Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1689

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
02-03-2018
Zaaknummer
17/00002
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:6286, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Aanmerkelijk belang. Negatief vervreemdingsvoordeel? Duiding ‘tegenprestatie”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/474
NLF 2018/0551 met annotatie van Wouter Antonisse
V-N 2018/27.11 met annotatie van Redactie
Viditax (FutD), 02-03-2018
FutD 2018-0643 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 17/00002

uitspraakdatum: 20 februari 2018

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 november 2016, nummer AWB 15/7385, ECLI:NL:RBGEL:2016:6286 in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV 2012) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.626 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 310.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag. De Inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende bij uitspraak op bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2017. Namens belanghebbende is ter zitting verschenen zijn gemachtigde mr. [A] (verder: gemachtigde). Namens de Inspecteur is verschenen [B] , bijgestaan door [C] .

1.7.

Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Bij akte van levering van 18 september 2001 heeft belanghebbende 174 van de in totaal 350 aandelen (zijnde 49,71%) verkregen in de vennootschap [D] BV. De overige 176 aandelen in [D] BV zijn verkregen door [E] BV. Directeur en aandeelhouder van [E] BV is [F] , de broer van belanghebbende. [D] BV exploiteert een onderneming op het gebied van speelautomaten.

2.2.

Op 18 september 2001 hebben belanghebbende en [E] BV eveneens een overeenkomst inzake verkoop en overdracht van de aandelen van belanghebbende in [D] BV gesloten. In deze overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“1. De heer [X] zal op of omstreeks 30 september 2006 verkopen en leveren, gelijk [E] BV zal kopen en aannemen, 174 aandelen in [D] BV, genummerd 177 t/m 350.

2. De koopprijs zal bedragen ƒ 500.000,-- (zegge: vijfhonderdduizendgulden).

3. Indien op het moment van koop en levering bedoeld in lid 1 mocht blijken dat de werkelijke waarde van de aandelen in [D] BV, genummerd 177 t/m 350, lager is dan f 500.000,--, dan zal de koopprijs, in afwijking van het in artikel 2 bepaalde, op die lagere waarde worden vastgesteld.

De werkelijke waarde als bedoeld in de vorige volzin zal worden vastgesteld door de accountant van [D] BV op het moment van verkoop en levering.

4. In afwijking van het in de vorige artikelen bepaalde, en alleen op verzoek van [E] BV, zal de verkoop en levering van de in artikel 1 bedoelde aandelen eerder kunnen plaatsvinden, doch dan zal de koopprijs, onafhankelijk van een eventueel lagere werkelijke waarde, worden vastgesteld op f 500.000. De heer [X] verplicht zich om aan een eventueel eerdere verkoop en levering als bedoeld in de vorige volzin van dit artikel, mee te werken.”

2.3.

Bij akte van verkoop en levering van 9 januari 2004 heeft belanghebbende zijn aandelen in [D] BV verkocht aan [E] BV voor een bedrag van € 226.890,11 (ƒ 500.000). In de akte is bepaald dat [E] BV dit bedrag deels zal voldoen door overname van een schuld van belanghebbende aan [G] BV ten bedrage van € 44.513,23. Met betrekking tot het restant van de koopsom (hierna: de annuïteitenlening) bepaalt de akte van verkoop en levering het volgende:

“Ten aanzien van de verplichting tot voldoening van de restantkoopsom ad een honderd twee en tachtig duizend drie honderd zes en zeventig euro en acht en tachtig eurocent (€ 182.376,88) verklaarde verkoper dat hij ten behoeve van koper daarvan afstand doet om baat, welke afstand laatstgenoemde verklaart te hebben aanvaard, in dier voege, dat partijen in verband daarmee zijn overeengekomen dat koper wegens geleend geld schuldig is aan verkoper een bedrag groot een honderd twee en tachtig duizend drie honderd zes en zeventig euro en acht en tachtig eurocent (€ 182.376,88).

Ter zake van de betreffende geldlening zijn verkoper en koper het navolgende overeengekomen.

1. De hiervoor genoemde schuld van koper aan verkoper zal worden voldaan middels betaling op basis van annuïteiten, ingaande per januari tweeduizend vier en eindigende in december tweeduizend achttien.

2. Koper zal de rente (vijf procent (5%)) en aflossing tezamen in eenhonderdtachtig (180) achtereenvolgende maandelijkse termijnen voldoen.

3. Het termijnbedrag voor de eerste vijftien (15) maanden bedraagt een duizend vier honderd zes en dertig euro en zeven en vijftig eurocent (€ 1.436,57), welke bedragen zijn verschuldigd op de eerste dag van elke kalendermaand, voor het eerst op één januari tweeduizend vier en voor het laatst op één maart tweeduizend vijf.

4. Op één april tweeduizend vijf zal een extra bedrag groot drie en veertig duizend euro (€ 43.000,00) worden afgelost.

5. Na de hiervoor onder 4. genoemde extra aflossing zal het termijnbedrag voor de resterende eenhonderdvijfenzestig (165) maanden bedragen een duizend zeven en zeventig euro en zeven en vijftig eurocent (€ 1.077,57), welke bedragen zijn verschuldigd op de eerste dag van elke kalendermaand, voor het eerst op één april tweeduizend vijf.

Verkoper verleent koper kwijting voor de koopsom.”

De akte is verleden door mr. [H] , kandidaat-notaris te [I] .

2.4.

In mei 2012 hebben belanghebbende en [E] BV een nadere overeenkomst gesloten in verband met de overdracht van de aandelen in [D] BV. Daarin hebben partijen onder meer in aanmerking genomen dat de onder 2.2 genoemde aandelenoverdracht tot stand is gekomen mede op basis van de op dat moment bestaande verwachtingen aangaande de in de daarop volgende jaren door [D] BV te behalen resultaten, dat de werkelijke resultaten van [D] BV door met name de invoering van de kansspelbelasting voor speelautomaten per 1 juli 2008 achterblijven bij deze verwachtingen, dat destijds een lagere verkoopprijs van de aandelen zou zijn vastgesteld als partijen bekend zouden zijn geweest met deze lagere toekomstige resultaten en dat partijen overeengekomen zijn dat de overdrachtsprijs van de aandelen deels bestond uit de annuïteitenlening. Met betrekking tot de annuïteitenlening bepaalt de nadere overeenkomst het volgende:

“Art. 1 Het na 31 mei 2012 door [E] aan [X] nog te betalen aantal maandelijkse termijnen van € 1.077,57 terzake van de overdracht van 174 aandelen. in [D] B.V. zal worden gewijzigd in die zin dat [E] na 31 mei 2012 nog aan [X] zal voldoen 32 maandelijkse termijnen van € 900,-- (zegge: negen honderd euro), de laatste termijn derhalve te voldoen in januari 2015. De oorspronkelijk overeengekomen overdrachtsprijs voor de aandelen wordt hiermede derhalve verlaagd.

Art. 2 Na de laatste termijnbetaling in januari 2015, als bedoeld in artikel 1, zullen partijen terzake van de onderhavige aandelenoverdracht over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben.”

2.5.

Bij brief van 15 januari 2013 heeft de gemachtigde van belanghebbende het volgende verzoek aan de Inspecteur gedaan :

“Namens cliënt wil ik u verzoeken, conform art. 4.29 lid 2 Wet IB 2001, het verlies uit aanmerkelijk belang voor cliënt vast te stellen op € 45.736,66, zijnde het verschil tussen de beide contante waarden hierboven aangegeven en voor 25 % van dit bedrag van € 45.736,66, ofwel € 11.434,-- cliënt een belastingkorting te verlenen in box 1 in het eerste daarvoor in aanmerking komende jaar, zo nodig in de zeven daaropvolgende jaren.”

Het door belanghebbende geclaimde verlies uit aanmerkelijk belang wordt in dezelfde brief als volgt berekend:

“Na overleg over deze kwestie tussen cliënt en [E] B.V. hebben partijen besloten om vanaf 1 oktober 2012 het aantal nog te betalen maandannuïteiten fors terug te brengen en voorts om de daadwerkelijk nog te betalen maandannuïteiten te verlagen naar € 900.

Dit betekent dat de op 1 oktober 2012 oorspronkelijk nog te ontvangen maandannuïteiten, te weten 78 x € 1.077,57 ( contante waarde op 1 oktober 2012, bij een overeengekomen rente van 5 %, € 69.574,52) worden vervangen door 28 termijnen van € 900 (contante waarde op 1 oktober 2012, bij een overeengekomen rente van 5 %, € 23.837,85).”

2.6.

Op 2 april 2013 heeft belanghebbende aangifte gedaan voor de IB/PVV 2012. In de aangifte is geen negatief vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang vermeld.

2.7.

Bij brief van 3 april 2013 heeft de Inspecteur het onder 2.5 genoemde verzoek van belanghebbende afgewezen.

2.8.

Bij brief van 2 juli 2014 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen het in het jaar 2013 niet in aanmerking nemen van een verlies uit aanmerkelijk belang in verband met de, naar de mening van belanghebbende, in dat jaar verlaagde overdrachtsprijs van de aandelen in [D] BV. Tevens heeft belanghebbende de Inspecteur verzocht alsnog toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 4.29, lid 2, Wet IB 2001.

2.9.

Bij brief van 30 oktober 2015 heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen het niet in aanmerking nemen van het geclaimde verlies uit aanmerkelijk belang afgewezen. Ter zitting in eerste aanleg is deze brief door partijen geherkwalificeerd als een weigering van de Inspecteur op een verzoek van belanghebbende om de aanslag op de voet van artikel 9.6 Wet IB 2001 ambtshalve te verminderen en ambtshalve een nadere verliesvaststellingsbeschikking in de zin van artikel 4.50 Wet IB 2001 vast te stellen.

2.10.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat geen aanleiding bestaat het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk te verklaren. Met betrekking tot de akte van verkoop en levering van 9 januari 2004 heeft de Rechtbank geoordeeld dat in deze akte is bepaald dat belanghebbende om baat afstand doet van zijn vorderingsrecht op de koper ter zake van de koopprijs van de aandelen en dat vervolgens in deze akte een overeenkomst van geldlening tot een bedrag van € 182.376,88 is opgenomen welke in de plaats is gekomen van belanghebbendes recht op betaling van de koopsom. De Rechtbank heeft voorts in het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/653 (Haviltex) geen reden gezien om van de bewoordingen van de akte af te wijken. De Rechtbank heeft de nadere overeenkomst uit 2012 geduid als een aanpassing van de leningscondities op de geldlening en niet als een aanpassing van de overdrachtsprijs van de aandelen. De Rechtbank heeft daarom geoordeeld dat artikel 4.29, tweede lid, Wet IB 2001 toepassing mist.

3 Geschil

3.1.

In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of sprake is van een negatief vervreemdingsvoordeel in de zin van artikel 4.29, tweede lid, Wet IB 2001. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

3.2.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat bij de onder 2.3 genoemde aandelenoverdracht een betaling van een deel van de koopsom in termijnen is overeengekomen. Verder stelt belanghebbende dat bij de onder 2.4 genoemde nadere overeenkomst een verlaging van dit deel van de koopsom is overeengekomen en dat deze verlaging op grond van artikel 4.29, tweede lid, Wet IB 2001 in aanmerking moet worden genomen als een verlies uit aanmerkelijk belang.

3.3.

De Inspecteur stelt zich primair op het standpunt dat belanghebbende bij de onder 2.3 genoemde aandelenoverdracht om baat afstand heeft gedaan van het op dat moment nog verschuldigde deel van de overdrachtsprijs van de aandelen. Belanghebbende heeft – aldus de Inspecteur – daarmee de volledige overdrachtsprijs reeds ontvangen. De om baat verkregen annuïteitenlening maakt geen deel uit van de overdrachtsprijs van de aandelen. De uit de lening voortvloeiende vordering is onderdeel gaan uitmaken van de bezittingen die behoren tot de rendementsgrondslag van belanghebbende (Box 3). De onder 2.4 genoemde verlaging van de annuïteitenlening leidt, zo stelt de Inspecteur, dan ook niet tot een verlies dat op grond van artikel 4.29, tweede lid, Wet IB 2001 in aanmerking genomen kan worden. Voor het geval het Hof van oordeel mocht zijn dat geen sprake is van een tot Box 3 behorende vordering, stelt de Inspecteur subsidiair dat artikel 4.29 Wet IB 2001 niet van toepassing is op een situatie – zoals hier – waarin de overdrachtsprijs uiteindelijk niet wordt ontvangen.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, en kort gezegd, tot het vaststellen van een verlies uit aanmerkelijk belang ten bedrage van € 45.736,66 en tot het veroordelen van de Inspecteur in de betaling van de proceskosten en het betaalde griffierecht.

3.5.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Artikel 4.29, tweede lid, Wet IB 2001 bepaalt dat indien na het tijdstip van de vervreemding van aandelen de overdrachtsprijs wordt verlaagd, het verschil met de oorspronkelijke overdrachtsprijs als negatief vervreemdingsvoordeel in aanmerking wordt genomen.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of de in mei 2012 overeengekomen aanpassing (verlaging van het bedrag van de annuïteitenlening, 2.4) een verlaging van de overdrachtsprijs inhoudt als bedoeld in artikel 4.29, tweede lid, Wet IB 2001. Nu de Inspecteur het standpunt van belanghebbende gemotiveerd heeft betwist, rust op belanghebbende de last feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een verlaging van de overdrachtsprijs van de aandelen in [D] BV.

4.3.

Ter onderbouwing van zijn stelling voert belanghebbende aan dat bij de verkoop van de aandelen tussen hem en de koper is overeengekomen dat een deel van de koopsom zou worden voldaan in naar aantal en omvang vaststaande termijnen. Belanghebbende wijst in dat verband op hetgeen betreffende de annuïteitenlening is bepaald in de onder 2.3 genoemde akte. Vervolgens is belanghebbende in mei 2012 met de koper van de aandelen overeengekomen dat de verkoopprijs van de aandelen in verband met de voor [D] BV ingrijpend gewijzigde marktomstandigheden neerwaarts zou worden bijgesteld.

4.4.

Het Hof leidt uit de duidelijke bewoordingen van de onder 2.3 genoemde akte van verkoop en levering af dat belanghebbende om baat afstand heeft gedaan van het recht op betaling van de verkoopprijs van de aandelen. Bovendien heeft belanghebbende, getuige dezelfde akte, aan de koper van de aandelen kwijting verleend voor de koopsom.

4.5.

Het standpunt van de Inspecteur komt erop neer dat de onder 4.4 vermelde civielrechtelijke kwalificatie van de verrichte rechtshandelingen beslissend is voor de beantwoording van de in geschil zijnde vraag. Uit de jurisprudentie volgt echter dat onder omstandigheden voor de belastingheffing kan worden afgeweken van de civielrechtelijke kwalificatie. Voor een dergelijke zelfstandige fiscaalrechtelijke kwalificatie kan plaats zijn indien de aan de gekozen rechtsvorm verbonden fiscale gevolgen niet aanvaardbaar zijn gezien het economische resultaat ervan en gelet op de strekking van de belastingwet (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 15 december 1999, nr. 33830, ECLI:NL:HR:1999:AA3862, BNB 2000/126).

4.6.

Naar het oordeel van het Hof bestaat er in het onderhavige geval een onverbrekelijke samenhang tussen de verkoop van de aandelen in [D] BV en de daarvoor bedongen koopsom enerzijds en de annuïteitenlening die voortvloeit uit de overeenkomst van 9 januari 2004 anderzijds. Die samenhang blijkt uit de omstandigheid dat de verkoop van de aandelen en de verplichtingen uit de annuïteitenlening gelijktijdig tussen koper en verkoper zijn overeengekomen, dat financiële verplichtingen van de koper door de akte van 9 januari 2004 in totaliteit ongewijzigd zijn gebleven, dat in de overeenkomst waarin de verkoop van de aandelen is vastgelegd tevens de omzetting van de koopsom in een vordering wegens schuldigerkenning is opgenomen en dat de voorwaarden van die schuldigerkenning eveneens in de koopovereenkomst zijn opgenomen. Het risico op niet-betaling van de koopsom is weliswaar door de kwijting in formele zin tenietgegaan, maar is door de schuldigerkenning in materiële zin in stand gebleven. Uit hetgeen tussen koper en verkoper is overeengekomen vloeit naar het oordeel van het Hof voort dat tussen de ter zake van de verkoop van de aandelen [D] BV bedongen koopsom, de kwijting daarvan en de schuldigerkenning door middel van de annuïteitenlening een zodanige samenhang bestaat dat zij in economische zin als één geheel moeten worden beschouwd en dat de rechten die voortvloeien uit de annuïteitenlening voor de toepassing van de aanmerkelijkbelangregeling als deel uitmakend van de overdrachtsprijs (tegenprestatie) moet worden beschouwd (vgl. HR 1 juli 1998, nr. 33544, ECLI:NL:HR:1998:AA2330, BNB 1998/310).

4.7.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen in 4.6 volgt dat de verlaging van het bedrag van de annuïteitenlening in 2012 in beginsel beschouwd moet worden als een verlaging van de overdrachtsprijs van de aandelen [D] BV. Deze verlaging leidt op grond van artikel 4.29, tweede lid, Wet IB 2001 in combinatie met artikel 4.46, vijfde lid, Wet IB 2001 tot een in 2012 in aanmerking te nemen negatief vervreemdingsvoordeel.

4.8.

De subsidiair door de Inspecteur ingenomen stelling dat artikel 4.29 Wet IB 2001 alleen ziet op aanpassingen van de overdrachtsprijs die het gevolg zijn van een reeds in de koopovereenkomst genoemde voorwaarde is naar het oordeel van het Hof onjuist. Voor zover de Inspecteur zich daarbij (mede) heeft willen beroepen op het arrest van de Hoge Raad van 12 september 1990, nr. 25 466, ECLI:NL:HR:1990:ZC4376, BNB 1991/251, merkt het Hof op dat destijds een met artikel 4.46, vijfde lid, Wet IB 2001 overeenkomende bepaling ontbrak. Evenmin wordt dit standpunt geschraagd door de wetsgeschiedenis behorend bij (het latere) artikel 4.29, tweede lid, wet IB 2001 of bij artikel 20h, vijfde lid, Wet IB 1964 waarop genoemd artikel is gebaseerd, alwaar – voor zover hier van belang – is opgemerkt:

“Artikel 4.7.2.11 Aanpassingen overdrachtsprijs

Artikel 4.7.2.11 is mede gebaseerd op artikel 20h, vijfde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Ten opzichte van laatstgenoemde bepaling is in zoverre sprake van een wijziging dat een onderscheid is gemaakt tussen de kwalificatie van de aanpassing als (negatief) vervreemdings- voordeel enerzijds en het moment waarop de voor- of nadelen in aanmerking worden genomen.

(TK 1998-1999, 26 727, nr. 3 p. 214)”

“Artikel 20h, vijfde lid

Het vijfde lid voorkomt dat bij een nadere wijziging van de overdrachtsprijs bedragen tussen wal en schip vallen. Ingeval de overdrachtsprijs later wordt verhoogd, wordt het verschil met de oorspronkelijke overdrachtsprijs geacht te zijn genoten op het tijdstip van de verhoging van de overdrachtsprijs. Een verlaging van de overdrachtsprijs wordt als negatief vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen.

(TK, 1995-1996, nr 24 761, nr. 3, p. 73)”

Het gaat hierbij dus om situaties waarin “later”, dat wil zeggen na het perfect worden van de obligatoire overeenkomst, tussen partijen wilsovereenstemming wordt bereikt over een aanpassing (verhoging of verlaging) van de overdrachtsprijs.

4.9.

Het Hof neemt bij zijn oordeel verder in aanmerking dat de verlaging van het bedrag van de annuïteitenlening in 2012 contractueel is overeengekomen. Daarmee heeft belanghebbende op dat moment afgezien van zijn recht op een deel van de overeengekomen tegenprestatie, en is geen sprake van een situatie waarin de overdrachtsprijs uiteindelijk niet wordt ontvangen door bijvoorbeeld insolventie van de koper waarnaar de Inspecteur (subsidiair) verwijst.

4.10.

Voor zover de Inspecteur met zijn stelling dat het in zakelijke verhoudingen ongebruikelijk is dat zonder dat daarvoor in de koopovereenkomst een grondslag te vinden is nadien de verkoopprijs wordt verlaagd, heeft willen stellen dat belanghebbende door in het onderhavige geval akkoord te gaan met een aanpassing van de verkoopprijs van de aandelen onzakelijk heeft gehandeld, acht het Hof zulks niet aannemelijk gemaakt. Naar het oordeel van het Hof is de onder 2.4 genoemde omstandigheid dat na de verkoop van de aandelen in 2004 de wijziging van de Wet op de kansspelbelasting de winstverwachtingen van [D] BV – anders dan door partijen bij de verkoopovereenkomst destijds was voorzien – nadelig hebben beïnvloed, een voldoende objectief zakelijke rechtvaardiging voor belanghebbende om achteraf in te stemmen met een verlaging van de overdrachtsprijs. Daarbij komt dat belanghebbende ten tijde van de nadere overeenkomst in 2012, nog een substantieel financieel belang had bij een zo volledig mogelijke nakoming van de eerdere afspraken.

4.11.

Gelet op het voorgaande heeft de Inspecteur ten onrechte geweigerd om, nu het bedrag als zodanig niet in geschil is, de door belanghebbende bepleite verliesvaststellingsbeschikking te vast te stellen. Het hoger beroep treft doel en dient gegrond te worden verklaard.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 249 voor de kosten in de bezwaarfase (1 punt (bezwaarschrift)  wegingsfactor 1  € 249), € 1002 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 501) en € 1002 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 501), ofwel in totaal op € 2.253.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

– stelt het verlies uit aanmerkelijk belang voor het jaar 2012 vast op € 45.736,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.253,

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 45 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 124 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.J.M. van Kempen, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. B.F.A. van Huijgevoort, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.

De beslissing is op 20 februari 2018 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.W.J. de Kort) (M.G.J.M. van Kempen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 21 februari 2018

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.