Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1687

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
02-03-2018
Zaaknummer
17/00284
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2017:191, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet Woz. OZB. Waardevaststelling tbs-kliniek. Woondelenvrijstelling van toepassing?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/459
V-N 2018/27.22 met annotatie van Redactie
Belastingblad 2018/204 met annotatie van F.J.H.L. Makkinga
Viditax (FutD), 02-03-2018
FutD 2018-0623
NTFR 2018/738 met annotatie van mr. B.S. Kats
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Belasting

Locatie Arnhem

nummer 17/00284

uitspraakdatum: 20 februari 2018

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente Hardenberg (hierna: de Heffingsambtenaar),

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank) van 6 januari 2017, nummer AWB 15/2420, in het geding tussen de Heffingsambtenaar en

de Staat der Nederlanden, Regionale Directie Domeinen Noord Oost/ Rijksvastgoedbedrijf (hierna: belanghebbende).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) ten aanzien van belanghebbende de waarde van de onroerende zaak [a-straat] , gelegen te [A] (hierna: de onroerende zaak), voor het kalenderjaar 2013 – naar de waardepeildatum 1 januari 2012 – en naar de toestand van 1 januari 2013, vastgesteld op € 24.000.000. Daarbij zijn tevens aanslagen onroerende-zaakbelastingen (OZB) ter zake van de eigendom en het gebruik van de onroerende zaak aan belanghebbende opgelegd.

1.2.

Voorts heeft de Heffingsambtenaar bij beschikking op grond van de Wet WOZ de waarde van de onroerende zaak, voor het kalenderjaar 2014 – naar de waardepeildatum 1 januari 2013 – en naar de toestand van 1 januari 2013, ten aanzien van belanghebbende vastgesteld op € 23.519.346. Voor 2014 zijn tevens aanslagen OZB ter zake van de eigendom en het gebruik van de onroerende zaak aan belanghebbende opgelegd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen voormelde beschikkingen en aanslagen bezwaar gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft in zijn in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar met betrekking tot het jaar 2013 ongegrond en voor het jaar 2014 gegrond verklaard. De vastgestelde waarde van de onroerende zaak is daarbij voor het jaar 2014 verminderd tot € 22.000.000.

1.4.

Belanghebbende is tegen die uitspraken van de Heffingsambtenaar in beroep gekomen. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 6 januari 2017 (verzonden op 18 januari 2017) het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de aanslag OZB gebruik voor het belastingjaar 2013 met 48,4% verminderd en voor het belastingjaar 2014 bepaald dat de Heffingsambtenaar de OZB-aanslag gebruik met 48,4% dient te verminderen. De Rechtbank heeft voorts de WOZ-waarde voor het belastingjaar 2014 (in goede justitie) vastgesteld op € 17.000.000 en bepaald dat de OZB-aanslagen 2014 dienovereenkomstig dienen te worden verlaagd. Voorts heeft de Rechtbank de Heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten, begroot op € 2.396,69 en gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht van € 331,00 vergoedt.

1.5.

De Heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.6.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Hierop heeft de Heffingsambtenaar bij brief van 22 december 2017 gereageerd. Belanghebbende heeft voorafgaande aan de zitting bij brief van 5 januari 2018, door het Hof ontvangen op 8 januari 2018, zijn pleitaantekeningen aan het Hof gestuurd. Een kopie hiervan is op 8 januari 2018 door het Hof aan de Heffingsambtenaar gezonden.

1.7.

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 11 januari 2018 te Arnhem. Namens de Heffingsambtenaar zijn daar mevrouw mr. [B] , [C] en [D] verschenen, alsmede namens belanghebbende mr. [E] en [F] , bijgestaan door [G] en [H] (taxateurs).

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. Deze is als Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC), de tbs-kliniek Veldzicht (hierna ook: de kliniek), bij belanghebbende in gebruik. De onroerende zaak bestaat uit verschillende kliniek-gebouwen, sportvelden, een fietsenstalling en parkeerplaatsen. De onroerende zaak is volledig omheind. De totale kaveloppervlakte is 327.650 m², waarvan 232.354 m² in de waardering is betrokken.

2.2.

Op 22 maart 2013 is het Masterplan DJI 2013-2018 naar de Tweede Kamer gestuurd. In dit plan was de onderhavige tbs-kliniek Veldzicht opgenomen op de lijst van te sluiten inrichtingen per 1 januari 2016. In het begrotingsakkoord 2014, bekend gemaakt op 11 oktober 2013, is bepaald dat Veldzicht mede vanwege extra budget open blijft.

2.3.

Om hieraan uitvoering te geven en te voorkomen dat de sluitingscriteria opnieuw ter discussie zouden komen te staan en extra budget enkel zou zorgen voor een tijdelijke oplossing, is gezocht naar een andere bestemming voor Veldzicht. De uitkomst daarvan is dat Veldzicht open kan blijven door naast tbs-gestelden ook vreemdelingen met een psychische stoornis te plaatsen. Vanaf 1 januari 2016 is Veldzicht om die reden een centrum voor transculturele psychiatrie geworden.

2.4.

Ter onderbouwing van de vastgestelde WOZ-waarde van de onroerende zaak voor het kalenderjaar 2014 heeft de Heffingsambtenaar in de procedure bij de Rechtbank een taxatierapport, opgemaakt op 31 augustus 2016 door [I] , WOZ-taxateur, overgelegd. Uit dit taxatierapport blijkt dat de taxateur de onroerende zaak op de gecorrigeerde vervangingswaarde heeft gewaardeerd. Hij heeft daarbij gebruik gemaakt van kengetallen die zijn opgenomen in landelijke taxatiewijzers. Hij heeft geconcludeerd tot een gecorrigeerde vervangingswaarde van € 24.758.000 per 1 januari 2013.

2.5.

Belanghebbende heeft ter onderbouwing van de door hem voorgestane waarde van de onroerende zaak voor het jaar 2014 een taxatierapport, opgemaakt op 31 augustus 2016 door [G] , overgelegd waarin geconcludeerd wordt tot een gecorrigeerde vervangingswaarde van € 13.475.000 per 1 januari 2013.

2.6.

Belanghebbende is tegen de WOZ-beschikking voor het kalenderjaar 2014 en de aanslagen OZB voor de jaren 2013 en 2014 in bezwaar gekomen. De Rechtbank heeft het tegen de uitspraken op bezwaar ingediende beroep gegrond verklaard. Met betrekking tot de aanslagen OZB ter zake van het gebruik voor de jaren 2013 en 2014 is de Rechtbank van oordeel dat de heffingsgrondslag te hoog is vastgesteld omdat ten onrechte de woondelenvrijstelling, ter grootte van 48,4% van de WOZ-waarde niet is toegepast. Met betrekking tot de WOZ-waarde voor het jaar 2014 is zij van oordeel dat op 1 januari 2014 de bestemming van de onroerende zaak is veranderd dan wel dat de onroerende zaak een verandering in waarde heeft ondergaan als gevolg van een andere specifiek voor de onroerende zaak geldende bijzondere omstandigheid. Voor de waardebepaling van de onroerende zaak per 1 januari 2013 dient, aldus de Rechtbank, op grond van artikel 18, derde lid, van de Wet WOZ uitgegaan te worden van de staat van de onroerende zaak bij aanvang van het kalenderjaar 2014 en dienen investeringen – noodzakelijk voor de invulling van de nieuwe toekomstige functie van de gebouwen (2.3) ter grootte van € 5.000.000 op de na bezwaar vastgestelde WOZ-waarde in mindering te worden gebracht. Voor het kalenderjaar 2013 is de vastgestelde WOZ-waarde niet in geschil.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of bij het opleggen van de OZB-aanslagen (gebruikersdeel) 2013 en 2014 met betrekking tot de onroerende zaak terecht geen woondelenvrijstelling in aanmerking is genomen. Voorts is in geschil of de WOZ-waarde van de onroerende zaak voor het kalenderjaar 2014 te hoog is vastgesteld.

3.2.

De Heffingsambtenaar is primair van mening dat bij de bepaling van de heffingsmaatstaf van de OZB-aanslagen (gebruikersdeel) terecht de woondelenvrijstelling niet is toegepast. Voor zover een dergelijke vrijstelling al in aanmerking dient te worden genomen stelt hij subsidiair dat deze hooguit kan zien op dat deel van de onroerende zaak dat feitelijk gebruikt wordt door long-stay-patiënten. Meer subsidiair bepleit hij dat de woondelenvrijstelling niet méér kan bedragen dan maximaal 47,1% van de WOZ-waarden. Ten aanzien van de WOZ-waarde voor het kalenderjaar 2014 is de Heffingsambtenaar van mening dat op grond van artikel 18, lid 3, van de Wet WOZ toekomstige investeringen niet in mindering op de WOZ-waarde dienen te worden gebracht. Zo er al sprake zou zijn van een dergelijke aftrek vanwege toekomstige investeringen, dan is deze niet groter dan het verschil tussen de door hem getaxeerde waarde (€ 24.758.000) en de verminderde WOZ-waarde na bezwaar (€ 22.000.000).

3.3.

Belanghebbende is de mening toegedaan dat bij de bepaling van de heffingsmaatstaf van de OZB-aanslagen (gebruikersdeel) van de onroerende zaak voor voormelde kalenderjaren een woondelenvrijstelling in acht genomen dient te worden. Met betrekking tot de WOZ-waarde van de onroerende zaak voor het kalenderjaar 2014 is hij van mening dat de Rechtbank terecht in goede justitie toekomstige investeringsuitgaven ter grootte van € 5.000.000 op de voet van artikel 18, lid 3, van de Wet WOZ in aanmerking heeft genomen.

3.4.

De Heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot ongegrondverklaring van het beroep en tot bevestiging van de uitspraken op bezwaar.

3.5

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Woondelenvrijstelling

4.1

Op grond van artikel 220, aanhef en onderdeel a. van de Gemeentewet, kan ter zake van binnen een gemeente gelegen onroerende zaken een belasting worden geheven van degene die een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, gebruikt. In artikel 220e van de Gemeentewet is bepaald dat bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor die belasting buiten aanmerking wordt gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden (hierna: de woondelenvrijstelling).

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de onroerende zaak niet in hoofdzaak tot woning dient zodat een aanslag in de OZB (gebruik) kan worden opgelegd.

4.3.

Omtrent de toepassing van de woondelenvrijstelling heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 15 november 2013, nr. 11/05565, ECLI:NL:HR:2013:1125, BNB 2014/52, (hierna: (het) arrest) onder meer het volgende overwogen:

“3.3.2. (…) Thans is aan de orde de toepassing van artikel 220e van de Gemeentewet, ingevolge welke bepaling voor een onroerende zaak die niet in zijn geheel als woning wordt aangemerkt geldt dat geen onroerendezaakbelasting ten aanzien van het gebruik wordt geheven over de waarde van gedeelten van die zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Het criterium ‘in hoofdzaak’ brengt mee dat van zodanige gedeelten (hierna ook: ‘in-hoofdzaak-woondelen’) eveneens sprake is als de desbetreffende gedeelten tevens in zekere mate een andere functie hebben dan een woonfunctie dan wel volledige dienstbaarheid aan woondoeleinden; voldoende is dat die gedeelten in hoofdzaak, dat is voor ten minste 70 percent, tot woning dienen dan wel dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

3.3.3.

Zoals mede kan worden ontleend aan de conclusie van de Advocaat-Generaal, leidt het bepaalde in artikel 220e van de Gemeentewet ten aanzien van verzorgings- en verpleeghuizen in de praktijk tot velerlei problemen. Daarbij worden door feitenrechters verschillende benaderingen gekozen die niet enkel zijn terug te voeren op onderlinge verschillen tussen die verzorgings- en verpleeghuizen. De aldus ontstane problematiek, die door de regering al werd verwacht maar waarvoor in de wettelijke regeling geen voorziening is getroffen, vraagt om praktisch werkbare uitgangspunten die tot een uniforme rechtstoepassing leiden. De Hoge Raad zal in dit arrest dergelijke uitgangspunten formuleren met het oog op een aantal in de praktijk veel voorkomende problemen. Een zekere ruwheid is daarbij onvermijdelijk.

3.3.4.

Verzorgings- en verpleeghuizen kenmerken zich daardoor dat daarin mensen verblijven die vanwege hun behoefte aan verzorging en/of verpleging niet in hun oorspronkelijke woonomgeving kunnen blijven. Hun verblijf in een dergelijk tehuis heeft in het algemeen naar zijn aard geen tijdelijk karakter, en onderscheidt zich daarmee van een verblijf in een ziekenhuis. Het verblijf van duurzame aard in een verzorgings- of verpleeghuis heeft voor deze ‘bewoners’ daarmee het karakter van wonen. Dat komt mede tot uitdrukking doordat zij op dat adres in de gemeentelijke basisadministratie behoren te worden ingeschreven. De omstandigheid dat aan deze bewoners in het tehuis waar zij verblijven naar behoefte hulp, verzorging en verpleging wordt geboden en dat daartoe regels worden gesteld die hun handelingsvrijheid en privacy beperken, neemt niet weg dat het tehuis voor hen dezelfde functies vervult als een woning.

Van een dergelijk als wonen aan te merken verblijf van duurzame aard is echter geen sprake in geval van verblijf in een tehuis met het oog op kortdurende behandeling of dagbehandeling. Evenmin is daarvan sprake bij een zogenoemde hospice waarin terminale zorg wordt verleend aan personen met een levensverwachting van ten hoogste enkele maanden.”

4.4.

De Rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen dat gelet op de niet betwiste verblijfsduur van de ter beschikking gestelden van minimaal vier jaren en gemiddeld negen jaren, niet gesproken kan worden van een verblijf van tijdelijke aard, zoals bedoeld in het arrest. Zij is tot de conclusie gekomen dat de woondelenvrijstelling, overeenkomstig de berekening van belanghebbende, 48,4% van de OZB-aanslagen (gebruikersdeel) bedraagt.

4.5.

De Heffingsambtenaar stelt in hoger beroep dat de Rechtbank, aldus oordelend, een onjuiste uitleg aan het arrest heeft gegeven. Niet de lengte van het verblijf maar slechts de aard van het verblijf is, aldus de Heffingsambtenaar, bepalend voor de vraag of het verblijf al dan niet van duurzame aard is op grond waarvan een woondelenvrijstelling kan worden genoten. Belanghebbende acht voornoemd oordeel van de Rechtbank juist.

4.6.

Hoewel de onroerende zaak geen verzorgings- en verpleeghuis is, is het Hof van oordeel dat de door de Hoge Raad in het arrest geformuleerde uitgangspunten ook in het onderhavige geval van toepassing zijn.

4.7.

Uit het arrest is naar het oordeel van het Hof niet af te leiden dat louter de aard van het verblijf bepalend is voor de vraag of het verblijf al dan niet van duurzame aard is. Het tijdselement speelt daarbij, anders dan de Heffingsambtenaar meent, wel degelijk een rol. Het Hof verwijst daarvoor naar de twee laatste zinnen in onderdeel 3.3.4 van het arrest. Hieruit blijkt namelijk dat de Hoge Raad het tijdselement (mede) van belang acht door te overwegen dat van een verblijf van duurzame aard geen sprake is in geval van verblijf in een tehuis met het oog op kortdurende behandeling of dagbehandeling, dan wel verblijf in een hospice door personen met een levensverwachting van ten hoogste enkele maanden.

4.8.

Aangezien belanghebbende zich beroept op toepassing van de woondelenvrijstelling, rust op hem de last om, tegenover de betwisting door de Heffingsambtenaar, de feiten te stellen en aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat in het onderhavige geval de woondelenvrijstelling van toepassing is.

4.9.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende het van hem verlangde bewijs heeft geleverd. Hij heeft namelijk gesteld dat de minimale verblijfsduur in de kliniek van de ter beschikking gestelden in de onderhavige tijdvakken vier jaren betrof. Alhoewel de Heffingsambtenaar ter zitting van het Hof deze minimale verblijfsduur bij gebrek aan wetenschap heeft betwist, acht het Hof belanghebbendes verklaring daaromtrent geloofwaardig. Daarbij neemt het Hof mede in overweging dat de terbeschikkingstelling door de rechter voor twee jaar wordt opgelegd en vervolgens steeds met één of twee jaar door de rechter kan worden verlengd (artikel 38d van het Wetboek van Strafrecht (WvSr)), alsook dat de tot vier jaar gemaximeerde terbeschikkingstelling (artikel 38e WvSr) eveneens voor twee jaar wordt opgelegd maar slechts eenmaal met twee jaar of ten hoogste twee maal voor een jaar kan worden verlengd. Ook acht het Hof van belang dat de Heffingsambtenaar tot de zitting in hoger beroep de minimale verblijfsduur van vier jaren niet ter discussie heeft gesteld. Bij een dergelijke minimale verblijfsduur, maar ook als die twee jaren zou betreffen, kan niet geoordeeld worden dat het verblijf naar zijn aard een tijdelijk karakter heeft als bedoeld in r.o. 3.3.4 van het arrest. Dit komt mede tot uitdrukking doordat de ‘bewoners’ op het adres van de kliniek in de gemeentelijke basisadministratie personen van Hardenberg worden ingeschreven. Dat het uiteindelijke doel van de behandeling van de meeste ter beschikking gestelden is gericht op terugkeer naar de maatschappij danwel overplaatsing naar een vervolginstelling doet daar in dit geval niet aan af. Op grond van het voorgaande wordt ook de subsidiaire stelling van de Heffingsambtenaar dat slechts sprake is van “wonen” ten aanzien van die delen van de onroerende zaak waar “long-stay patiënten verblijven verworpen. Belanghebbende heeft voor beide kalenderjaren derhalve recht op toepassing van de woondelenvrijstelling. Partijen hebben ter zitting van het Hof eensluidend verklaard dat de woondelenvrijstelling in dat geval voor beide kalenderjaren (2013 en 2014) te berekenen is op 47,1% (11.930 m²/25.325 m²) van de OZB-aanslagen (gebruikersdeel). Aangezien de Rechtbank de woondelenvrijstelling heeft berekend op 48,4% is het hoger beroep van de Heffingsambtenaar in zoverre gegrond.

WOZ-waarde belastingjaar 2014

4.10.

Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van de onroerende zaak dient te worden bepaald op de gecorrigeerde vervangingswaarde zoals bedoeld in artikel 17, lid 3, van de Wet WOZ. Het Hof heeft geen aanleiding partijen daarin niet te volgen en sluit zich bij dit gezamenlijke standpunt van partijen aan.

4.11.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat op 1 januari 2014 duidelijk was dat geïnvesteerd moest worden ter behoud van het nut en om het per 1 januari 2016 beoogde gebruik van de kliniek te kunnen realiseren. Voorts heeft zij overwogen dat de Heffingsambtenaar bij de bepaling van de WOZ-waarde (na bezwaar) ten onrechte geen rekening heeft gehouden met investeringen die gericht zijn op het behoud van het nut. De Rechtbank heeft deze investeringen op grond van het bepaalde in artikel 18, lid 3, van de Wet WOZ in aanmerking genomen (voor een bedrag van € 5.000.000) en de waarde van de onroerende zaak in goede justitie bepaald op € 17.000.000.

4.12.

In hoger beroep stelt de Heffingsambtenaar primair dat met toekomstige investeringen geen rekening dient te worden gehouden omdat zich geen situatie heeft voorgedaan zoals bedoeld in artikel 18, lid 3, van de Wet WOZ. Belanghebbende is de tegenovergestelde mening toegedaan en acht de uitspraak van de Rechtbank juist. Belanghebbende berekent deze investeringen in hoger beroep nader op een bedrag van € 22.169.788 en komt tot de conclusie dat de Rechtbank met een aftrek van € 5.000.000 de gezochte waarde zeker niet te hoog heeft vastgesteld.

4.13.

Met de Heffingsambtenaar is het Hof van oordeel dat met toekomstige investeringen geen rekening dient te worden gehouden omdat zich op 1 januari 2014 geen situatie heeft voorgedaan zoals bedoeld in artikel 18, lid 3, onderdeel b, van de Wet WOZ. Van belang is dat vaststaat dat de feitelijke bestemming van de kliniek op dat tijdstip niet veranderd was. Deze functioneerde nog volledig als een tbs-kliniek.

4.14.

Belanghebbende heeft gesteld dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan zoals bedoeld in artikel 18, lid 3, onderdeel c, van de Wet WOZ omdat de onroerende zaak een economische veroudering heeft ondergaan. Deze stelling wordt verworpen omdat dit geen bijzondere omstandigheid is die zich pas na 1 januari 2013 en voor 1 januari 2014 heeft voorgedaan. Voor zover aanwezig bestond deze economische veroudering reeds op 1 januari 2013 en kan reeds hierom geen beroep op het bepaalde in artikel 18, lid 3, onderdeel c, van de Wet WOZ worden gedaan. Van overige in artikel 18, lid 3, van de Wet WOZ genoemde omstandigheden is het Hof niets gebleken.

4.15.

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende voorts betoogd, hetgeen door de Heffingsambtenaar wordt betwist, dat met een hogere functionele afschrijving wegens economische veroudering rekening dient te worden gehouden dan de Heffingsambtenaar bij het vaststellen van de WOZ-waarde na bezwaar in aanmerking heeft genomen. Aan deze stelling wordt, wat daar ook van zij, op de navolgende grond voorbij gegaan.

4.16.

Het hoger beroep in het belastingrecht heeft als uitgangspunt dat de herkansingsfunctie voorop staat, en dat daarom als regel nieuwe beroepsgronden, argumenten en bewijsmiddelen in hoger beroep kunnen worden aangevoerd. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien een standpunt, of een verweer, ondubbelzinnig is prijsgegeven, dan wel wordt aangevoerd onder zodanige omstandigheden, dat behandeling ervan zou leiden tot een inbreuk op een goede procesorde. Het Hof is van oordeel dat van beide uitzonderingssituaties sprake is. Uit de uitspraak van de Rechtbank blijkt namelijk dat belanghebbende zich in eerste aanleg uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft geconformeerd aan de na bezwaar vastgestelde WOZ-waarde van € 22.000.000 en dat slechts in geschil was of de toekomstige investeringen van deze WOZ-waarde op de voet van artikel 18, lid 3, van de Wet WOZ afgetrokken kunnen worden. Hieruit leidt het Hof af dat belanghebbende ondubbelzinnig zijn standpunt dat de gecorrigeerde vervangingswaarde van € 22.000.000 te hoog zou zijn, heeft prijsgegeven. De in onderdeel 4.15 vermelde additionele stelling van belanghebbende geeft derhalve een ontoelaatbare uitbreiding aan het geschil in hoger beroep. Ook heeft belanghebbende voormeld standpunt op een zodanig laat moment in de procedure betrokken dat de Heffingsambtenaar zich hiertegen niet goed meer kon verweren, hetgeen het Hof ook in strijd met de goede procesorde acht (vgl. HR 10 december 2010, nr. 09/05017, ECLI:NL:HR:2010:BO6786).

4.17.

De conclusie is dat de WOZ-waarde voor het kalenderjaar 2014 na de vermindering bij uitspraak op bezwaar niet te hoog is vastgesteld. In zoverre slaagt het hoger beroep van de Heffingsambtenaar.

Slotsom
Gelet op het vorenstaande dient het hoger beroep van de Heffingsambtenaar gegrond te worden verklaard.

5 Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de proceskostenvergoeding en het griffierecht,

-verklaart het beroep gegrond,

-vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover deze zien op de aanslagen OZB (gebruikersdeel) voor de jaren 2013 en 2014, en

-vermindert de aanslagen OZB (gebruikersdeel) voor de jaren 2013 en 2014 waarbij de heffingsmaatstaf met 47,1% wordt verlaagd.

Deze uitspraak is gedaan te Arnhem door mr. A.J. Kromhout, voorzitter,
mr. R. den Ouden en mr. M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2018.

De voorzitter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. In verband daarmee is de uitspraak ondertekend door mr. Den Ouden.

De griffier,

(A. Vellema) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 21 februari 2018

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij:

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.