Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1647

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
05-03-2018
Zaaknummer
WAHV 200.191.420
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen afschrift van het procesdossier toegezonden in de procedure bij de kantonrechter.

Overeenkomstig artikel 11, vierde lid (oud), Wahv is de gemachtigde bij de oproep voor de zitting door de griffier gewezen op de mogelijkheid om het dossier in te zien. Niet gebleken is dat de gemachtigde dit heeft gedaan. Evenmin is gebleken dat de gemachtigde naar aanleiding van deze oproeping aan de griffier heeft verzocht om afschriften van de stukken.

Voor het prematuur verzoeken van stukken op de voet van voornoemd artikel biedt de wet geen ruimte. Er bestaat geen aanleiding de beslissing van de kantonrechter te vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.191.420

20 februari 2018

CJIB 190848751

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel

van 31 maart 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter de officier van justitie veroordeeld in de kosten ten behoeve van de betrokkene, tot een bedrag van € 122,50.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Op 9 oktober 2017 heeft de gemachtigde nadere gronden van beroep ingediend.

Op 21 november 2017 is nog nadere informatie van de advocaat-generaal ontvangen.

Beoordeling

1. De gemachtigde voert aan dat de beslissing van de kantonrechter geen stand kan houden, omdat geen afschrift van het procesdossier is toegezonden, terwijl daar wel om was verzocht. Zodoende is niet gehandeld zoals artikel 11, vierde lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) voorschrift en is het beginsel van equality of arms geschonden.

2. Bij brief van 29 oktober 2015 heeft de gemachtigde beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie. In dit beroepschrift is verzocht om een afschrift van het procesdossier.

3. In de procedure bij de kantonrechter geldt voor het verstrekken van stukken de regeling van artikel 11, vierde lid (oud), van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv).

4. Artikel 11, vierde lid (oud) Wahv luidt voor zover van belang als volgt:

“Alle op een beroepschrift betrekking hebbende stukken worden, indien zekerheidstelling heeft plaatsgevonden, nedergelegd ter griffie van de rechtbank. Hiervan wordt door de griffier mededeling gedaan aan degene die het beroep heeft ingesteld. De betrokkene of zijn gemachtigde kan binnen een door de kantonrechter bepaalde en aan hem door de griffier medegedeelde termijn, deze stukken inzien en daarvan afschriften of uittreksels vragen.”

5. Overeenkomstig deze bepaling is de gemachtigde, bij de oproeping van 25 februari 2016 voor de zitting bij de kantonrechter, door de griffier van de kantonrechter gewezen op de mogelijkheid om het dossier in te zien. Niet is gebleken dat de gemachtigde dit heeft gedaan. Evenmin is gebleken dat de gemachtigde naar aanleiding van deze oproeping aan de griffier heeft verzocht om afschriften van de stukken. Voor het prematuur verzoeken om stukken op de voet van voornoemd artikel biedt de wet geen ruimte. Het verweer van de gemachtigde treft hierop gelet geen doel.

6. De gemachtigde heeft verder verweer gevoerd tegen de inleidende beschikking waarbij aan de betrokkene een administratieve sanctie van € 272,- is opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op (auto)wegen buiten de bebouwde kom met 28 km/h (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 30 juni 2015 om 11.51 uur op de Beerzerhaar te Ommen met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .

7. De gemachtigde voert aan dat een foutieve meting is verricht. Uit het zaakoverzicht blijkt dat de meting plaatsvond over 152 meter. Dit had tenminste 600 meter behoren te zijn, wil van een rechtsgeldige meting sprake kunnen zijn. Verder voert de gemachtigde aan dat de tekst in het zaakoverzicht geen ambtsedige verklaring is. Nu het dossier geen aanvullende verklaring ter ondersteuning van de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht bevat, staat de verweten gedraging niet in afdoende mate vast.

8. Laatstgenoemd bezwaar van de gemachtigde kan niet slagen, nu in deze zaak door de advocaat-generaal een op ambtseed opgemaakt en ondertekend brondocument is overgelegd dat de basis vormt voor de gegevens in het zaakoverzicht. Daarnaast heeft het hof in zijn arrest van 4 april 2017, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2017:2855 overwogen, dat de Wahv niet de eis stelt dat aan de oplegging van administratieve sancties een fysiek en ondertekend proces-verbaal ten grondslag ligt en dat aan het enkele ontbreken van een fysiek (ondertekend) proces-verbaal niet de betekenis kan toekomen dat de sanctie niet in stand kan blijven. Slechts brengt dit mee dat daaraan niet de bijzondere bewijskracht van een ambtsedige verklaring toekomt. Dit neemt niet weg dat de vaststelling dat een gedraging is verricht, ook op een niet-ambtsedige verklaring van een verbalisant kan worden gebaseerd.

9. De verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt onder meer het volgende in:

“De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte snelheidsmeter.

Gemeten (afgelezen) snelheid: 91 km per uur.

Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 88 km per uur.

Toegestane snelheid: 60 km per uur.

Overschrijding met: 28 km per uur.

Merk/soort meetmiddel: LTI Ultralyte 100 LR

(…)

Meetafstand: 152 m.”

10. De stelling van de gemachtigde dat de meetafstand minimaal 600 meter had moeten zijn voor een rechtsgeldige meting, vindt in een situatie als deze waarin sprake is van een lasermeting, geen steun in het recht. Het hof ziet hierin dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant dat de snelheid is vastgesteld met een op de voorgeschreven wijze gebruikte snelheidsmeter.

11. Het verweer van de gemachtigde tegen de inleidende beschikking treft derhalve geen doel. De kantonrechter heeft het beroep tegen de inleidende beschikking terecht ongegrond verklaard.

12. De gemachtigde heeft verder nog aangevoerd dat bij de toekenning van proceskosten door de kantonrechter een onjuist tarief per procespunt en een onjuiste wegingsfactor is gehanteerd.

13. Het beroepschrift bij de kantonrechter is vóór 1 januari 2016 ontvangen. Gelet op artikel V, derde lid, van de Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 2 december 2015, nr. 702372, tot indexering van bedragen in de Algemene wet bestuursrecht, het Besluit proceskosten bestuursrecht, de Wet griffierechten burgerlijke zaken en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is, voor zover hier van belang, onderdeel B van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, zoals dit onderdeel luidde vóór 1 januari 2016, van toepassing. Dit betekent dat een bedrag van € 490,- per punt moet worden gehanteerd. Dit heeft de kantonrechter ook gedaan.

14. Voorts is er geen grond voor het oordeel dat de kantonrechter een hogere wegingsfactor had moeten toepassen. Artikel 13a, eerste lid, van de Wahv brengt mee dat de kantonrechter een zekere beoordelingsruimte heeft bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre een verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding moet worden ingewilligd. Het antwoord op de vraag welke wegingsfactor moet worden toegepast, is afhankelijk van het gewicht van de zaak. Het is bij uitstek de over het beroep oordelende kantonrechter die het gewicht van die zaak kan beoordelen. Deze beoordeling door de kantonrechter kan in hoger beroep slechts marginaal worden getoetst. Niet kan worden geoordeeld dat de kantonrechter in redelijkheid niet de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) heeft kunnen toepassen.

15. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter een juiste beslissing genomen. Het hof zal deze beslissing dan ook bevestigen. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek om proceskostenvergoeding afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Stoop als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.