Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1673

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
200.229.747/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot goedkeuring onderhandse verkoop ex artikel 3:268 BW.

Bereidheid geïnteresseerde ter zitting om hoger bod uit te brengen.

Bevoegdheid tot voorleggen hoger bod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.229.747/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 120542 / KG RK 17-219)

Beschikking van 13 februari 2018

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

in eerste aanleg: belanghebbende,

verder te noemen: [verzoeker] ,

advocaat: mr. W. van Dijk, kantoorhoudend te Barneveld,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in hoger beroep,

in eerste aanleg: verzoeker,

verder te noemen: [verweerder] ,

advocaat: mr. A. van der Wielen, kantoorhoudend te Groningen.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [belanghebbende1] ,

wonende te [C] ,

hierna te noemen: [belanghebbende1] ,

advocaat: mr. K.J. Zeef,

2. [belanghebbende2],

wonende te [C] ,

hierna te noemen: [belanghebbende2] ,

advocaat: mr. K.J. Zeef,

3. De Ontvanger van de Belastingdienst te Emmen,

gevestigd te Emmen,

4. De Belastingdienst Toeslagen te Emmen,

gevestigd te Emmen,

5. Tijdhof, Daverschot, De Jong Posthumus Notarissen B.V.,

gevestigd te Assen,

hierna te noemen: het Notariskantoor,

6. [belanghebbende6] ,

wonende te [D] ,

hierna te noemen: [belanghebbende6] .

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de beschikking van

5 december 2017 die de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, (hierna: de voorzieningenrechter) heeft gewezen.

2 Het verloop van de procedure in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 14 december 2017,

- het verweerschrift van [verweerder] , ingekomen op 12 januari 2018,

- het verweerschrift van [belanghebbende1] en [belanghebbende2] , ingekomen op 15 januari 2018,

- een nagekomen productie nr. 5 (proces-verbaal van de behandeling in eerste aanleg) van de zijde van [verzoeker] , ingekomen op 18 januari 2018,

- de e-mail van [belanghebbende6] ingekomen op 25 januari 2017,

- de mondelinge behandeling op 1 februari 2018, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft mr. Van Dijk een pleitnota overgelegd. Een afschrift van het proces-verbaal en de pleitnota zijn bij de stukken gevoegd.

2.2.

Vervolgens hebben partijen het hof verzocht een beslissing te nemen.

2.3.

[verzoeker] verzoekt het hof de beschikking van 5 december 2017 van de voorzieningenrechter te vernietigen en alsnog verlof te verlenen voor de verkoop van de woning aan de [a-straat] 7 te [C] aan [verzoeker] , dan wel een nieuwe veilingdatum vast te stellen, met veroordeling van [verweerder] in de kosten.

3 De vaststaande feiten

3.1.

[verweerder] heeft een geldlening verstrekt aan [belanghebbende1] en [belanghebbende2] gesecureerd door het recht van eerste hypotheek op het aan [belanghebbende2] in eigendom toebehorende registergoed bestaande uit de vrijstaande woning met onder- en bijgelegen grond, staande en gelegen te [C] , [a-straat] 7, kadastraal bekend gemeente Assen, sectie [Y] nummer [0000] , groot vijf are en veertig centiare (hierna de woning). Het recht van hypotheek is op

6 januari 2016 gevestigd.

3.2.

Bij deurwaardersexploot van 10 augustus 2017 heeft [verweerder] aan [belanghebbende2] aangezegd dat hij zal overgaan tot executoriale verkoop van het onderpand, de woning.

3.3.

De executoriale verkoop van de woning stond gepland op 11 oktober 2017 in de veilingzaal van het Van der Valk Hotel te Drachten.

3.4.

De met de executoriale verkoop belaste notaris, mr. A.J. Nielsen te Groningen, heeft voor de geplande executoriale verkoop drie onvoorwaardelijke biedingen ontvangen op de woning, te weten:

- € 175.000,- van [E] , namens JWS Active BV;

- € 253.000,- van [belanghebbende6] ,

- € 261.068,68 van [verzoeker] .

3.5.

[verweerder] heeft als hypotheekhouder op 28 september 2017 onder opschortende voorwaarden, van onder andere toestemming van de voorzieningenrechter, met [verzoeker] een koopovereenkomst gesloten ter zake van de woning.

3.6.

De woning is op 23 oktober 2017 door mevrouw [F] , taxateur verbonden aan het kantoor Driehoek Taxateurs te Zuidvelde, getaxeerd. De woning is getaxeerd op een marktwaarde van € 305.000,- en op een te verwachten opbrengst bij executoriale verkoop van € 260.000,-.

3.7.

[verzoeker] heeft op 12 december 2017 onder [verweerder] op de woning conservatoir beslag tot levering laten leggen.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

In eerste aanleg heeft [verweerder] bij verzoekschrift gedateerd 2 oktober 2017 de voorzieningenrechter op grond van artikel 3:268 lid 2 BW verzocht verlof te verlenen om de woning onderhands aan [verzoeker] te verkopen conform de bij het verzoekschrift gevoegde koopovereenkomst.

4.2.

Bij brief van 23 november 2017 heeft [verweerder] zijn verzoek gewijzigd en de voorzieningenrechter verzocht verlof te verlenen om de woning onderhands aan [belanghebbende6] te verkopen, conform de bij die brief gevoegde koopovereenkomst.

4.3.

De voorzieningenrechter heeft het gewijzigde verzoek van [verweerder] toegewezen en bepaald dat “de verkoop van de woning (…) onderhands zal geschieden overeenkomstig de hierbij goedgekeurde koopovereenkomst tussen [verweerder] en [belanghebbende6] , waarvan een afschrift aan deze beschikking is gehecht”.

5 De beoordeling van de grieven

5.1.

De voorzieningenrechter heeft een beschikking gegeven tot onderhandse verkoop van de woning ex artikel 3:268 lid 2 BW, nadat [verweerder] als hypotheekhouder hierom had verzocht. De tweede volzin van artikel 3:268 lid 2 BW opent de mogelijkheid dat voor afloop van de behandeling van het verzoek aan de voorzieningenrechter een gunstiger aanbod wordt voorgelegd door de hypotheekgever of door een hypotheekhouder, beslaglegger of beperkt gerechtigde die bij een hogere opbrengst van het goed belang heeft. De voorzieningenrechter kan dan bepalen dat de verkoop overeenkomstig dit aanbod zal geschieden.

5.2.

Tegen een beschikking ex artikel 3:268 lid 2 BW van de voorzieningenrechter is geen hogere voorziening toegelaten (artikel 3:268 lid 3 BW), behalve wanneer de voorzieningenrechter buiten het toepassingsgebied van het artikel is getreden, het artikel ten onrechte heeft toegepast dan wel buiten toepassing heeft gelaten of essentiële vormen heeft verzuimd toe te passen, zoals het beginsel van hoor en wederhoor.

5.3.

[verzoeker] komt met één grief op tegen de beschikking van de voorzieningenrechter. Volgens [verzoeker] is de voorzieningenrechter met zijn beslissing buiten het toepassingsgebied van artikel 3:286 lid 2 BW getreden, althans heeft hij verzuimd essentiële vormvereisten toe te passen. Aangezien [verzoeker] aanvoert dat er sprake is van één of meer appeldoorbrekingsgronden is hij ontvankelijk in zijn hoger beroep.

5.4.

Ter nadere toelichting op de grief is door [verzoeker] het navolgende aangevoerd. Tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 13 november 2017 heeft [belanghebbende6] – die ook al een onderhands bod bij de notaris had uitgebracht – aangegeven een hoger bod op de woning te willen uitbrengen. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter [verzoeker] en [belanghebbende6] ter zitting opnieuw laten bieden. [belanghebbende6] heeft toen het hoogste bod uitgebracht, waarna [verweerder] met [belanghebbende6] een koopovereenkomst heeft gesloten. [belanghebbende6] behoort evenwel niet tot de kring van direct betrokkenen die voor de afloop van de behandeling een gunstiger bod neer kunnen leggen, als bedoeld in artikel 3:268 lid 2 BW. Dit recht is uitsluitend voorbehouden aan de daarin genoemde betrokkenen. De voorzieningenrechter is met deze gang van zaken buiten het toepassingsgebied van artikel 3:286 lid 2 BW getreden. De voorzieningenrechter heeft [belanghebbende6] hiermee als het ware een herkansing gegeven, als gevolg waarvan de wettelijke regeling geen enkele waarde meer heeft, aldus [verzoeker] .

5.5.

Het hof stelt voorop dat de regeling zoals neergelegd in artikel 3:268 lid 2 BW tot doel heeft dat een zo hoog mogelijke opbrengst voor de in artikel 544 Rv genoemde belanghebbenden wordt verkregen. Bij zijn beslissing tot het al dan niet verlenen van goedkeuring aan een onderhandse verkoop mag de voorzieningenrechter alle omstandigheden laten meewegen, maar de hoogte van de koopprijs zal zwaar wegen.

5.6.

In de kern komt de grief van [verzoeker] erop neer dat [belanghebbende6] ter zitting niet had mogen mededelen dat hij bereid was een hoger bod uit te brengen, althans dat de voorzieningenrechter daarop geen acht had mogen slaan, omdat hiermee de wettelijke regeling dat tot 14 dagen voor de executoriale verkoop een bod bij de notaris kan worden neergelegd, wordt doorbroken en een herkansing wordt geboden. Het hof verwerpt het betoog van [verzoeker] . Het is aan de voorzieningenrechter om te beoordelen of het voorliggende bod het meest gunstige is en hij kan daarbij alle omstandigheden, waaronder hetgeen ter zitting aan de orde is gekomen, laten meewegen. De voorzieningenrechter mocht in dat kader acht slaan op de mededeling van [belanghebbende6] dat hij een hoger bod wilde uitbrengen. Artikel 3:268 lid 2 BW biedt uitdrukkelijk de mogelijkheid dat door één van de daar genoemde betrokkenen voor afloop van de behandeling een gunstiger aanbod aan de voorzieningenrechter wordt voorgelegd. Dit hoeft niet een gunstiger aanbod van de betrokkene zelf te zijn maar kan (ook) een gunstiger aanbod van een derden zijn dat via één van de betrokkenen aan de voorzieningenrechter wordt voorgelegd. Het artikel verzet zich er ook niet tegen dat het gunstiger aanbod afkomstig is van een bieder die eerder onderhands bij de notaris heeft geboden.

5.7.

Met de mededeling van [belanghebbende6] ter zitting (op 13 november 2017) dat hij een hoger bod wilde uitbrengen, zag de voorzieningenrechter zich geconfronteerd met de mogelijkheid dat een hogere verkoopopbrengst mogelijk was, hetgeen aanleiding gaf om tot afwijzing van het verzoek over te gaan (dit blijkt onder andere uit de brief 23 november 2017 van de zijde van [verzoeker] ). Ter zitting hebben partijen vervolgens ingestemd met de door de voorzieningenrechter voorgestelde biedingsprocedure, waarbij [belanghebbende6] met zijn bod van

€ 272.750,- [verzoeker] heeft overboden. Het is de uitkomst van deze biedingsprocedure die vervolgens door [verweerder] aan de voorzieningenrechter is voorgelegd. In zoverre wijkt de onderhavige zaak dan ook af van de door [verzoeker] aangehaalde uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg (ECLI:NL:RBLIM:2017:2442). In die zaak stemden partijen namelijk niet in met een nieuwe biedingsprocedure waarna de voorzieningenrechter tot een afwijzing van het verzoek kwam omdat hij er niet van overtuigd was dat met de voorgelegde verkoopovereenkomst de hoogst mogelijke opbrengst werd bereikt.

5.8.

Uit de gang van zaken volgt dat partijen, na de mededeling van [belanghebbende6] , hebben ingestemd met een nieuwe biedingsprocedure en dat het vervolgens [verweerder] is geweest die de uitkomst van de nieuwe biedingsprocedure heeft voorgelegd aan de voorzieningenrechter. Artikel 3:268 lid 2 BW opent die mogelijkheid en [verweerder] is een van de in

artikel 3:268 lid 2 BW genoemde betrokkenen. De voorzieningenrechter is gelet hierop binnen het toepassingsgebied van artikel 3:268 lid 2 BW gebleven.

5.9.

De stelling dat de voorzieningenrechter verzuimd heeft essentiële vormvoorschriften toe te passen, wordt door het hof bij gebreke van enige nadere onderbouwing, verworpen.

5.10.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de grief faalt en het beroep van [verzoeker] wordt verworpen.

5.11.

[verweerder] heeft verzocht om veroordeling van [verzoeker] in de daadwerkelijk door hem gemaakte proceskosten. [verweerder] heeft geen onderbouwing gegeven van de door hem gemaakte daadwerkelijke proceskosten. Om die reden dient het verzoek van [verweerder] reeds te worden afgewezen. Voor een vergoeding van volledige proceskosten is bovendien slechts plaats indien sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Dat daarvan in de gegeven omstandigheden sprake zou zijn is onvoldoende onderbouwd door [verzoeker] . Het feit dat [verzoeker] in zijn verzoekschrift heeft verzuimd om mede te delen (i) dat het verzoek om aan [belanghebbende6] te verkopen is voorgelegd door [verweerder] , en (ii) [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling heeft meegeboden met de biedingsprocedure en daarmee het bepaalde in artikel 21 Rv zou hebben geschonden, zoals [verweerder] stelt, acht het hof daarvoor onvoldoende. Ook om die reden is geen plaats voor een volledige proceskosten veroordeling.

5.12.

[verzoeker] zal wel als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding tot op heden aan de zijde van de [verweerder] begroot op € 313,- aan verschotten en overeenkomstig 2 punten in tarief II aan geliquideerd salaris van de advocaat. Ook zal [verzoeker] als in de in het ongelijk te stellen partijen worden veroordeeld in de kosten van [belanghebbende1] en [belanghebbende2] nu zij verweer hebben gevoerd en ter zitting zijn verschenen, begroot op € 313,- aan verschotten en overeenkomstig 2 punten in tarief II aan geliquideerde salaris van de advocaat.

6 Het gerechtshof

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van

5 december 2017, waarvan beroep;

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [verweerder] begroot op € 313,- aan verschotten en € 1.788,- aan salaris advocaat.

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [belanghebbende1] en [belanghebbende2] begroot op € 313,- aan verschotten en € 1.788,- aan salaris advocaat.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.F. Clement, voorzitter, mr. R.E. Weening en

mr. I. Tubben, bijgestaan door A. Foekema als griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 13 februari 2018.