteld, zoals ook is vermeld in het convenant. De koopsom voor de woning bedroeg € 900.000,-. Hij had voor de aankoop een financiering van € 805.000,- aangevraagd bij de Rabobank. De rest zou hij uit eigen middelen financieren. Als onderpand voor de Opmaathypotheek diende de Opmaatpolis. In de offerte betreffende de Opmaatpolis wordt enkel de man als verzekerde genoemd. Zijn conclusie is dat partijen hiermee hebben bedoeld en impliciet hebben bepaald dat deze polis zonder verzekering eigendom van de man is geworden.

De vrouw heeft het door de man gestelde gemotiveerd betwist.

2.11

Het hof stelt voorop dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van uitsluitend een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (ECLI:NL:HR:1981:AG4158).

2.12

Tussen partijen staat vast dat zij in 2005 een verdeling van de gemeenschappelijke vermogensbestanddelen wensten. Voorts staat vast dat de huidige Opmaatpolis met nummer [polisnummer] een voortzetting is van de Opmaatpolis [polisnummer] die partijen zijn aangegaan in 1996 in verband met de aankoop van de woning in [woonplaats 2] . Partijen zijn beiden verzekeringsnemer van de Opmaatpolis [polisnummer] . In artikel 7 lid 3 van het convenant is expliciet vermeld dat aan de man in eigendom toebehoren de rechten uit de kapitaalverzekeringen afgesloten bij respectievelijk Fortis ASR, polisnummer [polisnummer] en Delta Lloyd, polisnummer [polisnummer] . De Opmaatpolis is in het convenant niet vermeld. Gelet op deze omstandigheden, de gemotiveerde betwisting door de vrouw en het feit dat de man ook geen verklaring geeft voor het feit dat de Opmaatpolis niet in het convenant is vermeld, is het hof van oordeel dat de vrouw in redelijkheid ervan mocht uitgaan dat de Opmaatpolis niet verdeeld is tussen partijen en dat die polis nog steeds tot het gemeenschappelijke vermogen van partijen behoort. Dit brengt met zich dat de Opmaatpolis alsnog dient te worden verdeeld. Nu de Opmaatpolis als onderpand dient voor de hypotheek die rust op de woning die eigendom van de man is, heeft de rechtbank terecht beslist dat de Opmaatpolis aan de man wordt toegedeeld. Uit het voorgaande volgt dat grief 1 faalt en het onder I. primair gevorderde wordt afgewezen.

2.13

In grief 2 stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de man de helft van de waarde van de Opmaatpolis op het moment van levering aan de vrouw dient te vergoeden. Verdeling van de waarde acht hij in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Hij voert daartoe aan dat dat de Opmaatpolis onlosmakelijk verbonden is met de hypotheek en dat hij verantwoordelijk is voor de daaraan verbonden lasten. Partijen hebben gehandeld als ware de man eigenaar van de Opmaatpolis. Volgens de man heeft de vrouw in het convenant afstand gedaan van haar aandeel in de waarde van de polis. De man stelt voorts dat, indien de waarde van de polis dient te worden verrekend, de waarde op het moment dat partijen het convenant hebben ondertekend dient te worden verrekend. Vanaf dat moment is de polis gebruikt als onderpand voor de huidige op zijn naam staande hypotheek en heeft hij de verschuldigde premie voldaan. De waarde van de polis bedroeg op dat moment € 24.469,75. De man wenst eveneens verrekening van de door hem sinds de aanvang van de polis betaalde premie, omdat de waardevermeerdering het directe gevolg daarvan is.

2.14

De vrouw maakt aanspraak op de helft van de actuele waarde van de Opmaatpolis. Zij stelt – samengevat – dat de te betalen premies behoren tot de kosten van de huishouding en refereert daarbij aan artikel 5 lid 8 van het convenant. Tot 1 januari 2014 heeft zij meer ter zake van de kosten van de huishouding voldaan dan waartoe zij op grond van het convenant gehouden was. Zij betwist dat de man onevenredig meer zou hebben ingelegd dan de vrouw. Voorts beroept zij zich op verjaring van de vordering van de man en de redelijkheid en billijkheid.

Tijdens de comparitie van partijen heeft de vrouw ten slotte nog aangevoerd dat er sprake is van voldoening aan een natuurlijke verbintenis. Het door de vrouw gestelde wordt door de man gemotiveerd betwist.

2.15

Dat de vrouw afstand heeft gedaan van haar aandeel in de waarde van de polis heeft de man, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet onderbouwd. Het hof gaat dan ook aan die stelling voorbij.

2.16

Aan het gestelde dat er sprake zou zijn van voldoening aan een natuurlijke verbintenis gaat het hof eveneens voorbij. Het betreft hier een nieuw verweer dat niet eerder door de vrouw is gevoerd. De in artikel 347 lid 1 Rv besloten "twee-conclusieregel" brengt mee dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op verweren die in een later stadium dan in de memorie van antwoord worden aangevoerd (ECLI:NL:HR:2009:BI8771 en ECLI:NL:HR:2017:3238). Bijzondere omstandigheden die met zich brengen dat van die regel moet worden afgeweken zijn niet gesteld of gebleken.

2.17

Partijen zijn samen verzekeringsnemer van de Opmaatpolis en dienen in beginsel ieder de helft van de premies te dragen. Tijdens de comparitie van partijen heeft de man verklaard dat partijen vanaf 1997 tot 2005 over twee en/of bankrekeningen beschikten en dat de vrouw op de rekening [bankrekening 1] ” maandelijks f 385,- stortte. Van deze rekening werden de hypotheek en dergelijke betaald. De andere bankrekening was voor de boodschappen. De vrouw heeft het door de man verklaarde niet betwist. Uit de e-mail van 5 januari 2016 van de Rabobank aan de man volgt dat de premie voor de Opmaatpolis vanaf 1996 steeds betaald is van de bankrekening eindigend op nummer 209. Het betreft, zo leest het hof in de brief van 8 november 2017 van de Rabobank aan de man, de bankrekening met nummer [bankrekening 2] . Deze bankrekening is in 2005 op naam van de man gezet. Uit de voorgaande feiten volgt dat de vrouw voorafgaand aan het sluiten van het convenant middels de betalingen op de hiervoor genoemde bankrekening heeft bijgedragen aan de betaling van de premies in de periode tot 2005.

2.18

Het hof overweegt met betrekking tot de stelling van de vrouw dat de premies voor de Opmaatpolis als kosten van de huishouding moeten worden aangemerkt met als gevolg dat geen sprake zou zijn van een gelijke draagplicht de premies het volgende. Het convenant is op dit punt niet duidelijk. In artikel 5 lid 8 van het convenant worden weliswaar de kosten vermeld die tot de kosten van de huishouding behoren, maar de premies voor de Opmaatverzekering, dan wel soortgelijke verzekeringen worden niet in dat artikel vermeld. Evenmin kunnen die premies onder een van de in dat artikel vermelde categorieën worden ondergebracht. Nu de vrouw stelt dat de premies voor de Opmaatpolis wel als kosten van de huishouding dienen te worden aangemerkt en de man die stelling gemotiveerd betwist, ligt de bewijslast van die stelling bij de vrouw. Nu de vrouw geen gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan gaat het hof aan die stelling voorbij. In de regeling voor de kosten van de huishouding is geen grond voor afwijking van de gelijke draagplicht te vinden.

2.19

Nu partijen samen gerechtigd zijn tot de Opmaatpolis en de man de premies, die partijen samen dienen te dragen, ieder voor de helft, heeft betaald vanaf de aankoop van de woning in 2005, dient de Opmaatpolis aan de man te worden toegedeeld onder de verplichting aan de vrouw de helft van de waarde daarvan te vergoeden, waarbij hij kan verrekenen hetgeen de vrouw aan hem is verschuldigd vanwege de betaling van de premies vanaf 2005. Het hof is evenwel niet in staat om die berekening te maken, omdat het hof niet over financiële informatie beschikt waaruit te herleiden valt welk bedrag de man kan verrekenen en wat de waarde van de polis is. Het hof kan immers over de periode tot aan de aankoop van de woning in [adres 2] niet het door de vrouw betaalde aandeel in de premies berekenen. Het hof zal daarom als na te melden beslissen.

2.20

Het hof gaat aan het beroep op verjaring van de vrouw voorbij. In artikel 6:131 lid 1 BW is immers bepaald dat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van een rechtsvordering.

3 De slotsom

3.1

Grief 1 faalt en grief 2 (deels) slaagt, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd, behoudens voor zover daarin in reconventie is bepaald dat de man de helft van de waarde van de Opmaatpolis op het moment van de levering aan de vrouw dient te vergoeden. In zoverre dient het vonnis te worden vernietigd.

3.2

Gelet op de omstandigheid dat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en het geschil voortvloeit uit de vermogensrechtelijke afwikkeling van die relatie, zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 16 december 2015, behoudens voor zover daarin in reconventie is bepaald dat de man de helft van de waarde van de Opmaatpolis op het moment van de levering aan de vrouw dient te vergoeden, vernietigt dit vonnis in zoverre en doet in zoverre opnieuw recht;

bepaalt dat de man de helft van de waarde van de Opmaatpolis op het moment van de levering aan de vrouw dient te vergoeden, waarbij de premies voor zover die vanaf 2005 ten laste van de man alleen zijn gekomen dienen te worden verrekend met de waarde van die polis;

bepaalt dat partijen deze verdeling en vaststelling van de overbedeling en het te verrekenen bedrag zullen uitvoeren ten overstaan van een notaris door hen samen aan te wijzen;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, M.H.H.A. Moes en N. van Oostrom, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2018.