Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1566

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-02-2018
Datum publicatie
05-03-2018
Zaaknummer
WAHV 200.185.286
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Artikel 7:7 van de Awb schrijft voor dat van het horen een verslag wordt gemaakt. De stelling van de gemachtigde dat het verslag met het besluit kenbaar moet worden gemaakt, vindt geen steun in het recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.185.286

9 februari 2018

CJIB 186825209

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Tussenarrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel

van 21 januari 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,
kantoorhoudende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard, het beroep tegen de dwangsombeschikking ongegrond verklaard en het verzoek van de betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.
Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 26 januari 2018. Namens de betrokkene is niemand verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. [C] .

Beoordeling

1. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter heeft gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. Op de zitting van de kantonrechter op 13 januari 2016 heeft de officier van justitie verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden. De kantonrechter ging hierin mee en gaf aan dat de zitting eventueel op 21 januari 2016 kon worden hervat. De gemachtigde heeft echter geen oproep ontvangen voor de zitting van
21 januari 2016. Tot zijn verbazing ontving hij een einduitspraak.

2. Het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van 13 januari 2016 houdt voor zover van belang het volgende in:

"De gemachtigde is verschenen en licht zijn standpunt mondeling toe aan de hand van de pleitnotitie die is gevoegd bij dit proces-verbaal.

De officier van justitie (…) verzoekt om aanhouding om gelegenheid te krijgen om schriftelijk te reageren op de pleitnotitie van de gemachtigde.(…)

De kantonrechter sluit het onderzoek en deelt mee over de aangevoerde argumenten na te denken en op 21 januari 2016 schriftelijk uitspraak te doen. (…)"

3. Aan de hand van de inhoud van bovengenoemd proces-verbaal stelt het hof vast dat de kantonrechter het verzoek van de officier van justitie om aanhouding niet heeft gehonoreerd, maar het onderzoek ter zitting heeft gesloten. Uit niets blijkt dat de kantonrechter op 21 januari 2016 de zaak - wederom - in bijzijn van de vertegenwoordiger van de officier van justitie heeft behandeld buiten aanwezigheid van de betrokkene. Aldus is niet gebleken dat sprake is van een schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

4. De gemachtigde voert aan dat de beslissing van de officier van justitie moet worden vernietigd, omdat er bij die beslissing geen verslag van de hoorzitting d.d. 20 juli 2015 is gevoegd, hetgeen wel is vereist. De kantonrechter is hier ten onrechte aan voorbij gegaan.

5. Artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) houdt het volgende in:
"Van het horen wordt een verslag gemaakt."

6. Het hof stelt vast dat zich in het dossier een verslag telefonisch horen d.d. 20 juli 2015 bevindt. Aldus is voldaan aan het bepaalde in artikel 7:7 van de Awb. De stelling van de gemachtigde dat het verslag met het besluit kenbaar dient te worden gemaakt, vindt geen steun in het recht (vgl. CRvB 17 maart 2010, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:CRVB:2010:BL8325).

7. De gemachtigde voert aan dat de beslissing van de officier van justitie moet worden vernietigd, omdat deze niet deugdelijk is gemotiveerd. De motivering betreft immers een standaardtekst. De gemachtigde meent dat de Awb niet goedkeurt dat een computer de beslissing motiveert in plaats van een echt persoon.

8. In artikel 7:26, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de beslissing op het beroep dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.

9. De beslissing van de officier van justitie is als volgt gemotiveerd:

"U hebt beroep ingesteld tegen de opgelegde sanctie, tevens geeft u aan dat u gehoord wilt worden. Dit laatste is gebeurd. Van het horen is een verslag in het dossier gevoegd. In uw beroepschrift en tijdens het horen hebt u aangevoerd dat er geen doorgetrokken streep is overschreden. Wegens het rijgedrag van het voertuig vóór het voertuig van betrokkene is er wel besloten dit voertuig in te halen.

De officier van justitie heeft een afweging gemaakt tussen de argumenten die u in uw beroepschrift hebt vermeld en wat de verbalisant heeft verklaard. De officier van justitie kent doorslaggevende betekenis toe aan de ambtsedige verklaring van de verbalisant. Omtrent de bewijsvoering verwijst de officier van justitie naar de bijlage(n). De officier van justitie heeft verder geen reden te twijfelen aan de juistheid van de beschikking.

Alles overwegende verklaart de officier van justitie het beroep ongegrond."

6. Het hof is van oordeel dat de door de officier van justitie gebezigde motivering niet als ondeugdelijk kan worden aangemerkt. De officier van justitie heeft voldoende inzichtelijk gemaakt waarom de door de betrokkene aangevoerde gronden geen doel treffen. Dat voor de motivering van de beslissing gebruik is gemaakt van standaard tekstblokken, maakt niet dat de beslissing niet deugdelijk is gemotiveerd.

10. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 230,- opgelegd ter zake van “als bestuurder de doorgetrokken streep overschrijden (verkeer in beide richtingen)”, welke gedraging zou zijn verricht op 28 december 2014 om 17:13 uur op de N36 te Diffelen met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .

11. De gemachtigde voert aan dat de auto voor de betrokkene tergend langzaam (ongeveer 70 km/h) reed. De betrokkene reed een hele tijd achter deze auto en is deze voorbij gegaan op een stuk waar geen doorgetrokken streep was. De verbalisant kan dit onmogelijk hebben gezien. De betrokkene is ook helemaal niet daar staande gehouden, maar ergens anders. Bovendien heeft hij tevens een beschikking gekregen voor een andere gedraging op hetzelfde tijdstip, maar kilometers verderop. Hieruit volgt dat de verbalisant niet de waarheid spreekt. Voorts staat in het proces-verbaal van de verbalisant vermeld dat de cautie is gegeven en dat de betrokkene heeft verklaard dat hij de overtreding erkent en een schikking wenst, terwijl dit niet klopt. Primair stelt de gemachtigde dat de gedraging niet is verricht, nu ter plaatse geen sprake was van een doorgetrokken streep. Subsidiair stelt de gemachtigde dat geen sprake was van gevaarzetting, nu er geen overig verkeer in de buurt was en de N36 een rechttoe-rechtaan-weg is. De verbalisant had zijn aandacht moeten besteden aan de automobilist die 70 km/h reed. Die heeft ervoor gezorgd dat de betrokkene is gaan inhalen en is dus degene die gevaar heeft veroorzaakt.

12. In het dossier bevindt zich een aanvullend proces-verbaal d.d. 15 juni 2015, waarin de verbalisant [D] onder meer het volgende verklaart:

"Op 28 december 2014, omstreeks 17:13 uur, bevond ik mij op de Rijksweg N36 te Diffelen en zag ik dat een bestuurder van een personenauto voorzien van het kenteken [00-YYY-0] een voor hem rijdende personenauto inhalen. Hierbij overschreed de bestuurder van de personenauto met bedoeld kenteken de dubbele doorgetrokken streep. Dit was ter hoogte van hectometerpaal 30.6. Op deze locatie is in het geheel geen onderbroken streep aanwezig die de rijbaan in rijstroken verdeelt. De bedoelde hectometerpaal bevindt zich in het wegvak Rijksweg N34 - Beerzerweg (van hectometerpaal 31.0 tot 25.8). In dit wegvak is alleen maar een doorgetrokken dubbele streep aanwezig en nergens een onderbroken streep.

Het zou best zo geweest kunnen zijn dat de ingehaald wordende bestuurder op dat moment 70 km/u heeft gereden, maar dit is hoogstwaarschijnlijk te wijten aan het feit dat zowel de ingehaald wordende bestuurder als de inhalende bestuurder net vanaf een rotonde met de Rijksweg N34 kwam en dat de ingehaald wordende bestuurder nog zijn snelheid aan het opvoeren was tot de maximum toegestane snelheid van 100 km/u. Indien de ingehaald wordende bestuurder met een extreem lage snelheid zou hebben gereden, dan zou die door mij hierover benaderd zijn geweest. Dit was niet het geval."

13. Voorts houdt de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer in dat de rijrichting Almelo betrof.

14. Het hof doet heden ook uitspraak in de zaak van de betrokkene met WAHV 200.192.603, waarin aan de betrokkene bij inleidende beschikking met CJIB-nummer 186696312 een administratieve sanctie van € 270,- is opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom, met 28 km/h (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 28 december 2014 om 17:13 uur op de Coevorderweg te Stegeren met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .

15. In die zaak bevindt zich in het dossier een aanvullend proces-verbaal d.d. 2 maart 2016, waarin de verbalisant [D] onder meer het volgende verklaart:

"Betrokkene [betrokkene] reed op 28 december 2014, omstreeks 17:33, als bestuurder van een personenauto voorzien van het kenteken [00-YYY-0] over de Coevorderweg te Stegeren, gelegen in de gemeente Ommen. (…) Betrokkene kwam vanuit de richting van de rotonde met de Rijksweg N34 en Rijksweg N36, ook wel als De Witte Paal bekend. Bij het verlaten van deze rotonde om richting de Coevorderweg te rijden staan zowel aan de linker - als aan de rechterkant van de weg zoneborden A1 met daarop de maximum snelheid van 60 kilometer per uur. Betrokkene heeft deze borden, die zeer duidelijk staan opgesteld, gepasseerd. Ongeveer 700 meter na deze A1-bebording bevind ik mij op een zijweg om snelheidsmetingen op de genoemde Coevorderweg te verrichten. (…)"

16. Het hof constateert dat de verklaringen van de verbalisant in beide zaken niet met elkaar overeenkomen, althans niet zonder nadere uitleg. Zo verklaart de verbalisant in de onderhavige zaak dat hij zich omstreeks 17:13 uur op de Rijksweg N36 te Diffelen bevond en in de andere zaak dat hij omstreeks 17:33 uur op een zijweg van de Coevorderweg te Stegeren bezig was met het verrichten van snelheidsmetingen, terwijl de gedragingen blijkens de betreffende zaakoverzichten allebei om 17:13 uur zijn verricht. Voorts verklaart de verbalisant in de onderhavige zaak dat de betrokkene reed op de N36 te Diffelen ter hoogte van hectometerpaal 30.6, dat hij kwam vanaf een rotonde met de Rijksweg N34 en dat de rijrichting Almelo betrof, terwijl de verbalisant in de andere zaak juist verklaart dat de betrokkene - rijdend over de Coevorderweg - vanuit de richting van die rotonde kwam. De rijrichting van de betrokkene lijkt in beide zaken dus precies tegenovergesteld te zijn.

17. Deze ongerijmdheden brengen mee dat het hof zich thans onvoldoende voorgelicht acht over de tijdstippen waarop de gedragingen zouden zijn verricht, onder welke omstandigheden de verbalisant de gedragingen heeft geconstateerd, de locatie(s) waar de verbalisant zich op dat moment bevond en de rijrichting van de betrokkene. Het hof zal daarom de advocaat-generaal opdragen om binnen 4 weken na dagtekening van dit arrest - bij voorkeur door middel van een door de betrokken verbalisant opgemaakt aanvullend proces-verbaal - nadere informatie aan het hof te verstrekken met betrekking tot voornoemde punten.

18. Na ontvangst van de nadere informatie zal de gemachtigde in de gelegenheid worden gesteld daarop schriftelijk te reageren. Daarbij dient de gemachtigde tevens uitdrukkelijk aan te geven of hij nog een nadere behandeling van de zaak ter zitting van het hof verlangt. Indien dat niet het geval is, zal het hof - indien het zich voldoende geïnformeerd acht - de zaak verder afdoen op de stukken van het dossier.

19. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Beslissing

Het gerechtshof:

draagt de advocaat-generaal op om binnen vier weken na dagtekening van dit arrest de bovengenoemde informatie te verstrekken;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit tussenarrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.